De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (17)

6 minuten leestijd

DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (17)
Nu dus over de verkiezing der ouderlingen.
In de Wezelsche Artikelen is dat slechts in beginsel aangegeven; met verwijzing naar hetgeen voorgeschreven was inzake de verkiezing en beroeping van Dienaren des Woords.
Vergelijken we nu de Wezelsche Artikelen met de latere Kerkordeningen, ook met de Kerkorde van Dordt van 1619, dan zien we, dat iemand zich zelf maar niet in het ambt mag zetten; ook mag de massa des volks dit niet doen; er moet wettige orde zijn; en dan komt aanstonds naar voren de gedachte: het ambt, de Kerkeraad, moet de leiding hebben en de gemeente moet in het verkiezingswerk gekend worden. Die laatste twee dingen: Kerkeraad en gemeente; leiding van het ambt en medewerking der belijdende gemeenteleden — daar gaat het voortdurend om, om die twee zaken op de beste manier saam te voegen en harmonisch te doen saamwerken.
Laten we hier even afschrijven wat art. 22 van de Dordtsche Kerkorde hieromtrent bepaalde: „De ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkeraads en der diakenen verkoren worden; zoodat het naar de gelegenheid .van een iedere Kerk vrij zal zijn, zoovele ouderlingen als er van noode zijn aan de gemeente voor te stellen, om van die zelve geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden enz. bevestigd te worden; — of een dubbel getal, om het halve deel bij de gemeente verkoren te worden op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde".
In dit 22ste artikel van de Dordtsche Kerkorde treft ons allereerst, dat hier onderscheid gemaakt wordt tusschen den Kerkeraad en de diakenen.
Het college van predikanten en ouderlingen is dan de eigenlijke en wezenlijke Kerkeraad terwijl de diakenen dan een soort hulpdienst verrichten, ook bij het beroepingswerk, enz.
Dan valt het ons op, dat iedere plaatselijke Kerk een behoorlijke vrijheid moet hebben om te handelen zooals men zelve 't best oordeelt. Een uniforme regeling voor heel 't land achtte men geenszins noodig, zelfs niet voor de Kerken in de Classis. Wel moest natuurlijk de plaatselijke Kerk weten wat ze wilde en dus moest een plaatselijke regeling worden opgesteld en aangenomen als leiddraad, opdat het niet willekeurig zou toegaan bij zulk belangrijk werk.
Vervolgens treft ons, dat men in Dordt in 1619 gekozen heeft voor de z.g.n. aristocratische methode van verkiezing van ambtsdragers, waarbij de Kerkeraad handelend optreedt en er van het recht der gemeente weinig of niets terecht komt of overblijft. Want 't eerste waarvan sprake is, is immers: de Kerkeraad benoemt wie hij goedvindt en na stilzwijgend goedkeuren van de gemeente worden de gekozenen bevestigd in het ambt. Toelaatbaar wordt dan geacht een andere manier, n.I. dat de Kerkeraad een dubbel zoo groot getal namen, als er ouderlingen noodig zijn, aan de gemeente voordraagt, waaruit de gemeente dan kiezen mag die zij 't best oordeelt.
De Synode van Wezel, 1568, en die van Embden, 1571, hebben — wellicht om de tijdsomstandigheden — den meer aristocratischen weg gevolgd en aan den Kerkeraad liefst alle macht gegeven. Dat was toen ook in de Fransche Kerken gewoonte, waarbij de Kerkeraad alleen verkiest zonder medewerking van de gemeente. De gekozenen werden alleen aan de gemeente voorgesteld ter approbatie of goedkeuring, maar meer niet. Aan de gemeente werd alleen het recht van stilzwijgende goedkeuring of gemotiveerde afkeuring gegeven.
Maar later is daar een weinig verandering in gekomen en is men gegaan in de aristocratisch-democratische lijn van de Particuliere Synode van Dordt in 1574 gehouden, waarschijnlijk ontleend aan de Fransche Vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van Valerandus Pollanus en door deze weer ontleend aan de Kerk van Straatsburg, waar Calvijn diende. Die z.g. artistocratisch-democratische weg hield in, dat de Kerkeraad een dubbel getal maakt, waaruit de gemeente dan de helft kan kiezen. Hier ontvangt de gemeente ook invloed — zij 't niet veel — op de keuze van de personen.
Daarnaast staat dan nog een derde weg, de z.g.n. democratische van de Hollandsche Vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van Johannes a Lasco, die in zijn „Forma ac ratio" bepaalde, dat de gemeente, na bidden en vasten, bij vrije stemming een groslijst moest opmaken en de Kerkeraad daarna uit dat grostal de besten en meest geschikten moest kiezen.
„Opmerkelijk" — zoo schrijft ds. Joh. Jansen in zijn „Korte Verklaring van de Kerkenordening" (J.H. Kok, Kampen, 1923), bladz. 97 — „dat de Synode van Dordrecht, 1578, wel de meer aristocratische manier van Wezel en Embden, en ook de meer aristocratisch-democratische manier van Dordrecht in 1574, in dit artikel heeft opgenomen, maar de meer democratische manier van a Lasco er buiten liet, omdat dit de Kerken toen nog te ver ging".
De Gereformeerde Kerken van Nederland hebben op de Synode van Utrecht van 1905 bedoeld artikel 22 aldus gewijzigd en aangevuld: „De ouderlingen zullen door 't oordeel des Kerkeraads en der diakenen verkoren worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is; bij welke regeling het naar de gelegenheid van iedere Kerk vrij zal zijn, van te voren de gemeenteleden in staat te stellen op geschikte personen de aandacht te vestigen en voorts vrij zal zijn, voor de verkiezing zelve zooveel ouderlingen, als er van noode zijn, aan de gemeente voor te stellen, om, van diezelve (ten ware dat er eenig beletsel voorviel) geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden en stipulatiën bevestigd te worden, of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde".
De wenschelijkheid is dus uitgesproken, dat elke Kerk (plaatselijke Kerk) eene schriftelijke regeling heeft voor al de kerkelijke verkiezingen. Waarbij tegelijk in dit artikel verzekerd is, dat „het recht der verkiezing primordiaal bij de gemeente blijve. Niet als een gave van den Kerkeraad, maar als een recht, dat Christus aan Zijne gemeente schonk en dat niemand haar ontnemen kan. De Kerkeraad moge daarbij de leidende macht hebben, zorg dragen, dat geen onwaardigen worden gekozen tot het ambt, de daad der verkiezing zelf moet door de gemeente geschieden". (Prof. dr. H.H. Kuyper. De verkiezing voor het Ambt, blz. 54).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's