De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Armoede, krankheid, droefheid

9 minuten leestijd

»Dit zegt de Eerste en de Laatste, die dood geweest is en weer levend geworden is; Ik weet uwe werken, en verdrukking en armoede (doch gij zijt rijk)« Openb. 2 vers 8, 9.

1 Mei is weer gepasseerd. De S.D.A.P. heeft haar jaarlijksche lied met het eentonig klinkend refrein weer luide uitgezongen. En het is den volke verkondigd, dat wij als hoofdzaak van ons leven het „brood en spelen", naar het recept der oude Romeinen, maar moeten zoeken. Hebt te eten, en ziet dat gij er vroolijk bij leven kunt.
Gelukkig heeft ons Christendom ons wat anders geleerd. En na Paschen, als wij de Paaschzon hebben zien herrijzen, in haar licht ons hebben gekoesterd en in haren zegen ons hebben verblijd, dan houden wij der wereld een ander ideaal voor dan op den Mei-dag, met zijn organisatie en betoogen ons wordt ten gehoore gebracht. Inplaats van het onbekommerde leven in den tijd, waarbij het altijd alleen gaat om positie en conditie, lotsverbetering en meer verdienste, (gezwegen nog van het revolutionaire element, dat bij die propaganda naar voren komt) is het ons te doen om de verbreiding van hoogere beginselen, de uitdeeling van superieure gaven, het uitreiken van troost aan waarlijk bedrukten en vertroosting aan „door onweder voortgedrevenen".
Niet alsof 't tijdelijke leven voor ons een onverschillige zaak is, maar omdat wij roemen in hooger beginsel en het hebben leeren gelooven dat het geen mensch iets zal baten, als hij de geheele wereld won, doch schade leed aan zijn onsterfelijke, voor de eeuwigheid geschapen ziel.
Ik spreek u, in tegenstelling van het genoemde, over:
1°. de ware armoede;
2°. de ware krankheid;
3°. de ware droefheid.
Johannes is aan het woord. Dat is de Boanerges, zone des donders. En dat typeert en karakteriseert. Dat zat er nog zoo in; al is op zijn leeftijd zijn kracht gebroken, zijn geest zat er in, levendig, machtig. Johannes, die wel „balling" is, maar toch weet wat er op de wereld gebeurt, aan wien de bolwerken Satans niet onbekend zijn en wiens aanvallen nog geweldig zijn. Johannes, de jonger van Jezus, aan wiens ziel de Apocalyps is geopenbaard en geheiligd, met haar wijde strekking, die reikt tot over dood en graf.
En zoo weet hij van het sociale en het geestelijke, het tijdelijke en het eeuwige, het materieele en het spiritueele te spreken.
Hij spreekt tot Smyrna, een van de zeven gemeenten in Klein-Azië, een voorname plaats, maar met een kleine Christengemeente, in het midden van al 't mondaine en grootsche, maar een poovere verschijning, een gemeente onder het Kruis, arm, verdrukt, in lijden.
Maar God kent ze. „Ik weet uwe werken en armoede (doch gij zijt rijk), en verdrukking en de lastering".
Tegenwoordig hooren wij aan alle zijden die prediking weer van armoede en verdrukking. Maar één ding wordt vergeten, wat Johannes niet vergat: „doch gij zijt rijk". En als wij geen ware geloovigen zijn, dan deelen wij ook in die ellende (gelijk wij met toestemming luisteren naar het woord dier prediking aan de wereld) maar dan missen wij den rijkdom van God.
Arm en toch rijk te zijn, dat is het geheim van den waren Christen. Met Psalm 40 te durven zeggen: „Ik ben wel arm en ellendig, maar de Heere denkt aan mij", en Jezus' woord te verstaan: „Zalig zijn de armen van geest, want hunlieder is het Koninkrijk der hemelen".
O, die Paschen vierde, waarlijk, met zijn ziel meevierde, die heeft gedeeld in den rijkdom van den Opgestane, en leerde verstaan rijk in God te zijn, daarom rijk in bezit, rijk in erfenis, rijk in verwachting.
