De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Pinksterfeest

14 minuten leestijd

En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken. Hand. 2: 1, 4.

Ons feest, ons Pinksterfeest, is wel heel eenvoudig. Geen trompetten noch bazuingeklank. Ook trekken we de takken niet van de boomen noch versieren onze huizen met palmen. Geen drankoffers van wijn in den tempel, noch tafels in onze woningen, die overvloedig zijn toegericht met spijzen en dranken (Lev. 23).
Zóó was het onder den dienst der schaduwen, toen de zinnebeeldige handelingen zoo duidelijk, zóó menschelijk spreken moesten, omdat de geestelijke vervulling, omdat het echte er nog niet was. Toen moest het alles in beeld gebracht worden, waarbij de motieven aan aardsche dingen ontleend waren, opdat er met kracht een flauwe afschaduwing zou worden gegeven van het heerlijke, het hemelsche, het bovenaardsche en bovenmenschelijke, dat in de volheid des tijds in Jezus Christus zou worden geschonken al den volken saam.
Daarom keeren we onder de Nieuw-Testamentische Bedeeling, hebbende de vervulling in Sions volzaligen Verlosser, niet terug naar de Oud-Testamentische ceremoniën en plechtigheden. We nemen Leviticus 23 niet meer tot model. Niet de zienlijke dingen nu. Toen ging het langs den weg der uitwendige dingen tot de inwendige, van de stoffelijke tot de geestelijke. Nu is het geestelijke geopenbaard. De Geest Gods is uitgestort. En daarom zullen we naar het hoogere moeten staan, om te kennen dien God, van Wien de Heiland gezegd heeft: „God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid!" 't Gaat er nu om, dat we een Heere ontmoeten in Christus, om vrede en zaligheid te genieten door den Heiligen Geest. En dan kunnen ons trompetten en bazuingeklank hinderen; dan kunnen spijzen en dranken niet ons hoogst begeeren zijn aan den feestdisch; dan gaat het om Geest en leven. Dan is ook de schoonheid en pracht van de natuur niet 't geen we begeeren. Dan is 't: „Wien heb ik nevens U omhoog?" Dan is 't: „bij U, Heere, is de levensbron, Uw licht doet, klaarder dan de zon, ons 't heuglijkst licht aanschouwen !"
Naar dat licht moet heden ons begeeren zijn. Ons dorsten moet wezen naar den regen des Geestes. „Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest."
Zie eens naar de discipelen, de feestgenooten van den eersten Pinksterdag die onder de Nieuw-Testamentische Bedeeling lichtte. Als de dag van 't Israëlietisch Pinksterfeest, het vreugdefeest der Joden, de blijde dag van de eerstelingen van den binnengehaalden oogst, is aangebroken en Abrahams zonen en dochteren verheugd en blijde zijn bij offerand, bazuingeklank en feestmaal, vinden we de discipelen ééndrachtiglijk biddende bijeen op een afzonderlijke plaats in den tempel, waar zij vergaderd zijn. Zij hebben zich los gemaakt van het vleeschelijk Israël, dat Christus verworpen had en de ceremoniën en plechtigheden in tempel en woning krampachtig vasthield. Zij houden het met Christus en laten den nu ledigen ceremoniedienst los. Dat zal hun de haat en de vijandschap van de Overpriesters en van het volk bezorgen. Die zullen ook hen gaan vervolgen en dooden straks, zooals ze den Heiland hebben gehaat, uitgeworpen en gedood. Maar de discipelen hebben hun hart weggeschonken aan Hem, Die dood geweest is en nu leeft, zittende in den hemel aan des Vaders rechterhand, en hun zuchten en zoeken is, om van Hem te mogen ontvangen nu den Heiligen Geest, opdat de Vader bij hen zou wonen als bij Zijn kinderen en de Zoon onder hen zou verheerlijkt worden en de H. Geest bij hen zou blijven, om hen te troosten en te sterken en te leiden in alle waarheid.
Dat is, hun levensverlangen. Daar bidden, daar vragen ze om. Hun harten en hun handen zijn, één van zin, één in geloof, één in liefde, één in hope, opgeheven naar omhoog.
't Is om jaloersch te worden! „Ze waren allen eendrachtiglijk bijeen", staat er in onze Pinkstergeschiedenis, Hand. 2: 4; nader omschreven in Hand. 1: 14 met deze woorden: „Deze allen waren eendrachtiglijk volhardende in 't bidden en smeeken, met de vrouwen, en Maria de moeder van Jezus en met zijne broeders."
