FEUILLETON
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
door IDSARDI
13)
Elk had genoeg aan zichzelf. En zij dubbel genoeg, met haar huis vol kinderen en een man die maar een schraal penninkje verdiende. Vooral in deze korte winterdagen. Als vrouw Rijpkema daarom iets voor haar over hebben mocht ? Wat afgedragen kleeren, of een paar kousen ? Zij was ook zoo noodig aan een mantel toe, maar van zelf, koopen daarvan was geen sprake. Anders kwam zij ook wel eens in de kerk, maar zij kon zich nergens vertoonen in h/iar afgedragen plunje. Een wollen deken z, Ou ook zoo te pas komen. De jongens sliepen op zolder onder de dakpannen en dat beteekende winterdag wél wat. Zij stopte hen dan 's avonds maar toe met een vloerkleedje en een paar zakken. Ja, 't was wat te zeggen voor een arbeidersvrouw. De weelde dreef .haar een dag als vandaag de deur ook niet uit. Maar zij moest wel om de monden open te houden.
Soms kon zij zoo'n wee gevoel hebben, vóór in de maag. Bepaald behoefte aan eten. Vooral aan iets hartigs, want dat kregen zij thuis nooit. Als de vrouw d'r eens om wilde denken ? D'r stierf wel eens een koebeest, in dezen tijd van mond-en klauw zeer. Verleden jaar heeft zij van de vrouw ook eens een mooi stukje vleesch gehad. Symen had het er nog wel eens over, en zei wel eens : „wat hebben wij toen gesmuld !"
„'t Valt mij lang niet af van Symen, " — heeft vrouw Rijpkema daarop gezegd met een verdacht lachje, maar het einde was dat Syke van „Olga-State" met voller korven vertrok dan zij kwam, en met de gedachte, dat er onder de rijken toch nog wel „goeie menschen" gevonden werden, al gaf Symen steeds op hen af.
Thuis wachtte haar dien avond evenwel een allesbehalve welkom onthaal. Door al die wederwaardigheden kwam zij meer dan een uur later haar eigen woning binnen, 't Was al lang donker. Overal schenen de lichten door de spleten der luiken, terwijl hier en daar een walmende petroleumlamp den weg verhelderde. Bijna geen mensch was buiten. Anders niet dan de melkboer, die zijn klanten bediende en de post, die de laatste bestelling rondbracht.
Met ongeduld liep Symen de kamer op en neer, wachtend op zijne wederhelft. Reeds lang was hij thuis, want men werkte niet bij de lamp. Daartoe was er te weinig te doen'. Hij had echter een afspraak gemaakt met een kameraad om vanavond huisbezoek te doen, teneinde eenige arbeiders in aanverwante vakken over te halen lid van de S. D. A. P. te worden. Want dat was de partij waarvan het volk het hebben moest. Zoo mogelijk zou men in het voorjaar als het werk weer uitkwam een staking op touw trachten te zetten, om te komen tot loonsverhooging, maar dan was het wenschelijk dat er geen onderkruipers waren en allen mee deden. En nu is Symen als een die .het woord kan voeren aangewezen om met nog een partijgenoot er op uit te gaan, en den ongeorganiseerden aan het verstand te brengen, dat aansluiting voor hen een levensbelang was. Ongetwijfeld zat deze reeds lang op hem te wachten, en nóg was Syke niet thuis.
Intusschen zeurden de kleinsten om brood. „Toe vader, 'k wil eten hebben ; wanneer komt moeke nou ? " — zoo griende d'r een, onderwijl de beide oudsten mid den over de kamer bezig waren een konijnenhok te timmeren. Maar Symen zag en hoorde niets. Anders niet dan dat vervelende tik-tak van de wekkerklok op het penantkastje, 't welk met hem scheen te spotten, omdat hij zoo ongeduldig werd.
„Vader, toe !"
„Och houd je mond jongen ; wat weet ik er van, waar je moeder den geheelen dag uithangt. Daar heb je een kaaskorst." — Zoo bromde hij.
Maar nu staakten ook de anderen hun spel. „Geef mij ook een stuk", — vroeg de oudste, en de andere zei niets, maar in zijn begeerigen blik lag dezelfde vraag.
„Wel zeker, we zullen de geheele kaas opeten ; zij kost tegenwoordig niets." Doch het volgend oogenblik daarop : „nou daar ; je moeder schijnt ergens elders den kost op te loopen."
Eindelijk werd daarbuiten gestommel gehoord. De kettingen van het juk rammelden tegen elkaar, als de bollekorven met een smak werden neergezet. Aanstonds daarop werd de klink van de voordeur opgeHcht en schoof Syke met een zucht de donkere gang in.
„Eindelijk, " zei hij, maar zonder zich de moeite te getroosten, de kamerdeur voor haar te openen, opdat het licht haar tegen kwam. En aanstonds daarop tot haar : „zoo zal het dan toch wezen ? Ik dacht dat je van nacht bij den een of anderen boer bleven".
„Was 't maar geen leugen, " — snipte zij onnadenkend terug, zonder er op te letten dat hij uit zijn humeur was.
„O zoo, denk je er zóó over, en dan mij zeker met den rommel hier laten I 't Is prachtig ; heb je dat vroeger bij je dominé in de kerk geleerd ? "
Eerst nü merkte zij dat de barometer op storm stond.
„Och man, windt je niet zoo op ; waar maak jou je druk over."
„Wel neen, natuurlijk niet. Alles voor zoete koek opnemen. Of het de dame belieft om vier uur of zes uur of acht uur thuis te komen, of misschien in .het geheel niet. Ik zeg maar : nette vrouwen zijn 's avonds voor donker thuis en loopen niet meer alleen op straat !"
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's