MEDITATIE
Mijn Heere en mijn God.
,,Mijn Heere en mijn God".Johannes 20: 28b
II.
»Mijn Heere en mijn God«. Hoe was Thomas tot deze belijdenis gekomen en hoe zijn wij er toe gekomen? Maar nu een derde vraag: Welke beteekenis heeft deze schoone belijdenis voor het leven van Thomas gehad? En dan blijkt deze belijdenis voor het leven van Thomas van de meest rijke beteekenis te zijn geweest.
Mijn Heere en mijn God. Het zijn maar weinige woorden, die we in deze belijdenis uit den mond van'Thomas vernomen hebben. Maar in weinig woorden kan dikwijls veel, heel veel worden gezegd. Neen, om ons geloof in den levenden Verlosser te belijden moeten we niet meenen dat we daarvoor veel woorden behoeven. Sommige menschen meenen dat wel. Zij meenen dan dat die menschen het beste geloof hebben die het best en het meest spreken kunnen, die kunnen verhalen van allerlei ontmoetingen die zij gehad en van allerlei ervaringen, die zij ondervonden hebben. Maar als we dien maatstaf aan de belijdens van Thomas aanleggen, dan zou zijn geloof veel te kort en zou zijn belijdenis veel te smal zijn geweest.
De belijdenis van Thomas heeft maar in enkele woorden bestaan, maar het waren woorden waarin een wereld van beteekenis lag. De belijdenis van Thomas was een belijdenis, zooals tot hiertoe nog door niemand der andere discipelen was afgelegd. En daar zien we dat „gelijk Thomas de stoutste was geweest in het ontkennen, dat hij zoo nu ook de stoutste was in het gelooven en in het belijden". Ja, dat Thomas die „het diepst in den kuil des ongeloofs had gelegen, er nu het verst boven verheven was".
Mijn Heere en mijn God. Neen, zóó ver was Petrus zelfs nog niet gekomen. Toen hem gevraagd was: wie zegt gij dat Ik ben, toen had hij het antwoord gegeven: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Maar dat Jezus niet alleen de Zoon van God was, maar Zelf ook God te prijzen tot in eeuwigheid, zeker, dat lag in de Petrus-belijdenis wel opgesloten, maar is door de Thomas-belijdenis voor het eerst uitgesproken.
Mijn Heere en mijn God. Nu lag in dien naam Heere de koninklijke glorie van Jezus. Toen Thomas den opgestanen Heiland een Heere noemde, zag hij dat het opschrift aan het kruis waar was geweest. Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. Ja, inderdaad, die gekruiste Jezus bleek een Koning te zijn, een Koning die al Zijne vijanden had overwonnen, die nu zelfs den dood had verslonden tot overwinning en het leven verworven had.
En niet alleen een Heere, een Koning, maar Thomas ziet in Jezus ook zijn Heere. En gij gevoelt wel in dat woordje „mijn" ligt de kracht van zijn belijdenis, want daarin ligt de overgave van zijn hart. Uit dat woordje „mijn" blijkt 't zoo duidelijk dat de bange nacht van twijfel voor Thomas voorbij is gegaan en dat 't nu klaarlichte dag is geworden. Gelijk het hem eerst onmogelijk geweest is om te gelooven, zoo is het hem nu onmogelijk om niet te gelooven.
Door dat mijn Heere heeft Thomas als 't ware willen zeggen: Heere, hoe is het toch mogelijk dat ik op Uw woord geen acht heb geslagen; hoe is het toch mogelijk dat ik zoolang ongeloovig kon zijn; hoe is het toch mogelijk dat ik mijn vensters zoolang gesloten kon houden; hoe is het toch mogelijk dat ik het al niet veeleer geloofd heb dat Gij mij met Uw bloed hebt gekocht, dat Gij mij uit alle geweld des duivels hebt verlost en ik nu door genade uw eigendom ben?
Mijn Heere, maar ook mijn God. En nu gevoelt ge wel hoe door dat „mijn God" het „mijn Heere" nog ongemeen wordt versterkt en buitengemeen wordt verrijkt. Immers dat Thomas een Heere, een Koning had, die tevens God was, die tevens zijn God was, dat was een bewijs dat die Koning was een almachtige Koning, een alwetende Koning, een getrouwe en onveranderlijke Koning, maar dan ook een Koning die waard was om boven allen en alles door Thomas geëerd, geliefd en geprezen te worden, een Koning Wiens Woord ook door Thomas moest worden verbreid en Wiens glorie ook door Thomas moest worden verkondigd.
