De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Mijn Heere en mijn God*)

16 minuten leestijd

,,Mijn Heere en mijn God". Johannes 20: 28b

I
Daar zijn oogenblikken in het leven, die wij momenten noemen. Dat zijn oogenblikken die niet licht door ons vergeten worden. Ieder mensch en vooral ieder gees­­telijk mensch kan in zijn leven zulke oogenblikken aanwijzen. Ik denk aan Jacob, toen hij te Pniël met zijn God geworsteld had en toen hij tenslotte kwam tot den uitroep van zalige verrassing: „ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest". Denkt gij ook niet, dat dat een moment, dat dat een oogenblik in Jacobs leven geweest is dat hij nimmer vergeten heeft?
Ik denk aan Simeon, toen hij in den tempel het Kindeke Jezus had gevonden en toen hij het met dat Kindeke in zijn armen in blijde zielsverrukking uitjubelde: „Mijne oogen hebben Uwe zaligheid gezien". Denkt gij ook niet, dat dat een oogenblik in Simeons leven geweest is dat hij, zoolang hij hier op aarde nog leefde, nimmer vergeten heeft? En zoo zouden natuurlijk nog meerdere voorbeelden uit het heilig blad kunnen aangehaald worden. 
Welnu, zulk een oogenblik of zulke oogenblikken zal ieder die God vreest zich in zijn leven kunnen herinneren; zulke oogenblikken waarin wij gevoelden: nu bedoelt God iets met mij, nu voltrekt zich iets in mij, nu sta ik voor een keuze, nu moet er in mijn leven een beslissing genomen worden.
Zulk een oogenblik kan voor ons vallen in dagen van ziekte, als we op ons krankbed nederliggen en als het soms schijnt alsof de poorten des doods zich voor ons ontsluiten zullen.
Zulk een oogenblik kan ook voor ons vallen in dagen, als God een der onzen, een onzer geliefde betrekkingen bracht aan den rand van 't graf of ook als God doortrok en een onzer dierbaren, onzen vader of onze moeder, onzen man of onze vrouw, een onzer kinderen of een onzer vrienden door den dood van ons wegnam.
Maar zulk een oogenblik kan ook voor ons vallen in dagen als we geroepen worden voor Gods heilig aangezicht, b.v. als we daar staan in het midden der gemeente om Gods Naam te belijden en om het uit te spreken dat ook wij geen anderen weg zien om behouden te worden, dan den weg die daar is ontsloten in Hem, die de weg, de Waarheid en het leven is. Ook dat is een moment, een oogenblik in ons leven, dat nimmer door ons vergeten mag worden
Zulk een oogenblik brak thans aan voor haar die hier zijn gekomen om belijdenis des geloofs te doen en straks als mondige lidmaten van de gemeente van Christus bevestigd te worden. Mocht haar belijdenis dezelfde belijdenis zijn als waarbij we in deze ure uw aandacht bepalen gaan. Gij vindt haar Joh. 20 vers 28b:
»Mijn Heere en mijn God«.
Deze bekende woorden zijn ontleend aan een bekende geschiedenis. Het is de geschiedenis van Thomas, een van Jezus' discipelen, voor wien de Heiland in het Hoogepriestelijk gebed gebeden had: Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij mij zijn die Gij mij gegeven hebt. Deze Thomas bekleedde, evenals al de andere discipelen, in den kring van Jezus' jongeren een eigen plaats. Immers daar waren er onder de discipelen van Jezus , geen twee aan elkander gelijk. Ieder had iets, wat de anderen misten en ieder miste iets wat de anderen bezaten.  Zooals we allen weten, wordt Thomas meermalen voorgesteld als de zwaarmoedige, de man van het geestelijk pessimisme, met een mentaliteit die de dingen altoos van de donkerste zijde beziet.
