De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Na-Paschen *)

14 minuten leestijd

En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijne voeten en Hij leide Zijne rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet: Ik ben de eerste en de laatste; en die leef, en Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Openb. 1 vers 17 en 18.

Wij weten, dat de apostel Johannes naar het eiland Patmos was verbannen om den naam des Heeren en om de getuigenis van Jezus Christus, den Zaligmaker. Daar ter plaatse werd hij verwaardigd met bijzondere openbaringen, gelijk ook bovenstaande woorden er zulk een mededeelt. De opgestane Koning toont zich daarbij: in Zijne majestueuze heerlijkheid; in Zijne onveranderlijke trouw; als degene Die eeuwig leeft, maar ook als de Almachtige. De apostel was, zoo spreekt hij, op den dag des Heeren, den eersten dag der week, „in den geest", dat is in die heilige geestvervoering, waarin wij de profeten van het O. Testament bij het ontvangen der goddelijke beloften meermalen aantreffen. Een Paulus verklaarde later er van, óf het geschied zij in het lichaam, óf buiten het lichaam, ik weet het niet; het was in allen gevalle een toestand, waarin de geest iets zag en vernam, dat het zinnelijk oog niet kon aanschouwen, noch het lichamelijk oor kon verstaan. Het zienersoog werd geopend terwijl het stoffelijk oog zich sloot. In dien toestand van heilige geestverrukking aanschouwde hij iets wonderbaar verhevens. Hij hoort achter zich een groote stem, als van een bazuin, of zooals op een andere plaats staat als een geluid van vele wateren, dus een stem, zóó sterk en doordringend als het bazuingeluid, en zich omkeerende zag hij Eénen, den Zoon des menschen gelijk, en als hij een oogenbllk met verbazing en verrukking in die heerlijkheid had gestaard, schemert het als voor zijne oogen. Hij weet niet, wat hem overkomt, en is doodelijk ontsteld. De reden daarvan was echter niet alleen het geheel onverwachte, maar vooral het majestueuze van 's Heeren verschijning, want hij zag den Heere Jezus, den Opgestane in Zijne majesteit en heerlijkheid. En nog maar nauwelijks heeft hij Hem gezien of hij valt als dood aan Zijne voeten. Stond er maar alleen, dat de apostel nederviel aan Zijne voeten, dan zou men kunnen denken dat dit geschiedde om zijn diepen eerbied te toonen, tnaar nu er staat dat hij als dood aan Zijne voeten neerviel, nu kan men zich eenigszins voorstellen v/elk een overweldigenden indruk Deze op hem maakte.
Maar ziet, nu vertoont zich de Opgestane ook in Zijne onveranderlijke trouw. Zachtkens toch legt de Heere Zijne rechterhand op den ontroerden discipel en spreekt tot hem: „Vrees niet". De aanraking van de rechterhand des Heeren doet hem wederom tot zichzelven komen, 't Wordt licht in hem en een nieuw leven doorstroomt en doortintelt geheel zijn persoon, en nog geknield aan Zijne heilige voeten, staart hij den Heere aan met eerbied en diep ontzag. Het opleggen der handen had plaats, wanneer men iemand zegende, of wanneer men iemand een zekere bediening opdroeg, zooals hier, ten teeken dat men den zoodanige onder zijne bescherming nam. Zoo mogen wij deze daad des Heeren aanmerken als een bewijs van bijzondere gunst en trouw. De apostel zou nu in een reeks van geheimnisvolle gezichten de bijzondere openbaring ontvangen van de buitengewone lotgevallen van 's Heeren gemeente. O, wat zal het een treffend oogenblik geweest zijn voor den apostel daar op het eenzame Patmos, met den Heere alleen. Wat zal zijne