Mijn Heere èn mijn God. Ja, Thomas had een Koning die almachtig was, maar zulk een Koning had Thomas ook juist noodig, want het was nu wel gebleken hoe zwak hij was in zichzelf.
Mijn Heere èn mijn God. Ja, Thomas had een Koning, die alwijs en alwetend was, maar zulk een Koning had Thomas ook weer juist noodig, want het was nu wel gebleken hoe dwaas hij was in zichzelf.
Mijn Heere èn mijn God. Ja, Thomas had een Koning, die getrouw was, maar zulk een Koning had Thomas ook weer juist noodig, want het was nu wel gebleken hoe ontrouw hij was in zichzelf.
Mijn Heere èn mijn God. En onder het vaandel van dien Koning heeft Thomas zich straks opgemaakt om te strijden den goeden strijd des geloofs. Onder 't vaandel van dien Koning heeft hij straks aangegord het zwaard des Geestes, hetwelk was Gods Woord; en dat Woord is ook Thomas gaan verkondigen en hij heeft het gezegd, allerwegen gezegd wat Jezus hem gezegd had: Zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben. Totdat ook voor Thomas de ure aanbrak, dat hij zijn geloof en zijn belijdenis met zijn leven bezegeld heeft. En toen — gij behoeft er niet aan te twijfelen — toen heeft ook Thomas met zijn geloofsoog op Jezus gezongen:
Want deze God is onze God.
Hij is ons deel, ons zalig lot,
Door tijd noch eeuwigheid te scheiden.
Ter dood toe zal Hij ons geleiden.
En thans mogen we ook van Thomas gelooven dat hij juicht op die plaats, waar hij niet meer gelooft, maar waar zijn geloof in aanschouwen is veranderd, en waar hij dus inderdaad ziet dat Jezus zijn Verlosser en dat God zijn Koning is.
Mijn Heere en mijn God. Die belijdenis is dus voor Thomas in leven en in sterven van rijke waardij en van onschatbare beteekenis geweest. Maar welke beteekenis heeft die belijdenis nu voor ons leven en zal zij eenmaal hebben als ook wij sterven gaan. Immers dat „mijn Heere en mijn God" hebben wij allen beleden. Neen, die belijdenis wordt straks niet alleen gedaan door deze zusters, die hier kwamen om als mondige lidmaten van de gemeente des Heeren bevestigd te worden. Maar die belijdenis hebt gij ook gedaan, heb ik ook gedaan, hebben wij allen gedaan, hebben zelfs diegenen gedaan, die nog nooit tot belijdenis des geloofs zijn gekomen, omdat zij nog allerlei voorwaarden hebben, waaraan de Heere eerst moest voldoen. Of behooren ook zij niet door hun Doop tot de gemeente, tot de belijdende gemeente, tot een Kerk die het „mijn Heere en mijn God" in haar banier heeft geschreven? Belijdeti zij dus als zoodanig niet, zij het ook onbewust, dat Jezus hun Heere, hun almachtige, hun alwetende, hun onveranderlijke Koning is?
O, ik weet wel, daar zijn er zoovelen die dat niet begrijpen, die dat niet doorzien en verstaan. Omdat de sleutel der kennis vooral ten opzichte van het verbond der genade in onze kringen zoek is geraakt, daarom zijn er zoovelen die meenen dat die belijdenis van Thomas hen niet raakt en niet aangaat en dat zij eigenlijk doen en leven kunnen alsof dat Woord voor hen niet geschreven staat.