Behalve den naam Thomas, droeg hij ook den naam van Didymus. Sommigen meenen dat hij dien naam Didymus, tweelingbroeder, ontleend had aan zijn twijfel, aan zijn hinken op twee gedachten. Maar anderen meenen — en dit komt ons meer waarschijnlijk voor — dat die naam Didymus wijst op een tweelingbroeder of zuster die hij zou gehad hebben. In de overlevering wordt zelfs de naam van zijn tweelingzuster Lysia genoemd. Ook is het niet onmogelijk — want ook onze namen dragen we niet bij geval — dat hij naar Gods bestel daarom Didymus heette, omdat hij zooveel geestelijke broeders en geestelijke zusters bezit, omdat er zooveel kinderen Gods zijn die wel den naam van Thomas-Christenen zouden kunnen dragen, gelijk er dan ook inderdaad Christenen geweest zijn, die hun naam aan Thomas hadden ontleend.
Nu is het voornamelijk op de belijdenis van Thomas, waarop we in deze ure uwe aandacht vestigen willen. Deze ure immers bedoelt ook een ure van belijdenis te wezen. Neen, deze zusters zijn hier niet gekomen om „aangenomen" te wonden, zij zijn ook niet hier gekomen om te zeggen dat zij de Waarheid beamen, waarin zij geleerd en onderwezen zijn; maar zij zijn wél hier gekomen om geloofsbelijdenis te doen, in den grond der zaak, wat het wezen betreft dezelfde belijdenis die Thomas gedaan heeft: „Mijn Heere en mijn God". Komt laten we haar, laten we u, laten we elkander die Thomas-belijdenis dan ten voorbeeld gaan stellen en laten we daarbij overdenken:
1°. hoe was Thomas tot deze belijdenis gekomen?
2°. hoe zijn wij er toe gekomen?
3°. welke beteekenis had deze belijdenis voor Thomas' leven?
4°. welke beteekenis heeft zij voor ons leven?
,,Mijn Heere en mijn God". Hoe was Thomas tot deze geloofsbelijdenis gekomen? Immers Thomas had, wat hij hier beleed, niet altijd beleden; Thomas had wat hij hier geloofde, niet altijd geloofd.
Daar was een tijd geweest dat Thomas, die hier in onzen tekst zulk een kostelijke geloofsbelijdenis aflegde, nog de ongeloovige Thomas was. Niet in den zin waarin de wereld ongeloovig was, niet in den zin waarin de Farizeen en de Sadduceën ongeloovig waren. Zeker, dat ongeloof zal Thomas ook wel gekend hebben, want Thomas was van nature ook aardsch uit de aarde geweest; Thomas had van nature een hart gehad als uw en mijn hart van nature waren; de wedergeboorte en de roeping Gods waren voor Thomas ook niet overbodig geweest.
Maar als wij spreken van den ongeloovigen Thomas, dan wordt met dat ongeloof toch iets anders bedoeld dan het ongeloof van de kinderen dezer wereld; iets anders dan dat ongeloof dat zich openbaart in een afwijken van de wegen des Heeren, in een zoeken van zichzelf, in een jagen naar eigen genot, naar eigen roem en naar eigen heeriijkheid.
Het ongeloof van den „ongeloovigen" Thomas sproot niet voort uit haat tegen Jezus, maar stond in het allernauwste verband met zijn liefde tot Jezus.
Ook Thomas had zich met een band van waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde aan den Heiland van zondaren verbonden gevoeld, en hij gevoelde zich nog aan Hem verbonden, ook voor en aleer hij de woorden van onzen tekst heeft uitgesproken.
Alléén maar, daar was één ding dat Thomas niet kon gelooven, dat hij, hoe graag hij ook wilde, niet durfde gelooven, en dat ééne was dit, dat die Jezus, dien hij op Golgotha wellicht had zien sterven, weer leven zou; dat eene was dit, dat die oogen die hij op Golgotha had zien breken, weer zien konden; dat die mond, die hij op Golgotha den doodsnik had zien geven, weer spreken kon; dat die hand, die hij op Golgotha had zien verlammen, hem weer toegestoken zou worden; dat dat hart, dat hij op Golgotha had zien doodbloeden, weer voor hem kloppen zou.