ziel genoten hebben, toen hij den Verheerlijkte zag en de aanraking van Zijn rechterhand gevoelde. Het was diezelfde rechterhand, die de Heere zoo dikwijls had uitgestrekt om de kranken te genezen, de oogen der blinden te openen, en de dooden op te wekken; diezelfde rechterhand, die ook voor hem aan het kruis werd doorboord, in welke hij na 's Heeren opstanding de teekenen der nagelen had aanschouwd; diezelfde rechterhand, die Hij over den apostel en zijne medejongeren had uitgebreid, toen de Heere van hen werd opgenomen in den hemel, en die nu den scepter voert in de woningen des lichts. Al de moeite en zorg werd daarbij vergeten en het rotsige Patmos zonk als weg onder zijn voet. Hij gevoelde zich op dat oogenblik als overgeplaatst in het Paradijs Gods, en hij zag zijnen dierbaren Koning van aangezicht tot aangezicht. Zoo openbaart de Heere zich in Zijne heerlijkheid en trouw, en Zijne gemeente bezingt deze na vele eeuwen, als zij daar mag uitroepen: Die God is onze zaligheid, een God van volkomene zaligheid. Naarmate Zijn volk nauwer aan Hem mag verbonden zijn door het geloof, en die trouw en ontferming mogen ervaren, naar die mate smaken zij ook de zielevreugde, die in die geloofsvereeniging wordt genoten. Ja, immers nog steeds vat de Heere de Zijnen bij de hand om hen in angst en droefheid te troosten, hen te bemoedigen en te sterken bij de aanvechtingen des Satans en hen te verkwikken met Zijne vertroostende nabijheid. Evenals voor den Ziener op Patmos de heerlijkheid des Heeren geopenbaard werd, zoo zal deze ook van Gods begenadigd kind aanschouwd worden, als eenmaal de ure van het scheiden van deze aarde aanbreekt. Als zijn krachten hem begeven en hij als dood voor de voeten des Heeren neervalt, raakt de Heere deze met Zijne rechterhand aan en ziet deze den Verheerlijkte. Dan is hij dood geweest om nimmermeer te sterven, dan is de dood voor hem geen koning der verschrikking, maar een bode des vredes.
Gezegend sterfuur voor Gods volk! De verheerlijkte Verlosser zal Zijne rechterhand uitstrekken en ze tot Zich nemen in heerlijkheid. Ziet! nog steeds is de hand des Heeren tot redding van het verlorene gereed. Nog steeds kan Hij den armen schipbreukeling, die daar hopeloos en hulpeloos op de golven zich bevindt en nergens eenig middel ziet om gered te worden, de hand reiken ter redding. Maar bedenke men wel, Hij, Die tot de Zijnen spreekt: „Vrees niet", zal voor Zijne versmaders een oorzaak van groote vreeze zijn, als zij den Heere zullen ontmoeten in de ure des gerichts.
Vrage men dan zichzelven ernstig af: Hoe zal mijn ontmoeten van den Heere zijn? Och! waar men zich nog nimmer onder het ontdekkend licht des Heiligen Geestes als een strafwaardig zondaar heeft leeren kennen, daar heeft men ook nimmer behoefte gevoeld aan den Eenigen Redder, Jezus Christus, en dan kan het ook niet anders of men zal eenmaal een vertoornd Rechter zien optreden, die wrake zal doen over alle goddeloosheid. Hij de Heere toch, die onveranderlijk is in het vervullen Zijner beloften voor Zijn volk, is ook onveranderlijk in de bedreigde straffen ten opzichte van Zijne vijanden. Mocht er nog verootmoediging komen voor den troon der genade om 's Heeren erbarming in te roepen. O, waar de Heere eenmaal Zijn hand zal uitstrekken tot degenen, die aan Zijne linkerhand staan, om hen te verwijzen naar de eeuwige rampzaligheid, daar zal Hij daartegenover degenen, die aan Zijne rechterhand staan, wijzen het Land der ruste, waar zij eeuwig met den Heere zullen zijn.