Tot zulk een gemeente komt de Heilige Geest!
Waar het uitwendige, het vormelijke, het wereldsche, het aardsche schade en schande wordt geacht, om de uitnemendheid van Christus, en de gave des Heiligen Geestes biddend wordt begeerd. Waar de liefde regeert en de éénheid in den Christus Gods allen naijver overheerscht; waar gebeden en geworsteld wordt om de inwoning Gods onder de menschen; waar wachtende harten en open zielepoorten zijn, met uitzien naar Boven. Daar wil de Heere wonen. Daar gebiedt Hij Zijn zegen.
Neen, Christus' discipelen wachten niet tevergeefs. Wel moeten ze wachten, dagen en nachten, maar die geloovig mogen wachten, die vertrouwend blijven wachten, die biddend wachten worden door den Heere niet beschaamd; Hij komt. Hij komt gewis; en dan komt Hij als een verrassend God, die boven bidden en denken weet wel te doen.
Dat is het heerlijke van de levensverwachting van Gods kinderen! Ze worden niet beschaamd, 't Mag korter of langer toeven en uitblijven, maar 't komt gewis en dan heerlijk en hemelsch. Terwijl de levensverwachting van de wereld niet komt, altijd teleurstelt en niet verzadigt, niet voor het leven, veel minder voor het sterven! Maar bouwt de wereld op een zandgrond, de gemeente des Heeren staat op een rotssteen. En vertrouwt de wereld op valsche goden, die geen redding kunnen biên, Sion vertrouwt op den Heere, Die nooit beschaamt degenen, die Hem vreezen. Verbeidt dan den Heere, Sionieten; ook als Hij toeft komt Hij; Hij komt gewisselijk! En als Hij komt, komt Hij in Christus, door den Heiligen Geest, heerlijk en zalig, voor leven en sterven beide tot rijke en eeuwige vertroosting. 
De levensverwachting van Sion geeft levensvervulling. Dat is de heerlijke waarheid van ons Pinksferfeest. Want persoonlijk worden ze allen vervuld met den Heiligen Geest. Met kracht daalt de Heilige Geest neer; en „zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest" staat er nadrukkelijk. 
Dat moeten we onderstrepen; want daar gaat het om op dit heerlijke Pinksterfeest. Biddende en smeekende; de levensverwachting van den Heere; Hem aanroepende bij de beloften die in Jezus Christus vastliggen. En dan daalt de Heilige Geest in het hart en komt daar wonen, om met onzen geest te getuigen, dat we kinderen Gods zijn. Om de schatten en lieflijkheden van Sions Borg toe te passen daar van binnen. Om te bepalen 't geen we in Christus hebben, namelijk vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid.
Zonder dat persoonlijk vervuld worden met den Heiligen Geest hebben we niet, wat we moeten hebben ten troost voor leven en sterven. En dat persoonlijk bezit ontvangen we niet, zonder dat bidden en smeeken voor 't aangezichte Gods, met allen die den Heere vreezen, aan al de plaatsen Zijner heerschappij vereenigd. Het reukwerk der gebeden der heiligen moet alom opstijgen naar den hemel. Dan zal nu veel heerlijker gebeuren dan wat onder de Oude Bedeeling geschied is. Toen de tabernakel in de woestijn was opgericht en het gebed van de aarde opsteeg tot God, openbaarde zich de heerlijkheid des Heeren in een buitengewone mate. Volgens Ex. 40: 34 en 35 vervulde 's Heeren heerlijkheid den tabernakel zóó, dat Mozes niet kon ingaan in de tent der samenkomst. De volheid van Gods inwoning liet geen plaats voor den onheilige.
Hetzelfde geschiedde nogmaals, toen op Sions hoogte de tempel was verrezen, die als de vaste woonplaats des Heeren den tabernakel der omzwervingen verving. Nauwelijks was de ark des verbonds in het heilige der heiligen geplaatst of de allesvervullende tegenwoordigheid Gods openbaarde zich andermaal op dezelfde wijze: „En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des Heeren vervulde; en de priesters konden niet staan, om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des Heeren had het huis des Heeren vervuld". 1 Kon. 8: 10 en 11.
En nu komt op Pinksterfeest de heerlijke en volle vervulling van 't geen onder de Oude Bedeeling in die symbolische teekenen was aanschouwd. Uit den dienst der schaduwen treedt nu de werkelijkheid in nooit gekende heerlijkheid te voorschijn.
