FINANCIËN
Postgiro 138421.
En waar denkt ge nu dat onze vriend uit Z. het nog meer over had?
Ja, dat is voor mij als Penningmeester een heet hangijzer om aan te pakken. Want ziet ge, als Penningmeester van onzen Bond wil ik liefst met alle Bondsleden zooveel mogelijk goede vrienden blijven. In mijn persoonlijk en in mijn ambtelijk leven zeggen ze wel eens dat ik daaraan nooit erg mank heb gegaan. Zij zeggen wel eens — of het waar is, zal ik nu maar in het midden laten — dat ik soms wat meer met de menschen had moeten rekenen. Maar anderen zeggen weer, dat ik daar nu eenmaal geen karakter voor heb. Daarom hebben sommigen misschien hun hart ook wel een beetje vastgehouden, toen mijn medebestuurders mij Penningmeester maakten. Ik wed dat er wel geweest zijn, die toen gedacht hebben: zou hij daar wel plooibaar genoeg voor wezen?
Maar daarom wil ik nu als Penningmeester dan ook maar liefst zoo plooibaar mogelijk zijn, want men zegt wel eens, dat dat toch maar je manier is om de centen binnen te krijgen. En ik wil eerlijk bekennen, als Penningmeester is het mij daarom te doen.
Maar nu heeft onze vriend uit Z. mij gelokt op een terrein, waar voetangels en klemmen liggen. En hij zal het met mij eens zijn dat ik daarom voorzichtig, zeer voorzichtig moet zijn. Dat terrein is het terrein van de radiopreek. O, daar was hij zeker tegen, hard tegen, heel hard tegen, hoor ik u zeggen. Neen, juist niet, daar bleek hij voor, hard voor, heel hard voor te zijn. Hij begon zelfs om te vragen of als er weer een bondspredikant voor de radio sprak, dit dan niet in „De Waarheidsvriend" kon bekend gemaakt worden. Nu, dat is een vraag, die ik persoonlijk heel graag met een „ja, waarom niet" zou beantwoorden, maar als Penningmeester, ziet ge, zou ik immers — hebben we afgesproken — voorzichtig zijn; dus daar zal ik eerst eens met de andere leden van de Redactie en vooral met den Hoofdredacteur over spreken.
Verder beklaagde hij zich er over dat hij de preek, die ik de laatste maal per radio uitzond, zoo slecht had kunnen hooren. Dat was niet zijn schuld geweest en de mijne ook niet, maar door luchtstoringen was het in zijn omgeving alles onduidelijk geweest, zoodat hij met zijn buurman, ook een lezer van „De Waarheidsvriend", teleurgesteld huiswaarts was gegaan en nu mede namens dien buurman den wensch te kennen gaf dat ik die radio-preek als meditatie in „De Waarheidsvriend" zou zetten. Dan konden zij die predikatie, die zij zeer onduidelijk gehoord hadden, nog eens duidelijk lezen. Nu, aan dat verzoek — en dat zal toch zeker wel niemand mij kwalijk nemen — heb ik bij dezen maar voldaan. Ik denk althans als onze vriend de voorpagina van dit nummer opslaat, hij wel tot zijn buurman zal zeggen: daar heb je hem al. Daar waren ook nog anderen, schreef hij, die er om gevraagd hadden. Ik weet niet of die anderen al abonné zijn van ons blad. Misschien is dit anders wel een gelegenheid er een paar abonné's bij te winnen. Verder sprak onze vriend den wensch uit dat er toch meer dominé's voor de microfoon zouden spreken, want, schreef hij:
„wij die zoover af zijn en die haast nooit een bondsdominé hooren, zijn altijd verblijd dat God een middel heeft doen vinden dat de Gereformeerde prediking ook door ons beluisterd kan worden. En daarom laten de Gereformeerde predikanten toch ook in dezen meer op den voorgrond treden en de radiokerkdienstuitzending niet aan anderen overlaten".