Dat was het wat Thomas ongelooflijk scheen, niettegenstaande de profeten het hadden voorzegd, niettegenstaande Jezus Zelf het hem verkondigd had, niettegenstaande zijn medediscipelen het hem verzekerd hadden: de Heere is waariijk opgestaan en is van Simon, is van ons allen gezien.
Zoo min het een als het ander had op den „ongeloovigen" Thomas ook maar eenigen invloed gehad. Integendeel, het scheen wel alsof zijn hart nog hoe langer hoe ongelooviger was geworden. Immers toen hij er van gehoord had was Thomas zijn condities gaan stellen: Indien dit niet en indien dat niet! Indien ik in Zijn handen niet zie het teeken der nagelen en mijnen vinger steke in het teeken der nagelen en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins gelooven. Op deze wijze was Thomas aan het bedillen gegaan; op deze wijze was hij den Heere de wet gaan voorschrijven; op deze wijze had hij dus de rollen trachten te verwisselen. Inplaats dat hij moest luisteren naar het woord van Jezus, zou Jezus moeten luisteren naar de voorwaarde van hem.
Zoo was het dus met Thomas geweest. En hoe was het nu anders met hem geworden? Hoe was hij nu gekomen tot dat blijmoedig geloof dat hij in ons tekstwoord zoo spontaan beleden heeft? Hoe was hij nu gekomen tot dat „mijn Heere en mijn God" dat hier uit de volheid van zijn hart van zijn lippen wordt gehoord?
Wij kunnen gerust zeggen: Thomas was daartoe gekomen niet door Thomas, ook niet door zijn medediscipelen, maar hij was daartoe gekomen door Jezus, doordat Jezus zich in de kracht Zijner opstanding ook aan dezen meest ongeloovigen discipel bekend had gemaakt.
Neen, als Thomas zich zelf van zijn ongeloof had moeten verlossen dan zou hij er nooit van genezen zijn; als zijn medediscipelen hem tot het geloof hadden moeten brengen, dan zou Thomas er nooit zijn gekomen en dan zouden we de kostelijke belijdenis van ons tekstwoord nimmer van zijn lippen beluisterd hebben.. Maar Thomas had te doen met een Heiland die ook van Zijn volk weet wat maaksel zij zijn, gedachtig zijnde dat zij stof zijn. En die levende Heiland heeft er voor gezorgd dat Thomas in zijn ongeloof niet heeft volhard, maar dat hij van ongeloovig weer geloovig is geworden en dat hij toen gekomen is tot den uitroep, ons in ons tekstwoord bewaard.
O, gij weet allen hoe het gegaan is, niet waar? Acht dagen nadat Jezus hun de eerste maal verschenen was, blijken de discipelen weer vergaderd te zijn. Ditmaal is Thomas er ook bij. Plotseling is de opgestane Heiland ook nu weer in hun midden gekomen. En als het dan weer is: Vrede zij ulieden, dan blijkt onder die „ulieden" ook Thomas te zijn. Ja, om hem blijkt het den Heere thans bovenal te doen te wezen. O, wat is Gods liefde tot de Zijnen toch een nederbuigende liefde. Immers ook over dezen Thomas, wiens ziel weigerde getroost te worden, die de donkerste schuilhoeken opzocht terwijl de zon aan den hemel stond, ook over dezen Thomas heeft de Heere zich ontfermd. Hoort maar hoe 't aanstonds is: „Breng uwen vinger hier en zie Mijne handen en breng uwe hand en steek ze in Mijne zijde en zijt niet ongeloovig, maar geloovig".
