De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN.

10 minuten leestijd

Postgiro 138421.
Wie wel eens gecollecteerd heeft voor eenige zaak in Gods Koninkrijk, weet dat er drie soorten van menschen zijn.
Er zijn menschen die „altijd thuis" zijn. D.w.z. als gij bij hen aan de bel hebt getrokken, dan weet ge al: hier komt 't wel goed; als ik hier het doel waarvoor ik kom maar even uiteengezet heb, dan gaat de beurs open en dan geven zij naar dat hun vermogen is met een blijmoedig hart.
Er zijn ook menschen die „nooit thuis" zijn. D.w.z. als gij bij hen voor de deur staat, dan weet ge 't al: hier zal het wel weer wezen: „pas hiervoor gegeven of pas daarvoor gegeven", of „als dit nu maar eens zus was of als dat nu maar eens zoo was", of „daar is tegenwoordig zooveel te doen" ; hier zal ik dus wel weer moeten praten als Brugman en als zij dan even kunnen of durven dan word ik met een dubbele niks en anders met een „Jodenfooi" de deur uitgezet.
Maar daar is ook nog een derde soort menschen en van hen weet ge eigenlijk van te voren nooit of zij „thuis" zijn of niet. Als gij bij hen aanklopt, dan zet ge altijd een groot vraagteeken. Hoe zal het gaan? Welke bui zullen zij hebben? hoe zal de barometer staan vandaag? En dan soms valt het tegen, maar soms valt het ook mee. Soms denk je, weer op de stoep staande, dan wel eens: „hè, wat 'n krent", maar soms denk je, weer buiten gekomen, ook wel eens: „die is nog zoo kwaad niet als hij wel lijkt".

Drie soorten van menschen! Nu had ik vroeger altijd gedacht dat er in Utrecht alléén maar menschen woonden van de eerste soort. Ik meende altijd: daar in het centrum des lands komen ze met zooveel menschen in aanraking, daar vergaderen zooveel vereenigingen, waaronder ook onze Bond, zoodat zij daar vanzelf weten wat er voor de dingen van Gods Koninkrijk noodig is, dus daar zijn zij „altijd thuis". Daarom had ik, toen ik hoorde dat men daar Paaschgaven zou gaan verzamelen, ook al tegen den zetter gezegd: zoek de vette letters maar vast op. Maar toen zij zoolang wegbleven, werd ik wat ongerust. Toen dacht ik: ik moet toch eens even kijken, hoe het in vorige jaren ging. Ik sloeg dus de oude boeken van mijn voorganger eens na en o wee, wat werd ik toen ontnuchterd. Inplaats van „altijd thuis" waren ze met de Paaschcollecte nog „nooit thuis" geweest. Nu ja, wel eens een giftje van een rijksdaalder of vijf, hoogstens tien gulden, maar een inzameling bleek er nog nooit gehouden en van vette letters was heelemaal nog nooit sprake geweest. Ik dacht: zou Utrecht nu werkelijk tot de tweede, inplaats van tot de eerste soort willen behooren? Neen, dat wou er bij mij toch nog niet in. Daarom dacht ik: laat ik ze voorloopig nog maar bij de 3de soort rekenen. Ik zette dus achter Utrecht een vraagteeken, een heel groot vraagteeken! Maar wat zouden zij nu doen? Tegenvallen of meevallen? Enkele dagen leefde ik in een pijnlijke onzekerheid, maar eindelijk kwam mijn vriend Brinkers mij daaruit verlossen. En als zij nu tegengevallen waren, ach, dan zou ik hun schande op de straten van Askelon niet geboodschapt hebben. Dan zou ik niet anders gezet hebben dan: „uit Utrecht zooveel". Maar nu zijn zij meegevallen, heel erg meegevallen, en daarom moeten zij nu een — niet al te groot, maar toch een — pluimpje op hun hoed hebben. Door de goede zorgen van vriend Brinkers en enkele andere vrienden, die hem trouw terzijde stonden, werd aan Paaschgaven een bedrag verzameld van
HONDERD TWEE EN ZEVENTIG GULDEN, ACHT EN TACHTIG CENT (ƒ 172.88).
