MEDITATIE
Eeuwige blijdschap *)
»Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen«Jesaja 35 vers 10 m.
I.
Een kind dezer wereld vormt zich in den regel een heel verkeerde voorstelling van het leven van een kind van God. Dat is ook geen wonder. Immers de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn. Hij begrijpt dus ook niets van het leven dat daar in den dienst des Heeren wordt geleefd.
Maar van iets dat ik niet begrijp, kan ik mij ook eigenlijk geen voorstelling maken of ik maak er mij een verkeerde voorstelling van. Vandaar dat het ook niet te verwonderen is dat de wereld een heel verkeerden kijk heeft op het leven van menschen, die God vreezen.
Maar welke voorstelling heeft de wereld zich dan meestal van den dienst des Heeren gevormd? Zij stelt zich den dienst des Heeren voor als een slavendienst. Zij denkt zich het leven van Gods kinderen als een leven vol droefheid, zonder eenige vreugd. Zij meent dat het leven in den dienst van God een somber leven is; dat menschen die dat leven kennen, de dingen altoos van hun donkerste zijde bezien, menschen met zoo'n echt pessimistische levensbeschouwing. Niet waar, dat is zoo de gedachte, die velen zich hebben gevormd: wie een kind der wereld is mag lachen, maar wie een kind van God is moet weenen; wie een kind der wereld is kan zingen, maar wie een kind van God is moet klagen; wie een kind der wereld is kan het hoofd opheffen, maar wie een kind van God is moet zijn weg bewandelen met gebogen hoofd en wankelenden tred; wie een kind der wereld is heeft zijn feestdagen, dagen waarop hij eens echt vroolijk kan zijn, dagen waarop hij wel eens schatert van pret, maar wie een kind van God is heeft slechts zijn vastendagen, kent niet anders dan dagen van boete en rouw. Kortom, als gij een kind der wereld zijt draagt ge een feestkleed en dan vindt ge het licht gezaaid op uw pad, en als gij een kind van God zijt draagt ge een rouwkleed en dan is de hemel steeds met wolken bedekt.
Zoo denkt de wereld er over. Denkt gij er misschien ook zoo over? Hoort dan van avond dat de wereld het mis heeft en dat het in den grond der zaak juist omgekeerd is. Het woord van onzen tekst, dat u reeds werd aangekondigd, vindt ge:
Jesaja 35 vers 10 m.
»Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen«.
Jesaja is meermalen de evangelist onder de profeten genoemd. En inderdaad, is er een van de profeten in wiens machtig woord een toon van het evangelie van Gods genade in Christus weerklinkt, dan is het zeker de zoon van Amos geweest. Niet het minst in het 35ste hoofdstuk geeft hij ons een duidelijk beeld van Gods Nieuw Testamentische Kerk, zooals die in de volheid der tijden door den Geest van Christus zou worden gesticht. Immers hij spreekt van een tijd waarin de oogen der blinden opengedaan zouden worden, waarin de ooren der dooven geopend zouden worden, waarin de kreupele zou springen als een hert en de tong des stommen zou juichen. Hij spreekt van een tijd waarin in de woestijn wateren zouden uitbarsten en beken in de wildernis, waarin het dorre land tot staand water zou worden en het dorstige land tot springaders der wateren; een tijd waarin daar een verhevene baan zou zijn, een weg welke de heilige weg zou genaamd worden. Op dien weg zouden de dwazen niet dwalen, ook zou er geen leeuw noch verscheurend gedierte op komen. Alléén de verlosten zouden daarop wandelen en de vrijgekochten des Heeren zouden daarop wederkeeren en tot Zion komen met gejuich.
