De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (19)

7 minuten leestijd

Uit artikel 7 Hoofdstuk IV van de Wezelsche Artikelen van 1568, waar we lazen, dat de Ouderlingen „geen nieuwe wetten zullen invoeren naar eigen willekeur, maar zich houden zullen aan de verordeningen der Kerken en Synodes" bemerkten we, dat onze Gereformeerde Vaderen van stonde afaan gevoeld hebben, dat zoowel de rechten van de plaatselijke Kerk, als de rechten van de gezamenlijke Kerken moesten worden in het oog gehouden. De plaatselijke Kerk moet zich ook weer één weten met de andere Kerken en dus niet eigenmachtig en eigenwillig optreden, maar zich houden aan de verordeningen der Kerken en Synodes!
De gezamenlijke Kerken — staat er — zullen met gemeene stemmen vaststellen, wat in het belang der Kerken zal zijn.
Op de verplichtingen der Ouderlingen, om niet zonder den Dienaar des Woords kerkeraadsvergadering te houden of besluiten te nemen, wordt dan voorts in art. 9 en 10 gewezen. Terwijl in art. 11 staat, dat een Dienaar des Woords, wanneer hij door den Kerkeraad wordt afgevaardigd of aangewezen tot eenig werk, die roeping gewillig zal moeten aanvaarden en volbrengen „bedenkende, dat hij, in den dienst van onzen Heere Jezus Christus zijnde, allerminst z'n eigen meester is".
In art. 13 staat dan voorts, dat de handelingen van den Kerkeraad door een Ouderling moeten worden opgeteekend en dat de Diakenen alle ontvangsten en uitgaven naarstig moeten aanteekenen en aan den Kerkeraad iedere maand, of zoo dikwijls dat overigens noodig zal schijnen, rekening en verantwoording zullen doen.
Over de Diakenen wordt dan in een volgend Hoofdstuk, Hoofdstuk V, afzonderlijk en uitvoerig gehandeld.
Art. 1 zegt: „Het is volgens het getuigenis der Schrift volkomen zeker, dat het ambt der Diakenen hierin bestaat, dat zij de tafelen bedienen, dat is: dat zij den armen in hunne behoeften te hulpe komen en door aalmoezen te verzamelen, hun 't noodige verstrekken".
Wat de wijze van verkiezing der Diakenen betreft, wordt verwezen naar hetgeen in deze gezegd is van de Ouderlingen. Alleen wordt er nu gezegd in art. 2, dat men „bij de onderzoeking" van de geschiktheid der mannen, die voor het diakenambt in aanmerking komen, ,,vooral letten zal op getrouwheid en ijver en zich voornamelijk zal wachten voor hen, die het schandmerk der gierigheid dragen". In alles zal men voorts handelen naar hetgeen Paulus heeft voorgeschreven (1 Tim. 3). 
Art. 3: „Zij behooren ook naarstig hen te vermanen, wier vermogen dit toelaat, dat zij aan de behoefte der Kerk en het gebrek der armen te hulpe komen".
In art. 5 wordt gesproken van twee soorten Diakenen. „Het zal" — zoo staat er — „niet ondienstig zijn, dat vooral in de grootere plaatsen twee soorten van Diakenen worden ingesteld, waarvan 't ééne deel zich zal toeleggen op het verzamelen en uitreiken der aalmoezen en tegelijk zorg zal dragen, dat, zoo daar eenige goederen aan de armen vermaakt zijn, deze op wettige wijze van de erfgenamen afgevorderd en getrouw aan de gelegateerden worden uitgedeeld".
In art. 6 volgt dan: „Het andere deel zal voornamelijk zorg dragen voor de zieken, gewonden en gevangenen; deze Diakenen behooren begaafd te zijn, behalve met trouw en ijver, ook met de gave der vertroosting en eene niet gemeene kennis des Woords; en zij zullen naarstig bij de Ouderlingen navragen, of er in hunne wijken soms ook zieken en zwakken zijn, die vertroosting en opbeuring behoeven". 
In art. 7 wordt dan van het ziekenbezoek nog dit gezegd: „Al wie door krankheid bedlegerig zal zijn, zal door de Diakenen of Ouderlingen aan den Dienaar des Woords zijn ziekte melden, opdat, zoo noodig, deze óf zelf kome en den kranke met Gods Woord vertrooste, óf deze taak overdrage aan de Ouderlingen en Diakenen, wanneer dit hem minder gelegen komt, wegens andere bezigheden, die het gemeene belang raken en van grooter gewicht zijn".
In art. 8 en 9 wordt gesproken over de goede zorg, die er in de gemeente zal moeten zijn ten opzichte van vreemdelingen, die geloovigen zijn.
