De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De splijtzwam der afscheiding en de  toenemende onkerkelijkheid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De splijtzwam der afscheiding en de toenemende onkerkelijkheid.

9 minuten leestijd

Ons volk heeft altijd de neigingen van een sectarischen geest vertoond. Zulk een wonderlijk religieus stelsel kon niet door een of anderen avonturier werden uitgedacht, of er liepen er altijd weer honderden voor warm, meenende den steen der wijzen te hebben gevonden. Het is bedroevend als men nagaat hoevele secten ook ons land al hebben overstroomd om ons volk af te leiden van de beproefde paden onzer Vaderen. Toch is dit nog het ergste niet.
Het is u misschien bekend, hoe het in den grooten wereldoorlog gebeurd is, dat twee Engelsche schepen in het holst van den nacht met elkander aan het strijden waren op de Noordzee. Het was stikdonker en de bevelhebbers hadden de herkenningssignalen niet begrepen. Zeker zouden ze elkaar in den grond hebben geboord, als niet de morgen spoedig was aangebroken. Wie zal beschrijven de verbazing en den schrik, toen de kapiteins bemerkten, dat in dien nacht schepen van hetzelfde land ten bloede toe met elkander hadden gestreden.
Zoo moet het ook smarten, als we zien op de schrikkelijke verdeeldheid van allen, die nog staan op den bodem der belijdenis. Als ze allen eens één waren, zouden ze toch nog maar een betrekkelijk klein percentage vormen van de bevolking van ons land, maar nu is het te begrijpen, dat men in het kamp van degenen, die van onze belijdenis niet willen weten, zich niet al te ongerust maakt over ons, ziende op de jammerlijke verdeeldheid der Gereformeerde belijders.
Het naaste aan het hart liggen mij natuurlijk de nog overgeblevene Gereformeerde belijders, die naast de belijdenis, ook de erve onzer Vaderen, hoe diep ook gevallen, nog liefhebben. Dan denken we aan de Gereformeerde Kerken der Afscheiding, die door een uit haar midden uitgetreden groep worden beschuldigd van intellectualisme. De mannen uit de Hersteld Gereformeerde Kerken wenschen te protesteeren tegen dogmatische verstarring en versteening der Gereformeerde Kerken. Aan de andere zijde staan weer de Christelijk Ge­reformeerden, de nazaten van hen, die zich nooit met de vereeniging van de afscheidingen van '34 en '86 hebben kunnen verzoenen. Zij richten hunne krasse betoogingen tegen allerlei Kuyperiaansche nieuwigheden en slingeren den Gereformeerden Kerken de beschuldiging naar 't hoofd, dat men eigenlijk heelemaal niet meer Gereformeerd is. Men spreekt van neo-Gereformeerd en neo-Calvinisme.
Nu zoudt ge misschien meenen, dat men dan toch met de Christelijk Gereformeerden het laatste station wel zou bereikt hebben.

Volstrekt niet! We hebben nog verschillende Vrije Gemeenten, die naar voren treden met de pretentie, dat men toch eigenlijk nergens zoo zuiver in de leer gebleven is als in hunne kringen. Door het uitdragen der beginselen zijn deze groepen nooit zoozeer in getal toegenomen. Den laatsten tijd nemen ze echter wel eenigszins aan invloed toe nu men het politieke paard voor den kerkelijken wagen heeft gespannen. Tengevolge van den politieken invloed was het kerkelijk besef in sommige Hervormde gemeenten reeds zoo ondermijnd, dat men er geen bezwaar in zag om op den kansel predikers uit de Gereformeerde Gemeenten toe te laten. Denk maar aan Sint Maartensdijk, op het eiland Tholen. Ook de Christelijk Gereformeerde Kerk moest dit ondervinden. Voor den buitenstaander is er geen andere verklaring te vinden voor de uittreding van ds. Barth uit het Christelijk Gereformeerd Kerkverband, dan zijn behooren tot het driemanschap: ds. Zandt, ds. Kersten, ds. Barth.