De verlosten en de vrijgekochten des Heeren. Daarover gaat het hier dus. En zeker, ik weet wel, als we deze dingen historisch zouden gaan belichten, dat we daaronder dan zouden kunnen verstaan Israëls ballingen, die eenmaal, als het uur hunner bevrijding zou slaan, weer uit Babel naar Jeruzalem zouden wederkeeren. Maar dat sluit niet uit dat we onder deze verlosten en onder deze vrijgekochten des Heeren ook verstaan kunnen alle degenen die Christus met Zijn bloed heeft gekocht en die Hij uit alle geweld des Satans heeft verlost en die Hij nu zichzelven ten eigendom heeft gemaakt. In geestelijken zin zijn hier dus bedoeld allen die het eigendom van Christus waren, zijn of nog worden zullen; onverschillig wanneer zij leefden, onverschillig wie zij zijn of waar zij wonen, onverschillig waar of wanneer zij nog geboren zullen worden. De verlosten en de vrijgekochten des Heeren dat zijn allen die geschreven staan in het boek des levens des Lams, die hier aan deze zijde des grafs door het geloof Christus ingeplant worden, die dus in Hem leeren gelooven met een waarachtig geloof, die op Hem leeren hopen met een vaste hoop, en die Hem leeren liefhebben met een vurige liefde.
En ziet, op hen allen is nu van toepassing de kostelijke belofte die in ons tekstwoord geschreven staat en die Jesaja in den Naam des Heeren aan alle verlosten verpandt: „Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen". De blijdschap waarvan hier sprake is, is dus de blijdschap die het deel is van alle wandelaars op den weg des behouds. Komt, spreken we achtereenvolgens:
1°. over het droeve gemis van die blijdschap;
2°. over het rijke bezit van die blijdschap;
3°. over het wisselend genot van die blijdschap;
4°. over den bestendigen duur van die blijdschap.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen. Dat wil natuurlijk zeggen: eeuwige blijdschap zal hun deel zijn; eeuwige blijdschap zal als 't ware de kroon zijn die voor hen is gevlochten en die door hen gedragen zal worden. Nu is het natuurlijk van 't grootste belang dat we weten: wie zijn hier met deze kroondragers bedoeld? En dan zeiden we reeds dat daarmee bedoeld zijn de wandelaars op den smallen weg des levens, die door Jesaja genoemd was een heilige weg.
Daarin ligt dus opgesloten dat met deze kroondragers niet bedoeld zijn alle menschen. Immers daar zijn ook vele menschen die hun voeten nog niet op dien heiligen weg gezet hebben, die daarentegen nog wandelaars, reizigers zijn op den breeden weg der zonde en des verderfs.
En dan denk ik aan hen die leven in drieste vijandschap tegen God en Zijn Woord, tegen God en Zijn volk, tegen God en Zijn dienst; aan hen die het met sprekende daden dag aan dag uitroepen: wijk van mij, want aan de kennis Uwer wegen heb ik geen lust. Dan denk ik aan hen die het zoeken in de wegen van zonde en ijdelheid, wier levensdevies geteekend staat in het: laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij. Dan denk ik dus aan hen die den dag des Heeren opofferen aan voetbal en bioscoop, aan de aanhangers van het materialisme, die gelooven dat de mensch gelijk is aan de beesten, die vergaan.
Maar als ik spreek over menschen die hun voeten nog niet gezet hebben op den heiligen weg, dan denk ik ook aan anderen, dan denk ik ook aan hen die geen openlijke vijanden zijn van God en Zijn dienst, die niet ongodsdienstig zijn, die misschien wel tot de alleszins godsdienstigen gerekend kunnen worden, op wier uitwendig levensgedrag wellicht door niemand ook maar een enkele vlek kan worden aangewezen, dan denk ik dus ook aan hen die wel begrepen hebben dat de leer van het materialisme zelfs voor de rechbank van 't denkend verstand niet te rechtvaardigen is en die dus wel gelooven dat er niet alleen dingen zijn die we zien en die tijdelijk zijn, maar dat er ook dingen zijn, die we niet zien en die eeuwig zijn, doch in wier leven de Geest des Heeren nog niet vernieuwend, dus ook nog niet ontdekkend heeft gewerkt, zoodat zij zichzelf ook nog nooit hebben leeren kennen als zondaar voor God en zoodat zij ook nog nooit begeerd, gezocht, gebeden hebben om van hun zonden verlost te worden.