Dat is, in aanmerking genomen dat het eigenlijk de eerste Paaschcollecte uit Utrecht is, een schitterend bedrag, vooral als ge bedenkt dat daarbij de verzeke­ring werd gegeven dat deze eerste inzameling niet de laatste zou zijn. En nu is Utrecht het natuurlijk aan zijn eigen eer verplicht dat het daarbij steeds Excelsior wezen zal. We schrijven dus op de vette letters een abonnement meer in.
Eerlijkheidshalve moeten we ook in het oog houden dat het in onze steden vaak heel wat moeilijker is om Paaschgaven te verzamelen dan op onze dorpen. Immers als er in de kerk gecollecteerd wordt dan doet ieder als vanzelf mee; dan is ieder het als 't ware aan zijn fatsoen verplicht om toch ook althans iets te geven. Maar in de steden, waar men op 't terrein van Bondscollecten in de kerken nog wat „achterlijk" is, gaat dat heel anders. Ach, als de menschen huis aan huis bezocht moeten worden of zij moeten hun gaven zelf ergens brengen, dan weet ge wel hoe het in den regel gaat. Dan brengen vele van onze menschen in den regel hun belijdenis wel in toepassing dat zij van nature „onbekwaam zijn tot eenig goed".
Daarom stellen wij het echter te meer op prijs als er ook in onze steden mannen gevonden worden die toch ook in deze dingen het goede begeeren te zoeken, mannen die er zich voorspannen om den collecte-wagen aan het rollen te brengen.
Niet alleen in U t r e c h t, maar ook in L e i d e n  is dat het geval. Daar zijn blijkbaar op initiatief van ds. Beekenkamp, die gelukkig in beterschap toeneemt, ook enkele vrienden aan het werk geweest. En ook al hebben zij het niet dadelijk gebracht tot de groote letters van Utrecht, toch is het mij aangenaam te kunnen meedeelen dat ook uit Leiden mij door ds. B. een bedrag aan Paaschgaven werd toegezonden van ƒ 75.—. En nu van L e i d e n gaan we naar
D o r d r e c h t. Daar schijnt nog wel geen inzameling gehouden te zijn, maar toch was er iemand die onder de letters K.W. mij vandaar een Paaschgift van ƒ 2.50 zond. Misschien wel een prikkel, dat ook in Dordrecht de hand wat meer aan den financieelen ploeg geslagen zal worden. Verder heb ik nog twee Paaschcollecten. Eén uit
E n t e r, afgezonden door ouderling Ter Maat, een bedrag van ƒ 40.76, en één uit
H o e v e l a k e n, afgezonderd door ds. v. Boven een bedrag van ƒ 46.—.
Ook ontving ik vanmorgen uit  Z e i s t  nog een bedrag van ds. Dartlema van ƒ 16.25. Wel had men in Zeist, schreef ds. B. geen collecte kunnen houden — een inzameling ook niet? — maar daar was een zuster der gemeente geweest die toch ƒ 1.25 daarvoor had beschikt en ds. B. had van een broeder een gift van ƒ 15.— ontvangen, die hij er ook voor bestemde. Ik ben er natuurlijk erg dankbaar voor, maar of ik met een bedrag van ƒ 16.25 uit Zeist voldaan ben? Nu ja, laat Zeist dat zelf maar beslissen. En dan kwam er ook nog een brief uit
Z w ij n d r e c h t  met het bericht, dat men had afgezonden een Paaschcollecte van ƒ 33.57; 3 contributies van ƒ 1.— van 3 leden aldaar; benevens ƒ 2.50 van een echtpaar, dat Zondagavond mijn radiopreek had beluisterd en daardoor zeer verkwikt was geworden; tezamen dus een bedrag van ƒ 39.07. Daar in Zwijndrecht schijnt de kerkelijke toestand ook nog niet bepaald wat men wel eens „je" noemt, te zijn. We hopen dat onze broeders aldaar eenerzijds met beslistheid, maar anderzijds toch ook met voorzichtigheid hun weg zullen gaan en dat het hun op deze wijze onder den zegen des Heeren zal gelukken den wagen weer in 't rechte spoor te krijgen.
