STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Verschillend standpunt.
Het schijnt voor velen altijd nog eenige moeilijkheid te geven om zich een duidelijk beeld te vormen over het onderscheid, dat er bestaat tusschen het politiek standpunt van de groep-Kersten en dat van de partij van ds. Lingbeek. Ook onder onze lezers doet zich zoo af en toe de vraag voor, waarin zich dit verschil tusschen de beide organisaties in principieelen zin openbaart. Voor deze vraag is gereede aanleiding als overwogen wordt, dat de Staatkundig Gereformeerden en de Hervormd Gereformeerde Staatspartij het toch op twee hoofdpunten met elkander volkomen eens zijn n.l. in hunne houding tegenover de Roomschen en in hun verzet tegen het beginsel, dat Overheid en Kerk ieder een eigen terrein hebben en een zelfstandige plaats innemen.
Wanneer nu de beide politieke partijen, die van ds. Kersten en ds. Lingbeek, op twee zeer belangrijke punten, die zelfs de oorzaak waren van hunne oprichting, te weten: antipapisme en bezwaar tegen godsdienstvrijheid, samengaan, dan is het niet te verwonderen, dat voor den nietingewijde, het moeilijk wordt, om zich het verschil tusschen de twee staatkundige groepen in te denken.
Dat wij bij dit verschil opnieuw in de laatste dagen bepaald werden, vindt z'n aanleiding in het debat, dat bij het uiteengaan der Tweede Kamer over de motie-Lingbeek betreffende „de kloosterlingen-onderwijzers" plaats had. Bij deze motie kwam ter sprake de salarieering van onderwijzers en onderwijzeressen, die de kloostergelofte hebben afgelegd, in het klooster zijn ondergebracht en een deel van hun salaris in de kas der stichting storten.
Ds. Lingbeek leidde daaruit het bezwaar af, dat, op die manier handelende, uit 's Rijks kas jaarlijks een belangrijke bijdrage aan de kloosters wordt gegeven. Vandaar zijn motie, waarin werd uitgesproken, dat de onderwijzers-kloosterlingen niet meer de jaarwedden zouden ontvangen, die hun, evenals allen onderwijzers en onderwijzeressen krachtens het salarisbesluit worden uitgekeerd, maar gesalarieerd zouden worden naar hun behoeften, welke behoeften naar de meening van den voorsteller der motie op ƒ 700.— per jaar te schatten waren.
Over het voorstel zelve van ds. Lingbeek spreken wij dit keer niet, alleen wijzen wij er op, dat het in de motie niet ging tegen het onderwijs, dat door kloosterlingen wordt gegeven, maar dat het bezwaar uitsluitend betrof, de salarieering van de Roomsche onderwijzers en onderwijzeressen, die in communiteit (in een convent) leven.
Ds. Kersten, die ook aan het debat in de Kamer deelnam, plaatste zich echter op geheel ander standpunt. Wilde ds. Lingbeek voor de kloosterlingen-onderwijzers een uitzonderingspositie, ds. Kersten daarentegen was van oordeel, dat de arbeider zijn loon waard is, en dat het daarom niet aanging om onderscheid in het salaris van de onderwijzers te maken.
Wat de leider der Staatkundig Gereformeerden intusschen wel wilde, ten einde 't onmogelijk te maken dat gelden van het Rijk, via de onderwijzers en de onderwijzeressen in de kloosterkassen vloeiden, was heel eenvoudig. Er moest naar diens meening een verbod voor kloosterlingen komen om onderwijs te geven. Zelfs ging ds. Kersten verder — en kwam daarbij vier'kant in strijd met het gevoelen van den heer Lingbeek — toen hij als zijn meening deed kennen, dat alle onderwijs, dat gegeven wordt, uitsluitend Gereformeerd onderwijs moet zijn en alleen Gereformeerde onderwijzers bevoegd zouden zijn als onderwijzers op te treden.
Zooals bekend is, staat ds. Lingbeek het beginsel voor, dat de Openbare School christelijk onderwijs geve, zonder dit onderwijs aan de belijdenisschriften te binden. Laatstgenoemde deed duidelijk uitkomen, dat aan de Ned. Hervormde Kerk een bevoorrechte plaats in het kerkelijk leven behoort te worden toegekend. Van afgescheidene en van kleine Kerken moest hij niets hebben. Ongetwijfeld zou, zoo de Partij-Lingbeek het in den lande voor het zeggen had, al wat Gereformeerd is worden uitgeworpen. Dan was er voor ds Kersten en de zijnen zelfs in het geheel geen plaats. En omgekeerd zou, wanneer de leiding van 's lands zaken in handen kwam van ds. Kersten, de heer Lingbeek met zijne geestverwanten hun biezen kunnen pakken en een goed heenkomen kunnen zoeken.
Men ziet, al zijn de beide politieke groepen anti-papisten en tegenstanders van godsdienstvrijheid, ze bij lange na er nog niet aan toe zijn om in één organisatie te worden opgenomen. Daarvoor zijn de verschillen in het staatkundig standpunt nog te groot.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's