Maar nog heeft de Ziener Johannes ons meer te zeggen van den opgestanen Koning. Vrees niet, zoo vervolgt het tekstwoord: Ik ben de eerste en de laatste, en Die leef, en Ik ben dood geweest en zie Ik leef tot in alle eeuwigheid. Alzoo de Eeuwig levende. Het duidt dus aan, dat voor Hem geen tijd bestaat, de Alpha en de Omega, het begin en het einde, die is, die was, en die komen zal. En Ik ben dood geweest, en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. „Dood geweest", vreemde toestand voorwaar, dood en graf reeds achter zich te hebben, voor ons, die nog sterven moeten, die dagelijks de doodsure meer nabij komen en zekerlijk eenmaal de macht des doods zullen ervaren. De Heere is den dood ingegaan, om diens macht, den laatsten vijand, te overwinnen, want Zijn dood was een verzoeningsdood voor Zijn volk, over welke daad de hemel juicht en waarover Gods volk zich met recht mag verheugen. Hij, de Heere, stierf echter niet alleen voor de Zijnen, maar Hij kan ook getuigen: Ik leef. Opgestaan uit 't graf, sterft Hij niet meer, de dood heerscht niet meer over Hem. Wat een rijke troost voor Gods volk: Jezus leeft. Hij leeft om voor de Zijnen te bidden en plaatse te bereiden in het huis des Vaders. Maar ook is die Eeuwig Levende met oneindige macht bekleed, want Hij mag zeggen: En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Sleutelen nu zijn zinnebeelden van gezag en macht. In vroegere tijden werden de sleutelen eener stad door de overheid bewaard, en moest de stad zich aan den vijand, die haar belegerde, overgeven, dan gaf de overheid dier stad de sleutels over aan den overwinnaar, ten teeken, dat het opperste gezag aan dezen werd overgedragen. Wanneer dus de Heere verklaart, dat Hij de sleutels heeft der hel en des doods, dan wil Hij dus daarmede zeggen, dat Hij daarover de macht heeft verkregen, over de hel en den dood, over het doodenrijk en het graf, gelijk een zegepralende overwinnaar over door hem onderworpen steden. Ja, Hij heeft macht over deze sterke machten. Hij sluit en niemand opent. Hij opent en niemand sluit. De dood is Zijne overwonnen macht. Hij heeft dien sterke gebonden. Hij stelt dien vijand paal en perk. De geschiedenis der Christelijke gemeente spreekt 't overal op duidelijke wijze uit, hoe groot de macht des Heeren was. Hoe fel en bloedig de duivel, de geweldhebber des doods en de vorst der helle, des Heeren gemeente ook zoude kwellen en in het nauw brengen, geen nood, Jezus, de opgestane Koning, het Hoofd Zijner zoo duur gekochte gemeente, die Hij uit vrije genade zaligt, heeft de sleutels der helle en des doods.
Ten laatste zal Hij deze Zijne vijanden die Hij als 't ware tot krijgsgevangenen heeft gemaakt, en onder Zijne toelating voor een tijd macht had geschonken, werpen in den poel van vuur en sulfer, welker rook zal opgaan in alle eeuwigheid. Daar zal een tijd aanbreken, dat Satan en zijne instrumenten 's Heeren kudde nimmermeer kunnen naderen met verzoekingen en verleidingen, want dan is hun macht vernietigd en de kudde is bij haren Herder in de eeuwige schaapskooi, want de belofte ligt er: de poorten der helle zullen Mijne gemeente niet overweldigen.
Medereizigers naar de eeuwigheid! hebt gij door Gods genade reeds den grooten afstand leeren beseffen, die u als diep bedorven en strafschuldig zondaar scheidt van den hoogheiligen God? Is de vraag wel eens met diepen ernst door u gedaan: Hoe word ik rechtvaardig voor dien heiligen God? O, diegene, die geen vreemdeling daaraan is, en bij aanvang de roerselen des Heiligen Geestes in zijn binnenste heeft ervaren, die heeft ook iets leeren kennen van dat bukken voor den Heere in het stof, van dat vallen aan Zijne voeten met de ootmoedige belijdenis van een Petrus: Heere! ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch, maar daarbij wijst ook de verzuchting uit het bang gemoed: Heere! wees mij genadig naar de grootheid Uwer barmhartigheid. O, hoe zielsverkwikkend was het dan, als de Heere tot dien worstelaar, die daar vreesde, en wiens ziel zich vanwege de bewustheid van de vele zonden en de menigte der ongerechtigheden zich terneder boog diep in het stof, naderde met Zijne innige vertroostingen. Nogmaals: kennen wij dien Heere als onze persoonlijke Borg en Middelaar? Niet? Och, hoe arm is men dan, al bezat men ook alles wat de aarde begeerlijks geeft, dan doolt gij rond zonder rust en vrede, het overal zoekende, maar nergens het vindende, want de aarde en de wereld roepen u toe: Bij mij is het niet. Dan doolt men nog rond op de levenszee zonder vasten stuurman en zonder roer, en is telkens in groot gevaar om door de golven te worden verzwolgen, en zal nimmer op de veilige kusten van het Land der ruste aanlanden. Dan gaat gij nog de ure des doods tegemoet zonder den eenigen troost in leven en in sterven, dan is voorzeker vreeze van rondom, schrik en beving, want welke onreine, welke melaatsche zal bestaan voor den heiligen God. Dan is er ook geen Borg, die aan uwe zijde staat als u weldra zal worden toegeroepen : Geef rekenschap van uw rentmeesterschap. Mocht nog heden uw oog er voor geopend worden, hoe de Satan, nu uv/ vriend, van welken gij reeds lang genoeg een gewillige dienstknecht en slaat zijt geweest, in de werkelijkheid uw grootste vijand is, die uw ziel wil vermoorden, en hoe het buiten de geloofsvereeniging met den Opgestane en Eeuwig Levende blijft duizend vreezen bij het besef van eigen onmacht, bij het gevoel der vele zonden, bij het dreigen van tallooze gevaren, bij hét naderen, van dood en oordeel. Die opgestane en verheerlijkte Koning wil nog Zijne vrije genade verheerlijken aan dezulken, die als worstelaars om genade Hem te voet vallen.