Maar zou er, zoo vraagt ge, ook in het leven van zulke menschen, die dan nog niet wandelen op dien heiligen weg, geen blijdschap bestaan? Zouden zulke menschen dan geen vreugde kunnen scheppen in het leven dat zij van hun Schepper en Formeerder ontvingen, en zouden zij zich niet hartelijk verblijden kunnen in allerlei rijke weldaden die de Almachtige hun schonk? Gij moet maar eens zien hoe blij die moeder is met het bezit van haar kind; hoe blij die vader is over het succes van zijn zoon; hoe blij dat kind is met de kleine verrassing, waarmee ge zijn kinderhand hebt gevuld; hoe blij die jongeling is in de dagen zijner jongelingschap en hoe blij die jongedochter is in de dagen harer jeugd. Gij moet maar eens zien hoe echt blij de mensch dezer wereld kan zijn, hoe hij zich soms kan verheugen en verlustigen om een nietig ding. Gij moet maar eens hooren die stem der vreugde en die stem der blijdschap, die stem van den bruidegom en die stem van de bruid, die nu hier en dan daar weer vernomen wordt. En zoudt gij dan durven beweren dat er in ons leven, in ons aardsche leven, in ons natuurlijk leven geen blijdschap, geen ware blijdschap bestaat?
Wel neen, dat zeggen we niet. Dat zouden we zelfs niet mogen zeggen. Daarvan zijn we te zeer overtuigd, dat we ook in ons natuurlijk leven blij mogen genieten van 't goede dat God de Heere ons schonk. Noemt de Prediker dat zelfs niet een gave Gods? Maar wat we niet mogen vergeten is, dat hier niet van blijdschap, maar wel van eeuwige blijdschap wordt gesproken. En zeg nu zelf maar: is de blijdschap van die moeder, van dien vader, van dat kind, van dien jongeling en van die jongedochter, van dien mensch die zoo opgaat in de genieting van het leven een eeuwige blijdschap? Kom dan straks eens, als die moeder weenend zit bij het lijk van haar kind; als die vader weenend staat aan het graf van zijn veelbelovenden zoon; als dat kind schreiend staat bij de scherven van het geschenk, dat het uit uw handen ontving; als die jongeling en die jongedochter schreiend staan bij de scherven van de idealen, die zij zich van het leven hadden gevormd; als die blijde mensch, die gister zoo vroolijk kon zingen, heden neerzit met een zak om zijne lenden en asch op zijn hoofd. Zeg daarom wel dat er blijdschap, maar zeg daarom nooit dat er in de vergankelijke dingen van dit tijdelijke leven eeuwige, altoos durende blijdschap zou zijn. Immers ook in dezen wordt het Woord des Heeren weer door de ervaring bevestigd, dat buiten den weg dien Jesaja ons hier voorstelt als den heiligen weg, een gemis is van alle waarachtig levensgenot. En dat gemis is een zeer droevig gemis. Want ach, als gij niet anders kent dan de blijdschap over de vergankelijke dingen, als gij niet anders kent dan de blijdschap van hen, die 't ruim genot der wereld voor hun heilgoed achten, dan kent gij een blijdschap die straks in droefheid eindigen zal, dan wordt uw lach straks een traan, dan wordt uw zang straks een zucht, dan reist ge naar de plaats, waar er aan de weening der oogen eenmaal geen einde zal zijn.