Nu zijn we er echter nog niet. Ook in die Gereformeerde Gemeenten worstelen er weer twee stroomingen tegen elkander. Er zijn er, die heelemaal niet te spreken zijn over het feit, dat sommige hunner voormannen hun herderlijk werk gedeeltelijk hebben vaarwel gezegd, om zich aan de politiek te wijden. Van een Hoogeschool, gelijk die ook door ds. Kersten is opgericht, wil men niet weten. Van een uitdragen der beginselen op alle terrein des levens wil men evenmin weten. Zonder het te weten, is men in de Doopersche lijn vervallen.
Men wil predikers van achter den ploeg, zoo moet het nu heeten. Vandaar dan ook, dat er gedurig mannen van „singuliere gaven" verschijnen, die in de een of andere zaal of schuur gedurende een aantal maanden weer eenige honderden malcontenten weten te voeden met de „dierbaarheden van de tale Kanaans". Wet duurt echter gewoonlijk niet lang. Degenen, die 's mans ongekuiste, om niet te zeggen banale wijze van prediken, het meeste toejuichen, zijn ook gewoonlijk de eersten weer om hem er uit te werken. Dan weer maar een nieuw Comité opgericht om andere sprekers te laten optreden. Sprekers, waarbij al de vorigen in de schaduw moesten treden. Arme zoodanige voorgangers, die door allerlei nieuwigheden en banaliteiten de menschen moeten trachten te trekken. En de zegen, die er op rust, is menigmaal omgekeerd evenredig aan den roep die er van uitgaat. Hoort men, dat er menschen worden bekeerd? Een der voorgangers uit de Vrije Gemeente verklaarde dan ook op de vraag of er nog al zegen op zijn werk rustte: Dat kan ik helaas niet zeggen, maar ik gevoel, dat mijn bediening staat in 't teeken van de aankondigmg van gericht en verdoemenis.
Treffend is het, dat juist vele eenvoudige zielen, die zich naar die samenkomsten begeven, het licht over hunne ziel hebben zien opgaan in die gesmade Hervormde Kerk.
Nu moeten we echter één ding tot onze groote droefheid opmerken. Men heeft wel eens gezegd, dat de secten de onbetaalde rekeningen van de Kerk zijn. Zouden we dat helaas niet moeten laten gelden ook met betrekking tot het punt, waarover we handelen? Het is te begrijpen, dat menige eenvoudige ziel, die des Zondags in het bedehuis altijd maar verkeert onder een dorre prediking (laat staan dat ze zuiver is) eenmaal in bedoelde kringen verzeild geraakt, „smult" van de kostelijke bevindelijke waarheden, die daar worden opgedischt. Doordat men meestal niet genoeg dogmatisch doorlegd is, weet men niet de ware bevinding, die rust op de werking van Gods Woord en Geest, van een vroom bevindelijk praatje te onderscheiden. Men begint dan helaas ook te „smullen" van een bevindelijke prediking, die niet meer opkomt uit het getuigenis van des Heeren Woord zelf. Niet dan tot groote schade van eigen zieleleven en afstomping van alle kerkelijk besef.
Vandaar, dat er in sommige deelen van ons Vaderland reeds velen zijn, die nergens meer kerken, zooals het heet, dan alleen bij uitzondering bij een enkelen oefenaar, die in een bijzonderen reuk van heiligheid staat.