En nu zijt ge zeker aan 't eind, zegt ge misschien. Ja, voor deze week met mijn Paaschgaven wel. De ƒ 3.— contributies niet meegerekend, vormen zij een bedrag van ƒ 392.46. Dus voor 't derde schip van de zilveren vloot nog zoo heel onbelangrijk niet.
Maar daar kwamen nog andere schepen ook binnen. En nog al liefst twee met de vette letters aan boord. Zoo ontving ik uit
N ij k e r k  o.d.  V e l u w e van ds. Van der Graaf aldaar een bedrag van
HONDERD ZES EN VEERTIG GULDEN (ƒ 146.—) zijnde een collecte bij zijn bevestiging en intree te Nijkerk op Zondag 22 April; en uit
D i r k s l a n d van ds. C. van der Wal aldaar een bedrag van
HONDERD VIJF GULDEN ZEVEN EN DERTIG CENT (ƒ 105.37), zijnde een collecte bij zijn bevestiging en intree in die gemeente op denzelfden Zondag.
Dat zijn dus weer twee dankoffers uit gemeenten die een nieuwen leeraar ontvingen. Wij wenschen hen daarmee natuurlijk van harte geluk en blijven onze fondsen in de belangstelling zoowel van deze beide leeraars als van deze beide gemeenten aanbevelen. 
Ook ontving ik uit
G o u d a  de reeds lang verwachte collecte van een spreekbeurt, aldaar gehouden door ds. Van der Graaf, toen nog te Ameide. Inmiddels heeft daar ook onze voorzitter, ds. Van Grieken, gesproken, en nu had men die twee collecten daar in de pijpenstad maar bij elkander gedaan en er een heele lange pijp van ƒ 30.— van gemaakt. De Penningmeester is met zoo'n dure pijp natuurlijk geweldig in zijn schik en schaamt zich nu wel een beetje dat hij zoo heet gebakerd was om voor enkele weken den Gouwenaars een wissel te zenden. Maar die heetgebakerdheid vergeven zij hem nu wel, omdat hij nog een nieuweling is in 't zakenleven. Zij moeten maar denken dat hij het „al doende misschien wel leeren zal". Verder kreeg ik uit
's-G r a v e n m o e r  nog ƒ 1.—, afgezonden door ds. Anker, dien men daar weer in de collecte had gevonden. En nu eindelijk heb ik zelf, dus uit
V e e n e n d a a l  nog ƒ 32.50 te verantwoorden. Ik heb n.l. de vorige week ergens een huwelijk bevestigd, waarvoor men mij ƒ 20.— ter hand stelde voor een „goed doel". Ik dacht natuurlijk direct — een mensch is nu eenmaal zoo egoïstisch — aan mijn eigen kindertjes en stopte ze dus van die ƒ 20.— er ieder ƒ 10.— in de hand. Maar daar bleef het niet bij. De huwelijksband zou me nog meer voordeelen bezorgen. Zaterdagavond kreeg ik n.l. bezoek van een der broeders diakenen alhier, en toen hij goed en wel zat, sprak hij: dominé, ik kom hier volgens afspraak met mijnheer Fliehe. Ik keek hem eens aan of ik wou zeggen: wat heb ik nou aan de hand? Ja, zei hij, ik ben de volgende week 12 1/2 jaar getrouwd en nu kom ik mijn belasting betalen, ƒ 12.50 voor het Leerstoel- en Studiefonds. Deze broeder bleek dus bij al de andere goede eigenschappen, die hij ook als diaken bezit, ook een goed geheugen te hebben. Wij feliciteeren hem natuurlijk van harte met de blijde herdenking van zijn huwelijk, dat ik zelf indertijd nog mocht bevestigen, en wenschen hem en den zijnen zoo van harte toe dat hun gansche leven maar een gedenken van de daden des Heeren moge zijn. Misschien is zijn herinnering aan de afspraak met Fliehe wel een middel om er anderen aan te herinneren dat zij die afspraak vergaten. Gelukkig, dat dergelijke verzuimen dan altoos nog te herstellen zijn.
Maar nu ben ik dan toch ook heelemaal aan het einde, hoor! Even tellen. Prachtig! Weer een bedrag van
f 707.33.
Hartelijk dank aan allen, die het hunne hiertoe bijgebracht hebben.
Ds. M. JONGEBREUR, penningmeester
Veenendaal. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's