Ach, in onze dagen, als toen (denk aan Montanisten en dgl.), zijn er die het zoeken in een „hemel op aarde" en hier beneden de verwerkelijking van een verkeerd ideaal. Zij zijn abuis, 't is hier ellende, armoede, verdrukking, altijd weer; 't zal nooit anders worden, maar hoe ellendig naar de wereld, er is een schat, voor geen duizenden op aarde te koop, die blijft, die troost, die sterkt, die wijst op een eeuwig bezit; er is een werkelijke waarde en een blijvende zegening.
Op één voorwaarde, alleen voor het geloof, de eerste vrucht van de wedergeboorte. Comrie heeft gezegd: „dat geloof omvat Christus en al Zijne weldaden". Zoo is het. Die waarlijk gelooft heeft den rijkdom, zingt: „o sterveling, ik heb een schat", en predikt: Zoek geestelijke beweldadiging, want al het aardsche gaat voorbij en teloor, maar wat waarlijk rijk maakt, blijft; onverwelkelijk, onverderfelijk, als een schat in den hemel bewaard, als een kapitaal, waarvan elke christen geniet de rente, volop, levenslang.
Maar Johannes wijst zijn Smyrnasche Kruisgemeente niet alleen op haar armoede en haar rijkdom; ook op haar krankheid en welstand. 't Zou er wel van komen, had Johannes geprofeteerd, en 't is er ook van gekomen, de geschiedenis heeft het bewezen. Verdrukking gaat over in verwoesting; dat is zoo 't gewone verloop.
In ons vaderland hebben we het opperbewind van het liberalisme gehad, 't ging voorbij, maar 't socialisme volgde, en straks staan communisme en bolsjewisme voor de deur.
Hoe dat komt?
De menschen hebben geen geduld om de gezonde ontwikkeling van maatschappelijke toestanden af te wachten, naar het Woord, in echt-Christelijken geest. 't Moet er dadelijk zijn! Desnoods met geweld, zwaard en revolver moet het er komen. Zie 't aan Smyrna's genabuurde Kerk. In Pergamum zijn ze een stap verder. Daar werd Antipas al 't slachtoffer, „gevangen en gedood". Zoo gaat het. Het socialisme wijst op aardsche armoede en rijkdom, op ziekteprocessen en operatieve behandeling.
Het communisme wil de operatie dadelijk: 't mes er maar in, de kanker moet uitgesneden. En zij hebben een god ervoor aangebeden, als in Pergamum, Asklepius, „de dokter met de slang", daarom „troon des Satans" geheeten. En van hem verwachten zij heil, beterschap en toekomstige genezing.
Maar wat vergeten zij?
Dat er achter dat ziekteproces van de kranke maatschappij zit een zonde-proces van ons eigen booze hart. Daarom is hun aangeboden genezing slechts schijn, hun aangepreekte beterschap slechts zelfbedrog en menschenverleiding.
En wat is nu de heerlijkheid van het Christendom, van Gods Woord en de heilsprediking? Dat er voor de krankheid der maatschappij en de doodskrankheid van uwe ziel, tegenover het altaar van Aeskulapius, den wereldredder, een troon is van den Soter, den Redder en Geneesmeester, Christus, die „dood geweest is en weer levend geworden is", die verzoening en vergeving heeft aangebracht. Zoo komt het op de kennis van de ware krankheid eerst aan. Eenmaal zal niemand zeggen: „ik ben ziek, want dat volk zal vergeving van zonden hebben", maar hier zijn ze allemaal ziek, en gelukkig de ziel, die het verstaat, behoefte heeft aan genezing en .de toevlucht heeft genomen tot den eenigen Geneesmeester.
Zalig zijn de gebrokenen van hart, zegt de Schrift.
O, welk een verschil: het socialisme predikt tijdelijke genezing, het Christendom tijdelijke èn geestelijke. Het eerste geeft uitstel van executie, het tweede absolute beterschap in allen nood van het ondermaansche bestaan.
Er is tweeërlei Soter, Redder; de onze behoudt voor tijd en eeuwigheid.
Tweeërlei Koning, de eerste daar, waar „de troon des Satans" is, de tweede heeft den troon des heelals en leeft eeuwiglijk. Voor Wiên buigt gij, op wien hoopt gij, in wien gelooft gij?
Nog ééne gedachte, armoede en rijkdom, kankheid en genezing, ook droefheid en vreugde.
