FEUILLETON
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
Kleine Luijden
SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN '
door IDSARDI.
15)
Met een smak wierp hij de deur open, zoodat de oude linnenkast op haar vermolmde pooten waggelde, en snelde naar buiten, de duisternis in, om zijn wachtenden kameraden zijn verontschuldiging aan te bieden, dat hij zoo laat kwam; maar hij had „oponthoud" gehad, en vervolgens met dezen er op uit te gaan om den ongeorganiseerden den zegen van het Socialisme duidelijk te maken.
't Was al laat, toen Syke dien avond naar bed ging, en zonder te bidden de oogen sloot, 't Leven was zoo zwaar, en zij was zoo moe. O, zoo moe!
Hoofdstuk III.
ONDER BUREN.
„Heb je het al gehoord, buurvrouw?" „Wat?"
,,Dat die vreemde vrouw van laatst, die bij bakker Deelstra onder dak gebracht is, op „de Viersprong" is komen wonen".
,,Op de Viersprong?"
„Zoo ik het je zeg, mensch; in het huis van Rijpkema".
,,Heb je van je leven! hoe kan dat nou. Eigen ingezetene zou vast een weigerend antwoord gekregen hebben, als hij om dit huis vroeg, 'k Weet dat Freerk Zantema alle moeite gedaan heeft voor zijn dochter, die graag trouwen wil, om die kamer te mogen huren, maar het was wèl mis. Men moest haar gebruiken voor bergplaats, en het huis was onbewoonbaar en zou spoedig afgebroken worden, en 't kon wel wezen dat de boer en vrouw in vervolg daar zélf gingen wonen, als een van de kinderen op de boerderij kwam, ja, ik weet niet wat al bezwaren daar tegen werden ingebracht. En daar komt nu zoo'n vreemde springster, men weet niet vanwaar, noch wie zij is, en die wordt zoo maar ingehuldigd. Daar sta je nu toch van te kijken!
„'k Geloof, dat dominé d'r meê achter zit".
„Oo! — ja zie je, als je maar een kruiwagen in 't leven hebt, dan wil het wel rijden, 'k Zeg zoo vaak tegen Doede: zie toch dat je een kruiwagen krijgt, man, dan heb je het veel gemakkelijker en je rolt veel beter het leven door. Maar hij zegt er zoo een niet te kunnen vinden. Hij heeft er wel een, maar dien moet hij zelf duwen, of dat ding blijft staan waar het staat. Onder ons gezegd, 'k heb o zoo'n besten man; Doede zal nooit een cent onnut uitgeven, maar hij is wel wat sullig. Soms kan ik er kwaad om worden als ik er goed in kom. Een ander kan alles, maar wij kunnen nooit wat „omdat het er niet aanzit".
„Ja mensch, je moet maar gelukkig wezen. Maar hoe zou het toch komen, dat dominé, en Deelstra en Rijpkema en al die lui zich zoo voor die vrouw inspannen?"
„Ik begrijp er niks van. Syke Flodder wil er op uit dat zij familie van de bakkerin is, maar dat kan ik me haast niet voorstellen".
„'t Is Syke, en die is in haar eerste leugen niet blijven steken".
„Zeg dat wel; je moet er om lachen als je die hoort. Waar zij het altijd weg heeft, en hoe zij het zoo mooi vóór elkaar krijgt, maar zij weet altijd wat nieuws. 'k Mag ze anders wél. 't Is zoo'n vroolijke Syke in al hare armoede".
„Daarom begrijp ik niet, dat zij zulke dingen van vrouw Deelstra vertelt, want zij heeft daar een goed huis".
„Kan je begrijpen! Maar zij heeft ook geen bepaald verkeerds gezegd. Alleen liet zij zoo uitkomen er meer van te weten, doch alles niet te willen zeggen. Een best huis als zij daar heeft? Zij loopt altijd in de kleeren van de vrouw. Heb je haar Zondag wel in de kerk gezien met den mantel van de bakkerin aan?"
,,Neen, was zij er? Dat mag ook wel in de courant; in den laatsten tijd loopt zij den kerkdrempel niet zwart".
„Zoo ik je zeg en mooi of zij was! De kant hing haar om de handen en de veeren op haar hoedje wezen alle kanten uit".
„Dat zal 't wel; 't is zoo'n flodder".
„Och, zij kan thuis haar pleizier ook wel op, moet je rekenen. Onder ons gezegd, maar Symen is een mispunt. Mooi voor de hand, maar thuis een lastpost. Laatst op 'n avond moet 't er vreeselijk zijn uitgegaan. Syke had den geheelen dag in weer en wind geloopen met haar bollekorf, en toen zij 's avonds thuis kwam, kreeg zij pruttelen toe. Van zelf, toen was het spel gaande. Syke kan zich lang stilhouden, maar toen scheen het over de hooge schoenen te zijn gegaan. Op 't laatst de kinderen schreien, en Syke schreien, en toen is het ten slotte Symen te benauwd geworden en is hij de deur uitgegaan, om eerst in den nacht terug te komen. Nou hij moest mij ook niet vóór hebben. Doede is gelukkig een heel andere man. Hij zegt: als ik het niet verdienen kan is het verloren spel. De vrouw behoort in huis, zegt hij, en daar moet zij zorgen dat alles op orde is. En zoo is het ook. Wat voor een huishouding is het bij Syke. In het geheel geen regel. De kinderen 's avonds laat op straat, en alles vuil en kapot. Natuurlijk, 't kan ook niet anders. Een vrouw heeft maar één paar handen, en als zij 's daags er op uit moet om meê te helpen verdienen, kan het in huis onmogelijk goed gaan. Ik zeg maar: elk op zijn plaats. De man op 't werk en de vrouw binnen de muren".
„Symen verdient ook niet veel, moet je rekenen".
„Neen, hij praat liever. Als hij het niet spreken verdienen kon, dan kwam hij er wel. Is hij verleden week ook niet op een avond bij jullui geweest ?
„Ja, met Sjoerd van Klaas en Aaltje".
(Wordt vervolgd)'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's