De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

9 minuten leestijd

De Doopvragen.
Gelijk bekend is, geeft het Formulier om den Heiligen Doop te bedienen aan de kleine kinderen der geloovigen tenslotte „Vermaning aan de Ouders en die mede ten Doop komen".
Dat woord „vermaning" doelt er op dat nu nog eens ernstig aan de ouders en aan de getuigen — die vooral vroeger, in den na-Roomschen tijd, veelal tegenwoordig waren en mede verantwoordelijk werden gesteld bij de opvoeding, zie o.a. art. 57 Dordtsche Kerkorde — zal worden voorgehouden en scherpelijk ingeprent, wat zij, door het presenteeren ten Doop van hun kind, voorGodendegemeente op zich nemen!
Daarom begint die „vermaning" op deze wijze: „Geliefden in den Heere Christus, gij hebt gehoord, dat de Doop een ordening Gods is, om ons en onzen zade Zijn verbond te verzegelen".
Bij de voorlezing van het Formulier hebben de ouders dus gehoord (staat er) dat het gaat om een ordening of instelling Gods ; en wel om Zijn verbond te verzegelen. En daarom moeten de ouders zich nu rekenschap geven, of zij de beteekenis van het Verbond en de beduidenis van den Doop verstaan.
„Daarom moeten wij hem (d.i. den Doop) tot dat einde (n.l. waartoe God: het geordend en ingesteld heeft) en niet uit gewoonte of bijgeloovigheid gebruiken".
De „vermaning" wil dus in sterke taal de ouders brengen tot een levendig besef van de heilige handeling, die staat te gebeuren. En dan moeten ze weten wat ze in den Doop ontvangen, maar óók wat ze voor hun rekening nemen.
Als „medegeloovigen" staan de ouders daar, zooals de Apostel in zijn brieven zoo dikwijls aan zijn medegeloovigen schrijft, hen noemende „geliefden in den Heere Christus". Het zijn „broeders en zusters in den Heere". Tot wie de belofte komt: „Ik ben uw God en de God van uw zaad". Tot wie óók het woord des Heeren komt: „Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht". (Gen. 17 vers 1).
Die ouders, lidmaten der gemeente zijnde, hebben uit het voorlezen van het Formulier gehoord dat er nu een ordening, een inzetting Gods, staat te geschieden. En wel „om aan ons en aan onze kinderen Zijn Verbond te verzegelen".
Het is God, Die hier optreedt; Die hier handelen gaat.
Het is een inzetting des Heeren onder Zijn volk, een ordening Gods in het midden van Zijn Kerk. En nu moeten wij ons verantwoordelijk weten, bij hetgeen wij, bij deze ordening Gods, gaan doen. Geen gewoonte. Geen sleur. Geen onbedachtzaam handelen. Ook mag men niet „uit bijgeloovigheid" hier naderen tot deze heilige zaak. Maar met bewustheid, met besef van onze verantwoordelijkheid, moeten we handelen om het Verbond Gods in geloove en gehoorzaamheid te aanvaarden en ons te verplichten tot de gehoorzaamheid aan den Heere, in de opvoeding van onze kinderen.
Die belijdenis moet nu hoorbaar door de ouders worden afgelegd; die verplichting óók moet duidelijk waarneembaar en zóó, dat het door den raad der Kerk en door de gemeente te controleeren valt, door hen worden aanvaard.
Bij weigering om bevestigend te antwoorden op de vragen, kan en mag de Doop dan ook niet doorgaan. Want bij niet instemmen en niet bewilligen der ouders zou een onmisbare voorwaarde bij de ordening Gods en de verzegeling van Zijn Verbond, dewijl er twee partijen zijn, ontbreken!
En daarom ook juist loopt de „Vermaning aan de ouders en die mede ten Doop komen" uit, in een drietal vragen, die beantwoord, en wél bevestigend — hoorbaar en zichtbaar — moeten beantwoord worden.
Men kent die drie vragen. Ze zijn:
„Eerstelijk, hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelve onderworpen, of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd en daarom, als lidmaten Zijner gemeente, behooren gedoopt te wezen".
Deze vraag is natuurlijk om te weten te komen, of de ouders, levend in het midden van de gemeente, de noodzakelijkheid van den Doop voor hun kind inzien. De donkere achtergrond van de algeheele doemschuldigheid moet voor oogen staan — en dan treedt de genade Gods in Christus naar voren, in den Doop uitstralend! De onmogelijkheid van 's menschen zijde om zalig te worden — en dan de mogelijkheid die er in Christus bij den Heere is! In zonde ontvangen en geboren — en nu in het water de prediking van het bloed van Christus, dat reinigt van alle zonden, waarvan de Heere spreken wil tot de ouders, voor hen zelf en voor hun zaad! Hiervan moeten de ouders zich bewust zijn. De noodzakelijkheid van het genadiglijk „ingelijfd worden in Jezus Christus, opdat zij met Hem in Zijnen dood begraven worden en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven" (gebed vóór den Doop) — moet den ouders duidelijk zijn. Daarom die eerste vraag; en daarom is een bevestigend antwoord op die vraag noodig. In het midden van de gemeente mogen de kinderen der geloovigen niet ongedoopt blijven, maar „behooren gedoopt te wezen". Dat moeten de ouders nadrukkelijk uitspreken.
Dan komt de tweede vraag: „Ten andere, of gij de leer, die in het Oude en Nieuwe Testament en in de Artikelen des Christelijken geloofs begrepen is, en in de Christelijke Kerk alhier geleerd wordt, niet bekent, de waarachtige en volkomene leer der zaligheid te wezen?"
