FINANCIËN
Postgiro 138421
't Is altijd een voorrecht voor een zieke, als hij weet dat hij ziek is. Dan immers zoekt hij naar middelen om van zijn ziekte genezen te worden. Als hij dat niet weet, dan blijft hij in den regel met zijn kwaal rondloopen en dan loopt hij de kans dat het van kwaad tot erger gaat.
Zoo is het in het natuurlijke, maar ook in het geestelijke. Ik ben altijd blij, als ik menschen ontmoet, die weten dat zij ziek zijn, die weten dat zij blind zijn, die weten dat zij 't niet weten. Dat is helaas lang niet altijd zoo. Integendeel, als je zoo nog al eens menschen spreekt, dan merk je dat er ook heel veel menschen zijn die meenen en die ook zeggen dat zij zien, die soms denken dat zij alléén zien en dat zij het eigenlijk alléén weten, dat er eigenlijk geen mensch zóó knap of zóó geleerd, of zóó Gereformeerd, of zóó vroom is als zij. En met zulke menschen is in den regel niet veel land te bezeilen. Vroeger trachtte ik dergelijke menschen nog wel eens te overtuigen dat zij 't toch ook wel eens mis konden hebben, maar jarenlange ervaring heeft mij geleerd dat je ze het best maar met hun hoofd tegen den muur kunt laten loopen. Dan blijft de muur in den regel wel staan en als zij dan een buil op hun hoofd hebben, dan komen zij daardoor nog wel eens tot bezinning.
Gelukkig echter, dat er ook nog andere menschen zijn, die weten dat zij ziek zijn. En dat geldt niet slechts van het persoonlijk, maar ook van het gemeentelijk leven. Zoo ontving ik dezer dagen een collecte uit een plaats, wier naam ik maar weer niet zal noemen, en de vriend die mij deze collecte zond, schreef er iets bij in dezen geest: „ja, dominé, voor een plaats als de onze is het niet veel, en moest het eigenlijk veel meer zijn, maar u weet het ook wel, onze plaats is „ziek", heel erg ziek, en ach, wat is er van een zieke te verwachten?"
Ik dacht, kijk, die vriend weet dat zij daar ziek zijn; als zij daar nu allemaal maar net zijn als hij, dan kan die ziekte daar nog best genezen worden. Laten we dus maar hopen, dat er daar niet te veel zijn die geen oog hebben voor hun kwaal en die misschien denken dat zij veel gezonder zijn dan anderen, want dat is in den regel de ergste ziekte, waardoor 'n mensch kan aangetast wezen. Ik meen, dat ik daar in de Schrift ook wel eens van gelezen heb, van menschen die zeggen: „Wijk van mij, want ik ben heiliger dan gij". Neen, dan begreep de vriend, die mij dit schreef, het beter. Hij voegde er aan toe — en daar ben ik het natuurlijk van harte mee eens —: „gelukkig, als wij bij al deze dingen onszelf maar meer en meer mogen beschuldigen, en maar niet te veel op anderen staren, want dat is toch de weg tot herstel". Ik meen, dat Jeremia deze gedachte aldus heeft vertolkt: „Alleenlijk ken uwe ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere uwen God gezondigd hebt". En inderdaad, ik geloof ook: als er wat meer zelfveroordeeling mocht wezen, er dan minder een oordeelen en een veroordeelen van anderen zou zijn.
Nou ja, houd nou maar op met preeken, zegt ge misschien. Laat ons nu liever maar eens zien wat er deze week in 't laadje zit. Nu, dan beginnen we met
D e l f t, de Prinsenstad. Daar heeft de afdeeling van onzen Bond nog laat een spreekbeurt voor onze Fondsen gehouden, waarin als spreker optrad niet een dominé, maar de heer W. van Leeuwen, Godsdienstonderwijzer te Schoonerwoerd. De collecte in die spreekbeurt, die mij werd toegezonden door den penningmeester A. Vlasblom, en die wij nog maar onder de Paaschcollecten zullen boeken, bedroeg ƒ 50.—, een bedrag waarvan wij meenden dat het wel slechter had gekund. Verder kreeg ik een meevallertje uit
H i l l e g e r s b e r g. Ik dacht vroeger altijd, dat ze daar zoowat allemaal „Confessioneel" waren, en dat er dus uit die welvarende plaats onder den rook van Rotterdam wel een heele vette collecte naar mijn vriend Groot Enzerink in Leiden zou gaan. Nu weet ik niet, hoor, hoeveel hij heeft gekregen. Dat kan misschien nog wel veel meer zijn. — 'k Zal er „de Gereformeerde Kerk" wel eens op nazien. — Maar ik weet wel, hoeveel ik heb gekregen. De heer Van den Akker aldaarv zond mij n.l. een lange lijst met namen van personen, bij wie men Paaschgiften verzameld had en daarna kreeg ik van dienzelfden heer de gelden, die deze inzameling had opgebracht, n.l. een bedrag van
HONDERD EN ZEVEN GULDEN (ƒ 107.—).
