De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

7 minuten leestijd

De Doopvragen.
II.
Naast de drie Doopvragen, voorkomend in het Formulier, dat onder ons gebruikt wordt, willen we hier even melding maken van de Doopvragen, die elders wel in gebruik waren. In de liturgie van de Kerk in de Paltz, waaraan Petrus Datheen veel, bijna alles, ontleende, kwamen de vragen niet voor. Na het gebed volgde dadelijk: „Bekent gij ook met mij de artikelen van ons oud, algemeen, ongetwijfeld, Christelijk geloof, waarop dit kind gedoopt wordt: ik geloof in God den Vader, den Almachtige, enz.?
Hierop werd met ja geantwoord, waarna de Doop plaats had. Maar het Formulier van a Lasco had wèl vragen.
Ze luidden als volgt:
„Ik begeer, dat gij mij verklaart:
1. Of die kinderen, die gij aanbiedt, ook zijn het zaad onzer Kerk, opdat zij door onzen dienst hier wettig gedoopt worden?
2. Erkent gij ook onze leer, welke gij van den Doop en deszelfs verborgenheden gehoord hebt, waarachtig te zijn, en dat onze kinderen wel van hunne natuur (gelijk ook wij allen) kinderen des toorns en des doods zijn, maar nu met ons in het Goddelijk verbond (om Christus' wil) begrepen, op Christus' bevel met het zegel van de aanneming Zijner gerechtigheid (ik zeg met den Doop) gewisselijk behooren verzegeld te worden?
3. Ten laatste of gij erkent, dat het uwe en tegelijk de schuldige verplichting van de gansche Kerk is, maar inzonderheid gij vaders, tegelijk met uwe vrouwen, de moeders dier kinderen: dat gij uwe aangeboden kinderen, als zij beginnen op te wassen, in de ware kennis en dienst van God doet onderwezen worden? 
In de Paltische liturgie kwamen de vragen dus niet voor. Bij a Lasco wèl; ook Datheen gaf ze.
Maar de Particuliere Synode van Holland, te Edam gehouden in den jare 1572, bepaalde: „Men kan zonder ontstichting die vragen voorstellen of nalaten". Ook de Synode te Franeker, 1609, liet hier vrijheid (facultatief).
Natuurlijk zou een ideaal-toestand zijn, als er geen vragen noodig waren te doen. Maar een ideaal-toestand hebben we nu eenmaal niet. En daarom zijn de vragen nuttig, ook noodig en de vragen die wij hebben zijn uitnemend geschikt om ze te gebruiken onder ons.
Ook uit de vragen van a L a s c o blijkt, dat de vaders èn de moeders bij de doopplechtigheid — bij de aanvaarding van het Verbond Gods, onder belofte van Christelijke opvoeding, — noodzakelijk tegenwoordig moesten zijn. De peters of getuigen werden door Rome geëischt, maar bij ons niet. (Zie prof. Biesterveld, Het Geref. Kerkboek, blz. 189). De ouders moesten tegenwoordig zijn zoo 't maar eenigszins kon.
Ook aan Micron heeft Datheen gedacht.
In de liturgie van Maarten Micron luidde de aanhef aldus: „Mijne broeders, die dit kind ten Doop zijt presenteerende, gij hebt gehoord, dat de Doop van Christus den Heere is ingesteld, tot een zegel van het Verbond Gods met ons, van hetwelk (n.l. van dat zegel) onze kinderen niet geweerd mogen worden, overmits zij in ditzelve Verbond begrepen zijn. Aangezien dan, dat gij dit kind ten Doop zijt presenteerende, zoo wilt toch dit doen, niet uit eenige gewoonte of eenige superstitie (bijgeloovigheid), maar alleen uit het geloof in de beloftenisse Gods, in Christus Jezus, van ons en aan ons zaad gegeven. En opdat het zeker zij, dat gij uit dit geloof ten Doop zijt presenteerende, zoo wilt mij nu openlijk voor de gemeente betuigen:
1. Ten eerste, wetende dat Christus de Heere den Doop met water heeft ingesteld, om Zijne gemeente daarmede te wasschen: zoo vraag ik u of gij dit kind, dat gij ten Doop zijt presenteerende, een zaad der gemeente, door de kracht des Verbonds Gods, bekent te wezen, denwelken, naar den eisch van onzen dienst, de Doop toekomt, hoewel zij van nature kinderen des toorns en des doods zijn?
2. Bekent gij ook niet, dat het uwer en der ganscher gemeente schuldige plicht is, de voorzeide verborgenheden van den Doop in uw leven tot openbaring te brengen en dit kind, als het tot zijn verstand komen zal, in deze verborgenheden en in de waarachtige kennisse Gods, een iegelijk naar zijn vermogen, te onderwijzen?
Ook hier bij Micron dus: het Verbond Gods, dat aanvaard wordt door de ouders, door het geloof in de beloftenisse Gods in Christus.