Hier bestaat de verbondshandeling bij de ouders in het afleggen van een geloofsbelijdenis. Waren het „volwassenen", die gedoopt zouden worden, dan moesten de doopelingen zelf die geloofsbelijdenis afleggen, om daarna het Sacrament te ontvangen (denk aan den Kamerling e.a.); maar nu zijn het kleine kinderen, die van deze dingen nog niet weten, en daarom moeten nu de ouders eerst verklaren hoe ze in deze, wat hun geloofsbelijdenis betreft, staan; hoe zij als ouders, als opvoeders van het kind, in geloofszaken staan! 't Is dus niet zoozeer, hoe zij voor zichzelf, als lidmaten, er over denken, maar: hoe zij nu, ouders zijnde en komende met en voor hun kind, als ouders en opvoeders over de dingen denken! Zooals ook iemand, die ouderling of diaken wordt, dan nog weer eens gevraagd wordt, hoe hij in geloofszaken staat, opdat de Kerk veilig kan gaan dat deze mannen als ouderlingen en in kwaliteit van diakenen, de rechte leer zullen voorstaan.
Zoo wil de Kerk ook van de ouders en opvoeders van de te doopen kinderen weten, nu zij deze heilige handeling gaan verrichten, hoe zij in geloofszaken staan. De opvoeding moet veilig gesteld worden dus, en de Kerk vraagt daarom te voren: „hoe staat gij in deze, o ouders en opvoeders?" Diep moeten de ouders van hun ambt, van hun roeping als ouders, — verzorgers en opvoeders van de kinderen zijnde — zich bewust zijn. Hun onderwijs vormt den schakel tusschen vóór-en nageslacht. Voor de Kerk hangt er zooveel van af; voor de kinderen zelf ook — en daarom zet de Kerk de ouders ook voor die tweede vraag, rakende hun geloofsbelijdenis.
En dan komt de derde vraag, die aldus luidt: „Ten derde, of gij niet belooft en u voorneemt, dit kind, als het tot zijn verstand zal gekomen zijn, waarvan gij vader of getuige zijt (of deze kinderen, als zij tot hun verstand zullen gekomen zijn, een iegelijk het zijne, waarvan hij vader of getuige is) in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen, of te doen en te helpen onderwijzen?"
Ook deze vraag is beteekenisvol. In de Wezelsche Artikelen van 1568 was reeds bepaald, dat de vragen zoowel aan de getuigen als aan de ouders gedaan zouden worden.
De „vermaning" gaat dan ook tot „de ouders en die mede ten Doop komen"; en die laatsten zijn dan: de getuigen. Ouders. Vader èn moeder eerst; en dan voorts de getuigen. Zoo was de opzet van ouds. In de oorspronkelijke uitgave van Datheen (1566) werd dan ook de belofte der opvoeding naar de zuivere leer van ouders en getuigen gelijkelijk gevraagd. Daar staat in Datheen's uitgave: „Ten derde, of gij niet belooft en voor u neemt, dit kind, als het tot zijn verstand komt, daarin naar uw vermogen te onderwijzen?"
Dat „gij" bij Datheen zijn „de ouders". Later heeft men er nadruk opgelegd, dat de vader bij den Doop tegenwoordig moest zijn, omdat de vader blijkbaar nog al eens wegbleef. De vader wordt daarom voortaan bizonder toegesproken en de getuigen treden dan niet in de plaats van de ouders, maar worden hier, naar Roomschen trant, als peten beschouwd, als assistenten van de ouders, dus staande naast de ouders, hun tot hulpe.
Deze dingen zijn nu geheel veranderd.'
Er is nu geen oorzaak meer, speciaal aan te dringen op tegenwoordigheid van den vader; het gaat nu om de ouders, vader èn moeder. En als er nu getuigen optreden, is 't niet om als peten samen met de ouders het kind ten Doop te presenteeren, maar dan is het nu om in noodgeval in de plaats van de ouders op te treden.
Vroeger dus heel anders dan nu. En nu heel anders dan vroeger. Waarom het nu, nu het om het afleggen van een belijdenis van geloofszaken gaat ten opzichte van en in betrekking tot de opvoeding van 't kind en het aanvaarden van stipulatiën (uitgestippelde en nader omschrevene verplichtingen) in deze om de ouders, zoowel vader als moeder, te doen is; waarbij de getuigen als vanzelf op den achtergrond treden.
Vader en moeder behooren dus tegenwoordig te zijn bij den Doop van hun kind. Niet de vader alleen; ook niet de moeder alleen; vader en moeder beiden! Dat komt overeen met wat aan het eind van het eigenlijke Formulier (vóór het Gebed) gezegd is: „en de ouders zullen gehouden zijn hunne kinderen, in het opwassen, hiervan breeder te onderwijzen".
Het ouder-zijn brengt, van Godswege, een ambt met zich. Een ambt, dat zich drievoudig splitst:
Het omvat een profetische taak, n.l. het kind te leeren den weg, dien het te gaan heeft, naar Gods Woord en in overeenstemming met de belijdenis der Kerk.
Een priesterlijke taak, n.l. op de beloften des Doops voor het kind te pleiten en alle zaligheid te zoeken in Jezus Christus.
Een koninklijke taak, n.l. om het kind te regeeren en de schreden te richten op het pad der godsvrucht.
Dat moeten vader en moeder gewillig en oprecht aanvaarden bij den Doop. Die belofte moeten de ouders afleggen, dat zij opvoeders en onderwijzers voor hun kinderen zullen zijn, wandelend in den weg van Gods Verbond, naar Gods Woord. Die verbinding en verplichting moet, voor Gods aangezicht, in tegenwoordigheid der gemeente, door de ouders worden aangegaan.
Dat moeten de ouders beloven en daartoe moeten zij voor zichzelf besluit en
Dat moeten zij beloven en dat moeten zij van harte willen, daartoe van harte bereid zijnde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's