Als ik nu geen Penningmeester was en niet in „Financiën" schreef, dan zou ik zeggen: kijk, dat is nou een beschouwing waar ik het van harte mee eens ben. De radio een middel dat God heeft doen uitvinden om Zijn Waarheid bekend te maken. Neen, ik weet ook wel: God de Heere heeft daarvoor de radio niet noodig, maar Hij heeft daarvoor de boekdrukkunst en zooveel andere dingen ook niet noodig. Maar dingen die God niet noodig heeft, hebben wij menschen wèl noodig en wat een voorrecht nu dat de Heere de krachten, die Hij Zelf in de natuur gelegd heeft, door de menschen deed vinden en dat Hij ons die krachten nu wil doen gebruiken om er mee tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk en tot verheerlijking van Zijn Naam werkzaam te zijn. Dat de wereld die krachten misbruikt in den dienst der zonde, behoeft toch voor ons geen reden te zijn om die krachten ongebruikt te laten. Immers dan behoeven we ook geen boek en geen krant meer te drukken. Integendeel, juist dat de wereld die krachten aanwendt in dienst van den vorst der duisternis, moet den Christenen te meer een prikkel zijn om ze dienstbaar te stellen in den dienst des Heeren, die alle dingen, en dus ook deze, om Zijns Zelfs wil geschapen heeft.
Ziet, zoo zou ik spreken als ik geen Penningmeester was en als ik niet in „Financiën" schreef, maar nu ik wel Penningmeester ben en wel in „Financiën" schrijf, moet ik immers een beetje voorzichtig wezen en dus onze vriend uit Z. houdt mij ten goede, dat ik in deze rubriek dat gevaarlijke terrein maar weer gauw ga verlaten. Hij zou immers ook niet graag willen dat er om deze reden bladeren van den „bondsboom" zouden afvallen. We zullen dus maar zeggen: „een ieder zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd".
En gaan we dan nu maar weer over tot opname van de kas.
Maar ja, daar was ik wel bang voor, dat valt niet mee van de week. Wat onze „Financiën" betreft krijgen we met Pinkster in den regel geen „water op het dorstige" en geen „stroomen op het droge". Uit den aard der zaak vloeien die stroomen dan af naar het Zendingsveld. Nu, dat is geen zaak om over te treuren, maar veeleer om ons over te verblijden. Pinkster is nu eenmaal het feest van de Zending, waarop de Kerk des Heeren in beginsel wereldkerk is geworden, en het Evangelie van Gods genade in Christus gehoord werd „van allen volke dergenen die onder den hemel zijn". Op Pinkster gaat, dat spreekt dus vanzelf, het werk van den Gereformeerden Zendingsbond ons boven alles ter harte. Wij hopen, dat de Zendingsdirector in Den Haag zich dus van de week in een milden regen zal verblijden en dat die regen het middel in Gods hand zal blijken tot een voorspoedigen groei van Zijn „wilgen aan de waterbeken". — We hebben het er voor over, dat wij het van de week zonder vette letters doen moeten met de volgende ontvangsten:
N i e u w e T o n g e. Collecte van een spreekbeurt door ds. Rappard van Barneveld, afgezonden door diaken Van den Broek, zijnde een bedrag van ƒ 51.—. Zeker nog wel bedoeld als Paaschcollecte.
O v e r s c h i e, een Paaschgave van ƒ 5 van den heer Jac. Bijl.
V e e n e n d a a l, van ds. v.d. Snoek twee giften van ƒ 2.50, zijnde ƒ 5.—, bij hem ingekomen van twee dames N. N. te Kralingen. Zij schijnen in zijn oude gemeente onzen broeder dus nog niet vergeten.
W a g e n i n g e n, van ds. Van der Wal ƒ 5.—, gevonden in de collecte op Zondag 20 Mei.
L e i d e n, van ds. Beekenkamp een gift van ƒ 1.— voor het Leerstoelfonds van mejuffr. M.
En hiermee ben ik al aan het eind van mijn Latijn. Gij merkt wel, dat ik van de week geen accountant noodig heb. Alles samen een bedrag van ƒ 67.—. Laten we echter ook het kleine niet versmaden en dus eindigen met onzen hartelijken dank ook voor dit eindbedrag.
De Penningmeester, Ds. M. JONGEBREUR
Veenendaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's