In art. 10 lezen we: „Op die plaatsen, waar dit gelegen zal komen, oordeelen wij, dat ook vrouwen van beproefd geloof en eerbaren levenswandel en die van gevorderden leeftijd zijn, naar het voorbeeld der Apostelen terecht tot dit diakenambt kunnen aangenomen worden".
Daar staan dus in de Wezelsche Artikelen van 1568 de beginselen van het parochiestelsel of van de buurtgemeenten uitgestippeld!
Daar staat waarlijk ook, dat de vrouw in het midden van de gemeente gebruikt zal kunnen worden, naar het voorbeeld der Apostelen, in het werk der Diakenen en tot het ambt van Diaken zal kunnen en mogen worden toegelaten."
In 1568 — — Onze Geref. Vaderen — — !
En in 1928 zijn er menschen, die zóó over de vrouw, in betrekking tot de Kerk spreken, dat ze minder dan niets wordt geacht. Men betwijfelt, of ze wel onderwijzeres mag zijn, of ze wel op de Zondagsschool mag werkzaam wezen, of ze wel als Wijkzuster, of ze wel als Regentes van Lidmaten- of Weeshuizen mag optreden, of ze wel hulpdienst mag doen bij Evangelisatiewerk, of ze bij den diaconalen arbeid wel mag uitkomen, enz. Heftiger nog strijdt men, of de vrouw, lidmaat zijnde, mee haar stem mag uitbrengen tot het verkiezen van Ouderlingen en Diakenen en het beroepen van predikanten.
En nu hebben onze Gereformeerde Vaderen in 1568 in de Wezelsche Kerkorde bepaald en voorgeschreven: „dat ook vrouwen, van beproefd geloof, naar het voorbeeld der Apostelen" — dus naar uitwijzen van de Schrift — „tot het diakenambt, zegge het diaken ambt, kunnen aangenomen worden".
We zullen er verder nu maar over zwijgen, hoewel we allen voelen, dat we het onderwerp: „de vrouw en de Kerk" nog niet genoegzaam hebben bestudeerd en nog niet tot een eind hebben gebracht in het midden van Christus' Kerk.
Daar valt nog wel wat over te zeggen!
En dan denken we intusschen aan onze Gereformeerde Vaderen van 1568!
In art. 11 wordt gezegd, dat de Diakenen ook zorg zullen dragen voor weduwen en weezen, waar 't noodig is. Bij de Overheid zal door den Kerkeraad, waar 't noodig is, worden aangedrongen, dat aan de rechten van weduwen en weezen niet tekort gedaan wordt, b.v. bij erfenissen, enz.
Dan volgt een belangrijk artikel, dat handelt over wat wij nu zouden kunnen noemen een Commissie van Beheer of wat we noemen een College van Kerkvoogden. Hoort maar:
Art. 12. „Voorts zal het ook noodig zijn, behalve deze Diakenen nog andere goede mannen, die van een beproefd geloof en levenswandel zijn, met voorzichtige keuze bijeen te zoeken, die de bezoldigingen der Dienaren en wat voorts tot het gebruik van den Dienst des Woords noodig zal zijn, verzamelen zullen".
De zorg dus voor de predikants-tractementen. En ook de zorg voor den eeredienst.
Dat moeten niet de predikanten doen, opo niet de Ouderlingen, ook niet de Diakenen. Maar daarvoor zullen andere „goede mannen" bijeengezocht moeten worden.
„Hieronder" — zoo vervolgt art. 13 — „rekenen wij ook datgene, wat betrekking al hebben op de bijeenroeping der Synodes, de afvaardiging, hetzij van de Dienaren, hetzij van eenig ander persoon, waar dit noodig zal zijn, tot noodzakelijke kerelijke bezigheden, evenals alles wat behooren zal tot den bouw der tempels of kerken". 
Zorg dus voor de financiën, wat betreft de onkosten der kerkelijke vergaderingen, met de onkosten voor de afvaardiging van predikanten en andere personen; gelijk ook zorg voor de gelden, als er een nieuwe kerk moet worden gebouwd.
Daarbij wilden onze Gereformeerde Vaderen liefst, blijkens art. 14, dat „in de groote plaatsen de zorg voor de Dienaren afgescheiden worde van de zorg voor de overige dingen".
De zorg voor het predikantstractement, met wat daarmee in verband staat: emeritaatsverzorging, weduwen- en weezenzorg, enz., wilde men dus het liefst in de groote plaatsen, waar dit maar eenigszins mogelijk was, afgezonderd houden van de zorg voor den eeredienst, met kerkbouw, enz.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's