Arme wereld, die nog geen kennis hebt aan de blijdschap des geloofs die u hier door Jesaja als een eeuwige blijdschap wordt voorgesteld, ja, het missen van die blijdschap is voor u wel een zeer droevig gemis. En daarom gij, die zoo graag blijde wilt zijn, gij die zoo graag een feestkleed wilt dragen, een feestlied wilt zingen, gij die zoo houdt van een stem van vreugdegezang en lof onder de feesthoudende menigte, o dat er in uw hart nog eens een begeerte gewekt, dat er in uw ziel nog eens een heilige jaloerschheid geboren mocht worden naar die eeuwige vreugde, die eenmaal de kroon van alle verlosten, die eenmaal de kroon van alle vrijgekochten des Heeren zal zijn.
Maar, zegt ge, is het nu wel waar dat inderdaad blijdschap het deel is van alle reizigers naar Zion, van alle wandelaars op den smallen weg des behouds? Schijnt het soms in de practijk des levens, althans aan deze zijde des grafs, niet juist omgekeerd te wezen? Heeft dus de wereld in den grond der zaak geen gelijk, als zij al dat spreken over die eeuwige blijdschap niet anders dan een „wissel trekken op de eeuwigheid" noemt? Spreekt uw Bijbel zelf niet van de treurigen Zions? Als we dan ook het heilig blad opslaan, hooren we dan den een van Gods kinderen niet klagen: ik was uitgeteerd? Hooren we dan een ander niet zuchten: mijn sap werd veranderd in zomerdroogte? Hooren we dan een derde niet kermen: „'k Ben vanwege al mijn zonden, die mij wonden. Vol van kommer en verdriet"? Hooren we dan een vierde niet roepen: „'k Heb mijn tranen onder 't klagen. Tot mijn spijze, dag en nacht"? En al is die kommer en al dat verdriet nu niet in strijd met de eeuwige blijdschap, waarover in ons tekstwoord gesproken wordt, die Jesaja hier aan alle reizigers naar Zion verpandt?
'k Zal het u zeggen in hoever het daarmee in tegenspraak is. Ziet eens, om uw dorst te lesschen moet er een bron zijn, waaruit het water geput wordt dat ge tot lessching van uw dorst behoeft, en er moet een zekere leiding wezen van de bron naar uw lippen; daar moet een middel wezen waardoor gij dus dat water uit de bron in u opneemt. Zoo alleen toch kan uw dorst er door gelescht worden en zal dat water uit de bron u tot verkwikking wezen.
Welnu, zoo is er een bron van vreugde, daar is een bron van die eeuwige blijdschap, waarvan hier door Jesaja gesproken wordt. En die bron ligt niet in u, niet in mij, maar in Christus en door Christus in God. We zongen er van uit den 43sten Psalm: Dan ga ik op tot Gods altaren, Tot God, mijn God, de bron van vreugd. De bron van alle ware blijdschap moeten wij dus zoeken in Christus, in Hem, die de oorzaak van alle droefheid, n.l. de zonde, eenmaal in Zijn eigen lichaam teniet heeft gedaan.
Of denkt gij ook niet, M. H., dat de oorzaak van onze droefheid, van onze smart, van onze tranen gezocht moet worden in onze zonden, in uw zonden en in mijn zonden, in onze persoonlijke en in onze gemeenschappelijke schuld?
O, eenmaal, gij weet het, was het deel van den mensch niet anders dan blijdschap en vroolijkheid. Eenmaal stond de mensch op een plaats waar nooit werd geweend, maar altijd werd gezongen, waar een glimlach van vrede en vreugde over al het geschapene lag, waar de gansche schepping saamstemde in den lof van Gods grooten en driemaal heiligen Naam.
Maar de zonde kwam, en zoodra had niet de zonde den band gebroken die daar in den staat der rechtheid bestond tusschen God en den mensch of het loflied verstomde en de blijdschap van den mensch werd veranderd in droefheid; de zon zijner vreugde ging onder achter de wolken van smart.