In alle Verbonden twee deelen.
Voor velen is niet duidelijk de aanhef van het derde lid van het Doopformulier: „Overmits in alle verbonden twee deelen begrepen zijn".  Met die „twee deelen" weet men dan geen weg. Wat beteekenen die „twee deelen"?
Wanneer we hier naast leggen hoe Datheen het vertaalde, wordt het misschien duidelijk.
Datheen zei: „Maar naardien dat in alle verbonden beide deelen zich met elkander verbinden, zoo beloven wij ook enz." De twee deelen zijn hier dus: God en de doopeling, die zich over en weer, ieder naar zijn aard en wezen, verbondsgewijze verbinden.
God komt naar voren in het Verbond.
De doopeling aanvaardt in geloof en in gehoorzaamheid dat Verbond en belooft in eene nieuwe gehoorzaamheid te zullen leven en wandelen, namelijk „dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en H. Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte enz." Tot welke nieuwe gehoorzaamheid God hem „vermaant" en „verplicht".
Roeping en verplichting van den gedoopte komen hier naar voren.
De Heere zegt: „Ik ben God, de Almachtige" — maar dan zegt Hij óók: „Wandel voor mijn aangezicht en wees oprecht" (Gen. 17 vers 1),
Die oude verbondssluiting Gods met Abraham blijft van kracht ook nu en nog staan de twee partijen zooals vroeger.
De doopelingen liggen onder het woord, door Mozes gesproken: „maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet" (Deut. 29 vers 29).
„En ik zal mijnen Geest geven", zegt de Heere door den mond van Ezechiël, „in het binnenste van u, en Ik zal maken, dat gij in mijne inzettingen zult wandelen en mijne rechten zult bewaren en doen" (Ezechiël 36 vers 27).
Dat is de harmonie des Verbonds: God en Zijn volk.
En geloovig beaamt de ziel het: „wij worden ook weder van God door den Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid". Troostvol wetend: Gods , genade is genoeg. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Oók wetend: Jezus Christus is onze rechtvaardigheid, onze heiligmaking, onze volkomene verlossing. 
„Zoo dan indien iemand in Christus Jezus is, die is een nieuw schepsel: het oude is voorbij gegaan, ziet, het is alles nieuw geworden".

Heilige geestdrift.
Dat is het, waarvan de Modernen spreken op Pinksterfeest. Ds. Westmyse, geprezen onder de Modernen als een redenaar eerste klas, schreef een „Stichtelijk artikel" in „Kerk en Volk" met Pinksteren; en daarin kunnen we het weer bij vernieuwing lezen, dat de heilsfeiten, ons in de Heilige Schrift beschreven, geloochend worden en dat men er andere dingen voor in de plaats schuift. Van de uitstorting van den Heiligen Geest, van het op aarde komen van God den Heiligen Geest tien dagen na de hemelvaart van Jezus — zooals Jezus in de volheid des tijds op aarde is gekomen, geboren in Bethlehem — blijft niets over.
Wat er over blijft is „heilige geestdrift" uit en van den mensch. Heilige geestdrift bij de profeten, bij de zangers, bij de kunstenaars, bij de monniken, bij de wereldreizigers, bij de boekenschrijvers. Heilige geestdrift ook in de rijen der Vrijzinnigen.
Dat is Pinksterfeest! Het Pinksterfeest der Modernen!
Heilige geestdrift, ontleend „aan dien jongen man, die op de gerichtsplaats buiten Jeruzalem met de moordenaren werd gelijk gerekend en die een smadelijken dood stierf; maar zie: het Hoogste Leven is uit dat sterven opgebloeid!"
Heilige geestdrift — zoo worden „visschers en andere eenvoudigen tot apostelen en profeten". En: „ons verkwikt en stuwt verder de heilige geestdrift, die in hen was". Waarbij dan de wensch wordt uitgesproken: „Heilige levensgloed en koene levensdurf kome over velen".
Dat is 't Pinksterfeest van de Modernen! Waarbij schandelijk het Bijbelsch verhaal misbruikt wordt, want men roemt het, als vol „Oostersche beelden", om het intusschen te verwerpen! Dat is de „heilige levensgloed en koene levensdurf" van de Modernen, om te zeggen, dat ze in de Ned. Hervormde Kerk, die de heilsfeiten naar de Schrift wil bewaard en gehandhaafd zien, thuis hooren, terwijl het tegendeel waar is! Waarom gaat men niet met „koene levensdurf" een ander huis bewonen? Omdat de „koene levensdurf" daartoe totaal ontbreekt, bij de met „heilige levensgloed" vervulde Modernen?''

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's