Maar daartegenover. Hij, die gezegd heeft: Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid, is ook de onwankelbaar Getrouwe voor Zijn volk. Ja, Hij de Heere is dood geweest, heeft de smarten des doods bij eigen ervaring gekend, doch om weldra wederom het leven, dat Hij vrijwillig had afgelegd, wederom te nemen. Ja, Hij is dood geweest om voor de Zijnen den prikkel des doods weg te nemen en hen te verlossen van den eeuwigen dood, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht te brengen. Zoo is dan Gods begenadigd kind reeds hier op aarde bij aanvang een gestorvene geworden, n.l. der zonde. Want zoolang de zonde in hem leeft is hij dood in zonden en in misdaden. Maar als hij door Gods genade der zonde gestorven is, leeft hij, want hetgeen hij gestorven is, dat is hij eenmaal der zonde gestorven, en opgewekt tot een nieuw leven, moet hij zoeken de dingen, die Boven zijn. En dat nieuwe leven, door den Heiligen Geest teweeggebracht, zal hem nimmer kunnen worden ontroofd door de macht der duisternis, daar de Heere de Sterkere is. Die het ook betoond heeft door Zijne opstanding uit het graf, en Zijne beloften zijn steeds Ja en Amen bevonden, waar Hij belooft, dat het werk, door Hem begonnen, ook voortgezet en voleindigd zal worden, want de genadegifte en de roepinge Gods zijn onberouwelijk.
Hoe gelukkig dan dat volk, dat het geklank kent, en door een waar zaligmakend geloof aan dien Opgestane verbonden zijn, steunende enkel en alleen op de Borgverdiensten van Christus. Wat vermag dan Satan in dit leven, als de Heere de Zijnen beschermt onder Zijne vleugelen? hij zal geen enkele, ook niet de kleinste der kleinen, uit des Heeren hand rukken. Zij liggen veilig in Zijne handpalmen. De Heere versteekt ze in Zijne hut ten dage des kwaads, en zendt Zijne engelen uit om hen te bewaren te midden van een booze, Hem vijandige wereld. Hij de Heere, Die daar mocht betuigen: „Ik heb de sleutels der helle en des doods", is de Zijnen nabij tot in, tot over den dood. Bij Hem berust ook de sleutel hunner graven, waarin hun stoffelijk overschot nederligt, en alle macht der wereld is niet in staat één daarvan te openen zonder Zijnen wil. Hij, de Heere bepaalt de ure, dat het geopend zal worden. Waar de Zijnen in Hem, hunnen Borg en Zaligmaker, mogen ontslapen, kunnen zij er ook verzekerd van zijn, dat de opgestane Koning, de wachter zal zijn over hunne graven, zoodat zij in vrede kunnen nederliggen in hunne donkere slaapsteden. Eens komt Hij, de verheerlijkte Koning, terug, als de bazuin der opstanding weerklinkt en de Heere met majesteit het „Staat op, gij dooden" over de graven zal doen hooren. En de aarde en ook de zee zullen de dooden, die daarin zijn, wedergeven, en het eindoordeel zal dan plaats hebben, voor den één zal het zijn een opstanding ten leven, voor een ander een opstanding ten eeuwigen doode.
Hoe zal dan onze opstanding zijn?
Och! onderzoek u ernstig na afbidding van het licht des Heiligen Geestes, want 't geldt een eeuwig wél of een eeuwig wèè.
Wezep.                                                                                                                  N. WARMOLTS.

*Kon wegens omstandigheden eerst heden geplaatst worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's