Nu, wat zegt ge er van? 'k Weet zeker, dat gij met mij zegt: die vrienden in Hillegersberg hebben zich kranig gehouden. Dan kreeg ik ook nog een collecte of eigenlijk een dubbele Collecte uit
G o u d r i a a n. Men had daar, schreef de heer de Graaff, net gedaan als in Gouda, n.l. twee pijpen aan elkaar gelascht. Een collecte gehouden bij een Zondagsbeurt, vervuld door ds. Gunning van Schoonhoven en die ƒ 16.27 opbracht, had men gecombineerd met de Paaschcollecte, die ƒ 16.88 opleverde, zoodat men mij een bedrag toezond van ƒ 33.15. Verder kwam er nog een Paaschcollecte uit
L o p i k, vanwaar diaken A. Versluis mij een bedrag toezond van ƒ 6.30. Dan ook nog een uit
D r i e s u m, vanwaar mij als zoodanig, een bedrag van ƒ 30.— gewerd. Ook zond de heer Brinkers te
U t r e c h t mij nog enkele nagekomen Paaschgiften uit de bisschopsstad tot een gezamenlijk bedrag van ƒ 16.50, terwijl ik ten slotte nog een heel aardig briefje kreeg uit
S c h i e d a m, van mej. J. de Groot aldaar, met 'n bedrag van ƒ 12.50 als Paaschgift van haar ouders. Dan kreeg ik uit
S l i k k e r v e e r van P. van Beek aldaar den inhoud van busje 206, bijeengebracht door enkele lezers van „De Waarheidsvriend". Het was een bedrag van ƒ 12.14; en uit:
A m e r s f o o r t van ds. Van den Berg aldaar ontving ik een bedrag van ƒ 7.—, zijnde ƒ 2.— van mej. B. voor het Studiefonds en ƒ 5.— van vriend N. voor 't Leerstoelfonds. Ook werden mij uit
A a l s m e e r door ouderling Stork aldaar nog gezonden twee giften, een van ƒ 17.50 en een van ƒ 10.—, tezamen dus een bedrag van ƒ27.50, en, van morgen kreeg ik uit
H a t t e m van ds. Koldewijn aldaar nog een gift van ƒ 5.— voor het Studiefonds, welke men op 6 Mei l.l. aldaar in den collectezak gevonden had.
Gij merkt wel, dat ik deze week weer niets te klagen heb, temeer, omdat het een week is die voor mij een dag korter duurt dan anders, aangezien de Uitgever berichtte dat hij vanwege den Hemelvaartsdag de stukken een dag vroeger moest hebben dan gewoonlijk. Inplaats van Dinsdag, zit ik dus ditmaal Maandag al bij de schatkist.
En hoe hebt ge 't gister in Schoonhoven gehad? vraagt misschien deze of gene. Nou, dat weet ik nog niet. Ze moesten de collecte nog tellen. Maar ik denk zoo — — — ik denk zoo — — — Neen, laat ik ook maar niet zeggen wat ik denk. Laat ik uw nieuwsgierigheid dus nog een week op de proef stellen. Maar ik ben met Delft begonnen, ik wil ook weer met
D e l f t eindigen. Immers behalve de ƒ 50 collecte, zond vriend Vlasblom mij later ook nog ƒ 20.—, een gift die daar voor onze Fondsen in een trouwdienst was gecollecteerd. Kijk eens aan. Dat vind ik altijd zoo aardig en zoo belangstellend, als men op zijn trouwdag of op andere dergelijke feestdagen ook nog wat voor onze Fondsen wil missen. Met de beste wenschen dat zij het goed met elkaar zullen hebben, danken wij dat Delftsche echtpaar dus recht hartelijk en naast hen brengen wij onzen dank aan allen die zorgden dat we ook deze korte week weer een eindbedrag kunnen boeken van
f 327.09.
De Penningmeester,
Ds. M. JONGEBREUR, Veenendaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 mei 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's