O, dat zij dan bedenken dat dit een miskennen is van de Waarheid, waaronder zij van jongsaf hebben geleefd en waarin zij van kindsbeen onderwezen zijn. Nog eens: wij behooren allen tot een gemeente, tot een Kerk, die de Thomas-belijdenis in haar vaandel heeft staan. En wij stellen er prijs op en wij stellen er een eere in dat onze Hervormde Kerk, niettegenstaande al de gebreken die haar aankleven, de belijdenis, dat Jezus haar Heere en dat Christus haar God is, nog nimmer geschrapt, maar nog altoos gehandhaafd heeft. En nu heeft niet één mondig of onmondig lid van onze Kerk het recht om te zeggen: die belijdenis gaat mij niet aan, dat is een belijdenis waar ik nog niet aan toe ben, dat is een belijdenis die nog ver boven mij of misschien ook die reeds ver onder mij staat.
Integendeel: wat beteekent die belijdenis voor ons leven? Dat is een vraag, die voor ons aller conscientie moet neergelegd worden. En dan is het schrikkelijk als die belijdenis voor ons nog geen, of liever, wanneer zij voor ons alléén negatieve beteekenis heeft. Dan is het schrikkelijk als dat „mijn Heere en mijn God" van Thomas ons nog veroordeelt, omdat wij misschien wel weten dat Hij een Heere, en wel weten dat Hij God is, maar omdat dat woordeke „mijn" Thomas nog niet kan nagezegd worden. O, laten we dan bedenken dat ons ongeloof daar de oorzaak van is. Immers hoe dikwijls heeft Jezus zich door de bediening van Zijn Woord het ook ons reeds toegeroepen: Ik ben de Eerste en de Laatste en die leef en Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Ja, het evangelie van Gods genade wordt ons verkondigd, wordt ons telkens weer bij vernieuwing verkondigd. O, dat het eens weerklank mocht vinden in ons aller hart; dat we dus al onze voorwaarden, dat we al onze indien dit's, en indien dat's eens mochten verliezen en dat wij ons eens met een kinderlijk geloof aan de voeten des Heeren mochten nederwerpen, zeggende: ik geloof, Heere, kom mijn ongeloovigheid te hulp.
Immers als dat waarlijk het geval mag zijn, en we met ons hart mogen gelooven dat God Jezus uit de dooden heeft opgewekt, dan is de belijdenis van Thomas, zij het misschien ook stamelend, toch de onze geworden. Want dan is het: met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.
Ja, dan blijkt die belijdenis van Thomas ook voor ons leven van de allerrijkste en allergrootste beteekenis te zijn. Dan ligt in de eerste plaats in dat „mijn Heere en mijn God" ook voor ons een onschatbare troost. Maar dan ligt in de tweede plaats in diezelfde belijdenis ook voor ons een heilige roeping.
Een onschatbare troost. Of is het temidden van al de moeiten en smarten des levens niet een rijke troost dat wij dan een Koning en een God hebben die almachtig is, veel machtiger dus dan alle vijanden die het op ons verderf hebben toegelegd? dat wij dan een Koning en een God hebben die alwetend is, die het dus veel beter weet wat noodig en goed voor ons is dan wij het zelve weten?
Dat wij dan een Koning en een God hebben die onveranderlijk is, Wiens trouw dus zelfs ook door onze ontrouw niet te niet wordt gedaan?
Maar dan ook een heilige roeping. Immers als wij het door genade gelooven mogen dat onze Koning van Israels God gegeven is, dan zal het ons ook een eere zijn om in de slagorde van den levenden God te strijden den goeden strijd des geloofs. Dan zullen we ook begeeren om anderen te verkondigen wat wij zelf met onze geestelijke oogen van het Woord des levens hebben gezien, wat wij zelf met onze geestelijke ooren van het Woord des levens hebben gehoord, wat wij zelf met de hand des geloofs van dat Woord des levens hebben getast. En dan zullen wij geloovende in Hem, denwelken wij niet gezien hebben, ons ook in Hem verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.
En straks zullen we verkrijgen het einde van ons geloof namelijk de zaligheid onzer ziel. O, wat een heerlijke vreugde zal dat wezen als wij niet meer zullen zien door een spiegel als in een duistere rede, maar als wij zien zullen van aangezicht tot aangezicht, als wij Hem zien zullen zooals Hij is; en als dus vervuld zal worden dat zalig verlangen dat de dichter van Psalm 17 aldus heeft vertolkt:
Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt)
Ik zal, ontwaakt. Uw lof ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen.
Verzadigd met Uw godd'lijk beeld.
Amen.
V. J.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 april 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's