Op deze wijze heeft Jezus Thomas aan de dwaasheid zijner gestelde voorwaarden ontdekt. Op deze wijize heeft Jezus Thomas bestraft en in den weg van ontdekking en bestraffing heeft de Heiland Thomas dan van zijn ongeloof verlost en heeft Hij hem tot de belijdenis van ons tekstwoord gebracht. En daar zien we nu: wat duizend woorden van de menschen, zelfs van de discipelen van Jezus niet konden uitwerken, dat bleken enkele woorden van Jezus Zelf te kunnen doen. Toen Jezus Zelf hem aansprak toch, neen, toen heeft Thomas de vervulling zijner gestelde voorwaarden niet meer noodig gehad. Integendeel, toen bleek het te zijn, zooals het dichterlijk werd vertolkt: 
Jezus Chnistus ziet op Thomas, „Thomas", zegt Hij, „nader Mij"
Leg uw ving'ren in Mijn handen. Breng uw hand nu in Mijn zij,
Zie de teek'nen Mijner wonden, die 'k u te aanschouwen geef,
Wees niet langer ongeloovig, maar geloof nu, dat Ik leef.
En Thomas? Hij nadert, maar wijkt weer met beven.
Geen vinger verroert hij, of, heft hij die even.
De kracht'looze hand wederstreeft het gebod.
Zijn oog gaat het oog van den Heer' weer ontmoeten.
Daar staat hij, vernietigd van schaamt' aan Zijn voeten
Blikt opwaarts en stamelt: Mijn Heer' en mijn God.
Zoo is Thomas tot zijn belijdenis gekomen. Maar hoe zijn wij gekomen of hoe moeten wij komen tot diezelfde belijdenis, die hier in onzen tekst door Thomas wordt afgelegd? 
Immers van nature, neen, danleeft dat geloof niet in ons hart, evenmin als in het hart van Thomas, en dan klinkt deze belijdenis niet van onze lippen, evenmin als van de lippen van Thomas. En niet alleen dat we in onzen natuurstaat geen kennis hebben aan de heerlijke geloofsbelijdenis die een kracht Gods in heel Thomas' leven zou zijn, maar ook na ontvangene genade kunnen we zoo dikwijls aan Thomas gelijk zijn toen hij de vensters van zijn ziel gesloten hield voor het licht der genade, dat in de opstanding van Jezus over deze wereld was opgegaan.
Want neen, niet allen Wie God vreezen zijn precies aan Thomas gelijk, daar zijn er ook wel die heel weinig op hem gelijken. Maar daar staat tegenover, dat er ook velen zijn die heel veel op hem gelijken en wier geloofsleven heel veel trekken van overeenkomst met dat van Thomas vertoont. En heelemaal vrij van zijn ongeloof zal wel niemand van Gods kinderen wezen. Of is het niet zoo? Zit dat stellen van allerlei voorwaarden den mensch als 't ware niet in het bloed; en is het velen kinderen Gods als 't ware niet aangeboren om ook te zeggen of althans ook te denken wat Thomas zei: indien dit niet en indien dat niet, als de Heere niet eerst zus doet en niet zoo doet, dan zal ik geenszins gelooven en dan zal ik geenszins belijdenis doen?
En hoe moet een mensch nu van dat Thomas-ongeloof worden verlost? Hoe moeten wij dus komen tot datzelfde geloof dat Thomas in ons tekstwoord zoo blijmoedig en zoo vrijmoediig beleden heeft? Moeten wij daartoe gekomen zijn of daartoe komen op dezelfde wijze als waarop Thomas er toe kwam? Eenerzijds niet, maar anderzijds toch ook weer wèl.
Eenerzijds niet. Immers eenerzijds kunnen wij er niet meer toe komen op dezelfde wijze waarop Thomas er toe kwam. Wij toch, gij en ik, kunnen den levenden Heiland niet meer zien zooals Thomas Hem zag en zooals al de discipelen Hem reeds hadden gezien. Reeds Paulus sprak 't uit: wij kennen Hem niet naar het vleesch, en al is het dat wij Hem naar het vleesch gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vleesch. En dat het ook niet noodig is Hem op dezelfde wijze te zien, dat heeft Jezus straks Zelf doen uitkomen in dat bekende antwoord: omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd; zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben. Uit dat woord blijkt duidelijk dat de Heiland het ongeloof van Thomas heelemaal niet heeft vergoelijkt en dat Hij heelemaal niet stond op het standpunt van hen die zeggen: het was voor Thomas zoo kwaad nog niet dat hij geen sprong in 't duister widde doen en dat hij het eerst goed weten wilde eer hij geloofde. Integendeel, Jezus heeft het ongeloof van Thomas in plaats van geprezen veeleer bestraft; en ook al heeft Hij Thomas niet veroordeeld, Hij heeft toch duidelijk gezegd dat het hooger staat om niet te zien. en nochtans te gelooven.