De Kerk des Heeren is nu, na Jezus' opstanding, immers gebouwd. Het fundament is gelegd, de levende steenen zijn ingevoegd. Daar staat nu het huis Gods voor alle eeuwen en voor alle volkeren. De uitbouw zal nu plaats hebben. En dan stort de verhoogde Heiland den Heiligen Geest uit in het midden van Zijn gemeente, om altijd bij haar te wonen, haar te troosten, haar te leiden in alle waarheid en nimmer haar te verlaten, haar toebereidend als de bruid, aan den hemelschen Bruidegom door den Vader gegeven, om eeuwig bij Hem te wonen.
Iets heel bizonders gebeurde op dat Pinksterfeest. De discipelen werden vol van den Geest Gods, van den Geest der genade en der heiligmaking, van den Geest der liefde en des geloofs. Er bleef geen plaats bij hen voor twijfel noch voor onheilige edachten. Ze zagen niets anders dan de roote werken Gods in Christus, ze dachten ergens anders aan en ze spraken ook nerens anders van. 
En met de uitstorting van den Heiligen Geest is voor al Gods kinderen in beginsel datzelfde gegeven. 
Neen, het buitengewone van 't geen aan de Apostelen op dien buitenewonen dag geschonken is, ontvangen de kinderen Gods nu niet. De Heere kent tijd en plaats en ook degenen die van den eere onderwezen worden kennen tijd en plaats. Een nieuwe „Pinkstergemeente" te stichten, waar men gezichten ontvangt en teekenen ziet en wonderen doet, zal niet anders dan op bittere teleurstelling kunnen uitloopen. Namaak — anders niet!
Maar in beginsel zal Gods volk toch kennen wat de Apostelen in buitengewone mate onder buitengewone omstandigheden hebben ontvangen: de inwoning des Geestes bij Gods kinderen, om te laten zien en hooren van de groote werken Gods. Om bijgebracht bij de schatten en rijkdommen van Sions Borg en Middelaar, te mogen ontvangen wijsheid en gerechtigheid en heiligmaking met eene volkomen verlossing.
Hier slechts ten deele. Hier is de Heere nog niet alles in allen. Wat in Jeruzalem in de opperzaal geschiedde is een profetie van 't geen in den hemel eenmaal zal worden aanschouwd. En naar dien heilstaat gaat het harte van Gods volk uit. Hier nog die verdeeldheid, hier nog die gebrekkigheden, die zonden en die ongerechtigheden. Hier nog dat spreken van zuchten en zorgen, van ellende en smart. Maar in beginsel mag er toch zijn het inleven bij den Heere door den Geest, om uit Christus te ontvangen genade voor genade en niets anders te weten en niets anders te begeeren dan Jezus Christus en dien gekruisigd. Waarbij het vooruitzicht van de komende bedeeling des heils en des Geestes tot troost is in onze harten. De verdorvenheid van ons vleesch, de zondigheid van ons harte is ons dan tot smart. Alles, alles klaagt ons aan voor God. O, wat is het, in onze beste oogenblikken, maar een klein beginsel van de herscheppende genade! Maar straks zullen Gods kinderen, die in Christus gelooven en Hem mogen kennen en liefhebben als hun Borg en Zaligmaker, geheel vervuld worden met den Heiligen Geest. Alles, alles, lichaam en ziel, zal dan geheel en al vervuld worden en vervuld zijn van de heilige en heiligende werking des Geestes Gods. Gansch volmaakt, als geestelijke kinderen, zullen de geloovigen alsdan den Heere dienen in hemel en op aarde.
En dan al de geloovigen zonder onderscheid. Ook hier ontbreekt nog zooveel aan. Niet alleen, dat er zoo ontzaglijk velen van de menschenkinderen niets van dien Geest kennen, niets er van bezitten; ook het niet begeeren; om naar lust en begeerte uit den geest der wereld te leven. Maar onder Gods kinderen is er in deze ook zoo groot onderscheid, dat we nooit kunnen zeggen: en zij waren allen vol des Heiligen Geestes! Die volheid kennen ze niet. En als er iets van volheid gekend wordt, dan zijn het nog niet allen die God vreezen; dan zijn ze nog niet allen eendrachtelijk biddende en nog niet allen vol van de sprake Gods, om te verkondigen de groote werken Gods!