Maar gelukkig dat God in de volheid der tijden naar het tranendal dezer wereld Zijn Zoon heeft gezonden en dat die Zoon in een weg van diepgaande smart voor Zijn volk weer vreugde, eeuwige blijdschap verwierf. Ja, de eeuwige vreugde, waarvan Jesaja hier spreekt, zou er nooit geweest zijn zonder Christus, zonder dat Hij haar had verworven in den weg van de meest bittere smart; zonder dat de bange klacht aan Zijn lippen ontlokt zou wezen: „Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe". De bittere tranen van Jezus zijn het goud waaruit de kroon is gevlochten, waarvan Jesaja hier spreekt. Daarom kan ook niemand anders dan Jezus de bron onzer vreugde genoemd.
Maar, gij gevoelt ook wel, zal onze dorst naar vreugde ooit gelescht kunnen worden, dan moet er een middel wezen waardoor dat water uit die vreugdebron tot ons komt. En dat middel, dat groote, dat machtige, dat eenige middel is het geloof, 't waarachtig, levend, zaligmakend geloof. Dat geloof is de geestelijke geleiddraad die alle wandelaars naar Zion aan Jezus verbindt.
En ziet, hoe krachtiger dat geloof nu werkt, hoe meer vreugde daar uit die bron van vreugd geput zal worden en hoe meer geestelijke vreugde daar dus door een kind van God gesmaakt en genoten zal worden.
O, laten we toch altoos bedenken dat het rijke bezit van die eeuwige blijdschap eigenlijk alléén in Christus ligt. Nog eens, ware Christus er niet geweest, die blijdschap zou er ook niet wezen.
Het was waarlijk niet voor niet, dat de engel het den herders in Efratha's velden toeriep: Want ziet, ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal. Het was waarlijk niet voor niet, dat we straks van de wijzen uit het Oosten lezen dat zij in den stal van Bethlehem zich verheugden met groote vreugde. Het was waarlijk niet voor niet, dat we later van de discipelen lezen: de discipelen dan werden verblijd als zij den Heere zagen.
Het was waarlijk niet voor niet, dat we van den kamerling van Moorenland lezen, als hij tot het geloof in Christus was gekomen: „en hij reisde zijn weg met blijdschap", en dat we daarna ook weer lezen van den stokbewaarder van Filippi: dat hij zich verheugde dat hij met al zijn huis aan God geloovig was geworden.
En zoo zouden de voorbeelden uit gewijde en ongewijde geschiedenis te vermenigvuldigen zijn. Maar zeg maar, gij allen die door genade ook tot de wederkeerenden naar Zion behoort, of dat nog niet steeds de ervaring van al Gods kinderen is. Neen, zoolang zij Jezus missen zijn ze niet blij. Zoolang hun oog nog alleen gericht is op hun zonde en schuld vinden zij in zichzelf veeleer stof tot droefheid en smart, „'k Ben door Uwe wet te schenden, Krom van lenden. Vol van druk, benauwd van hart. Neergebogen en verslagen. Moe van 't klagen. Ga ik al den dag in 't zwart". Zoolang zij Jezus missen en zij door het geloof niet geestelijk verbonden zijn aan die bron van vreugd, dan hebben zij hun harpen gehangen aan de wilgen en dan weigert hun stem een lied des Heeren in een vreemd land. Maar als het oog van hun geloof ook voor Jezus ontsloten en op Jezus gevestigd mag zijn, dan is het: „Gij hebt me in 't hart meer vreugd gegeven. Dan and'ren smaken in een tijd. Als zij door aardsch geluk verheven. Bij koorn en most wellustig leven, In hunnen overvloed verblijd.
Ja, als daar maar geestelijk contact met Jezus, met die levende bron van alle waarachtige blijdschap gevonden mag worden, dan verstaan zij wat de dichter van Psalm 97 eens zong :
Gods vriend'lijk aangezicht,
Heeft vroolijkheid en licht
Voor all' oprechte harten
Ten troost verspreidt in smarten.
V. J.
(Slot volgt).
*) Radiopreek, uitgezonden uit de Ned. Hervormde Kerk te Veenendaal op Zondagavond 29 April 1928.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's