Ik zeide al, de wereld vraagt ook om genot. Gij hoort het vaak: geef dat volk ook wat, een optocht, wat vermaak, een bioscoop, enz. „Schep vreugde in 't leven"!, met een vroolijk lied om wat op te beuren, wat muziek om de lijdende menschheid wat op te vroolijken.
Mag ik er wat anders tegenover stellen? De Openbaringen spreken vaak van „olie en wijn". Dat beteekent „den Geest van Christus bij het bloed van den Middelaar". Ik behoef het u niet verder aan te duiden. Met die gaven van Christus toebedeeld en verrijkt, kunt gij wel zingen met Psalm 4: „Gij hebt meer vreugde in mijn hart gegeven, dan toen koren en most vermenigvuldigd werden".
Daar is ook een geestelijke vreugde bij al de droefheid van het tijdelijke leven. Over Gods beloften, die in Christus ja en amen zijn, over Gods trouw, die eeuwig en altoos over Zijn volk is, over dat rijke offer op Golgotha volbracht, over dien levenden Heiland, die wederkeert tot de Zijnen, met Zijn vredegroet en gaven, over al de schatten des hemels, voor al Zijne kinderen, voor deze en gene zijde van het sombere graf. Een vreugde, die de wereld niet kent noch verstaat, maar die het deel is van Gods ware kinderen, en die daarom „welgelukzalig" genoemd worden, omdat hun God de Heere is. (Psalm 144). Zoo komt er in alle droefheid verheuging, en verheugd in God schrijden zij voorwaarts, wetende: de hoogste blijdschap wacht.
Kan deze brief aan Smyrna daarom eindigen met een bemoedigende opwekking: „Vrees geen der dingen, die gij lijden zult". Ach, er is zooveel oorzaak om te vreezen, ziende op de wereld, op eigen hart, op de ontmoeting van een rechtvaardig Rechter.
Hoe kan het ons benauwen! Wat geeft het vaak vreeze des doods! Maar machtiger dan alle benauwers is Hij, die in „alle benauwdheid benauwd" geweest is, maar „uit alle vreeze gered" heeft en nu verheerlijkt, aan 's Vaders rechterhand, vreugde geeft, die het hart waarlijk vervult. In die wetenschap geeft Johannes zijn Smyrna-gemeente zijn laatste opwekking:  „Wees getrouw tot in den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens".
Dat is levenstaak en roeping beide. Een prediking voor de jongeren, speciaal in onze dagen. Een belijdeniswoord, een Paaschwoord, een levenswoord, ook een stervenswoord.
O, weest gewaarschuwd, een kerkelijke nauwgezetheid en uitwendige vroomheid baat voor de eeuwigheid niet, het zwaard van den dood en van het gericht hangt boven uw hoofd, ontvliedt nog heden den toekomenden toorn Gods en doe de rechte keuze. „Wie ooren heeft, hoore wat de Geest tot de gemeente zegt".
En behoort gij tot de Kruisgemeente, die in armoede, in krankheid en droefheid haar weg moet gaan door dit leven. God vergaart de tranen Zijner verdrukten in Zijne flesschen; alle zijn ze geteld, door Zijn zalige liefdehand worden ze gedroogd en na lijden geeft de Heere Zijn verblijden en ongedachte uitkomsten tot vreugde des harten.
„De Openbaringen", zegt men, „zijn in stilte geboren". Dat is waar van 't laatste bijbelboek, maar ook van alle openbaring, waarmede de Heere de ziel Zijner kinderen verrast, verrijkt en verblijdt. Het is altijd „persoonlijk onderricht" en het maakt den schat van zegeningen zoo rijk in dit leven, ter voorbereiding voor de eeuwigheid.
Zoo liggen „kruis en kroon" altijd dicht bij elkaar, en wordt de Kruisgemeente eenmaal de gekroonde. In die blijde verwachting leeft Gods kind altijd bij de schatten. God Zelf is het, die „al de schatkameren zal vervullen", opdat zij boven de wereld met haar zelfbedrog, ook hier gelukkig, dankbaar en gezegend zouden roemen in Christus, die ook voor hen geworden is „de Opstanding en het Leven".
L.                                                                                            G.H. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's