Groote verscheidenheid ook onder Gods kinderen! Veel, veel dat „ten deele" is. Daarom ook die verschillen, dat uiteengaan, dat wandelen in onderscheiden weg en spreken van onderscheiden taal. En ook hier mag geen kunstmatig en geforceerd werk gedaan worden, om wat niet één is en wat onderscheiden ligt, tot één te maken. „Ten deele" geeft de Heere, aan een ieder naar de mate van Zijn heiligen wil. En het zuchtend uitzien van degenen die God vreezen is, om van alle geesteloosheid, van alle dorheid en doodigheid, ook van alle gedeeldheid en verdeeldheid, verlost te mogen worden en in het eeuwige leven straks allen vervuld te mogen zijn met den Heiligen Geest, één van hart en één van zin, heerlijker nog dan in de opperzaal te Jeruzalem op zoo buitengewone wijze toen aan de discipelen geschonken. Die heerlijke toestand is nu nog niet. Zal op aarde ook nooit zoo komen. Maar de toekomst des Heeren sluit deze heerlijkheid in z'n schoot en als Christus straks komt zal Hij al de zijnen tot Zich trekken.
Met de uitstorting van den Heiligen Geest komt ook het spreken en getuigen, opdat Gods roem zal worden verbreid en anderen, van alle geslacht en natie, van den Heere en Zijn Christus zullen hooren.
Gelooven en spreken. Ontvangen en uitdeelen. Getrokken worden in het licht en Gods lof verkondigen. De liefde Gods in onze harten uitgestort en dan in liefde spreken tot anderen, met een liefde die niet afgunstig, maar mededeelzaam is. Dat hoort bij elkaar!
Zonder den Geest missen we den innerlijken drang der ziel. Daarom hebben we den Geest noodig voor ons zelf. We hebben den Geest noodig in onze gezinnen, om te mogen spreken van de werken Gods en Hem aan te prijzen. We hebben den Geest noodig in de kerk, in de school, in ons vereenigingsleven. De Geest des Heeren en de liefde van Christus moet ons dringen en ons dragen en bij ons blijven, daar alleen is 't goed. Dat is de olie in de lamp, dat is het vuur der ziele en brengt de rechte woorden op de lippen.
Dan wordt voor de Kerk het Woord des Heeren ook een blijde boodschap, om in alle talen onder de menschen, onder de volkeren ook, te verkondigen. Want geestelijke menschen zijn zendingsmenschen, door inwendige zending en uitwendige zending, nabij en verre, predikend dien Naam, die onder den hemel is gegeven als de Eenige, door welken de menschen moeten zalig worden.
Zendingsijver, hier en elders, is de vrucht des Geestes. Onder jongen en ouden, rijken en armen moet het Evangelie gebracht. In eigen kring, maar ook in de verte. „Laat ons alom Zijn lof ontvouwen, in Hem verblijdt zich ons gemoed". Inwendig de vreeze Gods en de vreugd des Heeren en dan naar buiten de roem Zijns Naams in alle talen, op allerlei wijze, opdat in de verte en in de nabijheid onsterfelijke zielen in aanraking gebracht mogen worden met dien Christus, Die op aarde is gekomen om te zoeken wat verloren ligt en Zijn volk zalig te maken.
Ook dit is onder ons zoo gebrekkig. Wat ontbreekt er ontzaglijk veel aan ons getuigen, aan ons spreken op alle terrein des levens van 't geen de Heere ons heeft geopenbaard. Wat weinig ijver en liefde, hier en elders. Maar de Heere werkt door. Hij bereidt Zelf den bodem in Indië en hier. Hij treedt door geslotene deuren binnen. Hij zendt Zijn Geest neder en maakt Zijn waarheid bekend. En zoo breidt Gods Kohinkrijk zich uit, waartoe de Heere de prediking hier en elders wil gebruiken en ons werk wil zegenen als 't Zijne.
Zoo gaat ook dat naar het „vol" worden met heil en het „vervuld" worden met den Heiligen Geest. De volkeren zullen Hem loven. De natiën zullen Hem aanbidden. Niet hoofd voor hoofd en mensch voor mensch. Maar de landen zullen zich leeren verblijden in het heil des Heeren en alom zal 's Heeren volk worden toegebracht tot de zaligheid. En dan zullen de goddeloozen worden weggedaan en de aarde zal vol worden van de kennisse Gods, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. Dan zal Christus komen en het zal zijn een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. Dan zal God zijn alles in allen tot in eeuwigheid.
Het Pinksterfeest geeft ons daarvan de eerstelingen, de eerstelingen des Geestes en de eerstelingen van den geestelijken oogst. Van een rijken oogst. Van een vollen oogst. En zoo gaat het dóór, tot de volheid bereikt is.
Door den Geest des Heeren Heeren zal het einde zalig zijn!
M. VAN GRIEKEN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 mei 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's