Schrijver dezes vroeg eens aan een zoodanige, wat hij er van zou denken als eens enkel zonen van predikanten tot 't predikambt werden toegelaten met uitsluiting van alle anderen. Toen luidde het antwoord: Dat zou ik goddeloos vinden. Toen was echter mijn wedervraag: En hoe vindt ge het, als de Heere Zelf den stam van Levi in de geslachten roept tot den tempeldienst? Daarop kreeg ik natuurlijk geen antwoord, of hij zou in dezelfde lijn dit werk des Heeren ook goddeloos hebben moeten noemen. Zulke menschen hebben geen oog voor de verwezenlijking van Gods Raad in alles. Zij verwonderen er zich over, dat de Heere zich heeft laten besnijden in den tempel. Het bedroeft hen eigenlijk, als ze lezen, dat de vrome Simeon nog niet met dien tempel gebroken had, waarvan Jezus zei dat het een moordenaarskuil was. Men kan het niet begrijpen dat de Heere als naar gewoonte nog naar zulk een huis ging, hetwelk niet waard was om een huis des gebeds genaamd te worden.
Ook in het Oude Testament wil men van geen schisma weten. De overige stammen waren er onmiddellijk bij om Ruben, Gad en den halven stam van Manasse tot verantwoording te roepen over den bouw van een altaar ten Westen van de Jordaan. En zeg nu niet, dat Israël een Theocratie was en dat alle beroep op Israël hier niet op zijn plaats is. Ik geef u gaarne toe de eigenaardige plaats, die Israël heeft ingenomen als volk, hetwelk de bijzondere Godsopenbaring in de wereld zou uitdragen, maar geef toch geen oogenblik gewonnen dat men zich niet zou mogen beroepen op mannen als Ezra en Daniël en anderen, de toch in tijden van diep verval hun heil niet hebben gezocht in afzondering met loslating van het geheel, maar die vooraan in de rij der bidders zich hebben verootmoedigd, in belijdenis van zonde en schuld, den Heere smeekend, dat Hij zoude wederkeeren.
Helaas, velen gevoelen van de geweldige breuke niets. De één vloeit door in vorm zonder op het wezen acht te geven en anderen bekommeren zich om de vormen, niet, als het wezen maar gekend wordt. We erkennen, dat het wezen tenslotte, 't hoogste is, maar helaas, er zijn er ook velen, bij wie de vorm van nul en geenerlei waarde is, maar die ook het wezen missen. In schijn ootmoedig, maar inderdaad hoogmoedig. Ze spreken veel over ootmoed, doch streven om paus te worden. Wie niet voor hen bukt, wordt uitgeworpen. Ze leiden een dor leven, terwijl het in hun gezin vaak treurig gesteld is. Ze zegenen zichzelf en slaan anderen van Gods kinderen, die niet voor hunne grootheid bukken. Ze hebben vaak een donker ziekbed en sterven een benauwden dood of de Heere werpt hen op hun ziekbed nog van hun voetstuk.
De laatste honderd jaar kwamen we verder van het heilige doel dan ooit! O, wat sloeg de duivel een grooten slag, toen hij het arme volk van God verdeelde. De hemelsche Hoogepriester bad om de eenheid van Zijne kinderen, maar helaas, zij zoeken de tweedracht.
Ik denk aan die aangrijpende vergelijking, die ik eens hoorde in mijn jeugd. Een schoone laan, met hooge woudreuzen, was geveld. Het ging den bewoners aan 't hart. Eén was er, die hen troostte met de woorden: Treur maar niet, over enkele jaren hebt ge weer een mooi kreupelbosch. Ja, met recht een kreupelbosch.
Voor die ééne groote, machtige erve onzer Vaderen trad in de plaats een kreupelbosch van allerlei Kerken. En overal roept men: „des Heeren tempel is deze". Eén ding mag nu toch wel zoo langzamerhand tot een ieder doordringen: dat de afscheidingen de ellende hebben vermeerderd. En de splijtzwammen tieren welig voort. Nog is het einde niet.
Wie brengt Gods kinderen nog als een eenheid samen op de knieën in belijdenis van zonde en schuld? 
Dat kunt Gij, o Heere, alleen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De splijtzwam der afscheiding en de  toenemende onkerkelijkheid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's