En ziet, dat is nu voor ons de weg om te komen tot hetzelfde geloof dat Thomas bezat en om dezelfde belijdenis te doen die Thomas heeft afgelegd. Niet te zien! De dingen die we zien immers zijn tijdelijk. O zeker, ik weet wel, de wereld en ook onze natuur wil zien. Daarom zegt de wereld , ook altijd: als God dit maar eens deed en dat maar eens deed, als Hij maar eens dingen deed waaruit zij zien kon dat God God was, dan zou zij gelooven. En ook de natuur, zelfs van een kind van God zegt zoo telkens: als dit nu maar eens zus en dat nu maar eens zoo was, dan zou ik wel gelooven dat ik een van Gods kinderen was.
Maar nu komt Jezus en zegt: Ik laat u niets zien, o mensch, want al liet Ik het u zien, dan zou dat zien toch maar van tijdelijke waarde, dus van geen blijvende beteekenis zijn. Maar niet zien en nochtans gelooven, dat is de weg voor u om zalig te worden. Niet zien en nochtans gelooven dat Ik de Opstanding en het Leven ben. Niet zien en nochtans gelooven dat Ik de goede Herder, dat Ik de ware wijnstok, dat Ik de deur der hope ben in het dal van Achor. Niet zien en nochtans gelooven dat Ik ben uw Rotssteen en uw Verlosser en uw deel tot in eeuwigheid.
En als Gij mij nu vraagt: hoe kom ik aan dat geloof? dan zeg ik: dat geloof kunt gij u zelf niet geven, evenmin als Thomas het zich zelven gegeven heeft; dat geloof kunnen de menschen, kunnen zelfs de kinderen Gods u niet geven, evenmin als Thomas het van een van zijn medediscipelen heeft ontvangen, ook al verzekerden zij hem met nog zooveel woorden dat Jezus van de dooden verrezen was. Maar dat geloof kan en wil Jezus u geven en in dat opzicht moet gij nu wel op dezelfde wijze tot het geloof komen als waarop Thomas er toe kwam. Diezelfde Jezus toch die zich in Zijn godmenschelijken Persoon aan Thomas openbaarde, Hij openbaart Zich in Zijn Woord en Sacrament ook aan u, ook aan mij, als de levende Zaligmaker. Door dat Woord heeft Hij het ons al zoo dikwijls toegeroepen: hier hebt gij nu Mijn doorboorde handen, Mijn doorboorde voeten. Mijn met doornen gekroonde hoofd. Mijn doorstoken zijde. Mijn gebroken leven dat Ik voor verloren en doodschuldige zondaren gaf in den dood.
En zie, als diezelfde Jezus nu dat Woord Zijner genade door Zijn Geest toepast en verzegelt aan ons hart, zoodat dat Woord weerklank vindt in het oor onzer ziel, dan vallen ook wij vernietigd van schaamte neer aan Zijnen voet, en dan leeren ook wij met den blik des geloofs op Jezus iets stamelen van dat „mijn Heere en mijn God". Ja, dan leeft er ook in onze ziel iets van het lied van den dichter van den 118den Psalm: 
Gij zijt mijn God; U zal ik loven,
Verhoogen Uwe Majesteit;
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven,
U prijs ik tot in eeuwigheid.
V.                                                                                 J.
(Slot volgt).
*) Predikatie, uitgesproken in de Julianakerk te Veenendaal op Zondag 15 April er gelegenheid van de belijdenis des geloofs van vrouwelijke lidmaten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 april 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's