De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Eeuwige blijdschap

12 minuten leestijd

»Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen«Jesaja 35 vers 10 m. 

II.
Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen. We hebben gesproken over het droeve gemis van die blijdschap. De oorzaak dat wij die blijdschap van nature missen bleek de zonde te zijn.
We hebben gesproken, over het rijke bezit van die blijdschap. Het bezit van die blijdschap bleek een vrucht van het zien op Jezus, van het geloof in Jezus te zijn.
Maar nu gaan we in de derde plaats spreken van het wisselend genot van die blijdschap. In dat opzicht toch is het met de geestelijke blijdschap net als met de natuurlijke, met de eeuwige blijdschap net als met de tijdelijke. Daar kan soms iets wezen, niet waar, waar de mensch dezer wereld blij, heel blij mee is; maar zoo'n beker van vreugde kan dan soms gemengd zijn met meer of minder bittere druppels van smart. Misschien hebt gij dat in uw leven ook wel eens gehad; dat daar iets was, een zekere gebeurtenis in uw leven, waarvan de herdenking u stof gaf tot vreugde; maar die vreugde was niet ongemengd. Immers bij alles wat ge nog bezat dacht ge ook aan ernstige en smartelijke verliezen die door u geleden waren. Dan vielen soms tranen van smart in den beker van vreugde. Op die wijze werd dan het licht van uw blijdschap niet zelden eenigermate verdonkerd. En ziet, zoo kan het nu ook zijn met die eeuwige blijdschap die het deel van al Gods kinderen is. Ook het licht van die blijdschap, dat licht dat Gods vriendelijk aangezicht in Christus op den weg van alle reizigers naar Zion werpt, kan wel eens verdonkerd, verduisterd worden. De Zon des heils, die aan de kimme van het leven van allen die God vreezen verrees, kan wel eens voor een wijle schuil gaan achter de wolken. Om het zonder beeldspraak te zeggen: daar kunnen allerlei omstandigheden, daar kunnen allerlei invloeden zijn waardoor die blijdschap veelszins getemperd wordt.
We denken aan twijfel en ongeloof waardoor niet zelden de bron van vreugd aan het geloofsoog van Gods kinderen onttrokken kan zijn. Gij herinnert u aanstonds Elia als hij daar nederzat onder een bremstruik der wildernis en als in moedeloosheid de verzuchting door hem geslaakt wordt: neem nu Heere, mijne ziele, want ik ben niet beter dan mijn vaders. Toen in dien oogenblik was het een wolk van twijfel die de bron van vreugde zelfs aan het oog van dezen geloofsheld onttrok.
Wij denken aan zonden, bijzondere zonden, waardoor ook niet zelden het licht dat voor den rechtvaardige gezaaid is, beneveld kan worden. Gij herinnert u aanstonds David en Petrus. Wat hebben zij door hunne zonden niet een bittere druppelen geplengd in dien beker der vreugde, waarvan zij toch beiden ook reeds met volle teugen gedronken hadden.
We denken aan vele en velerlei beproevingen en verzoekingen waarin de wandelaars op den weg naar Zion gedurig weer geleid worden. Immers het gaat niet altoos even gemakkelijk op den weg die naar Zion loopt. Gij herinnert u aanstonds Jacob. Wat is zijn leven niet een moeilijk leven geweest. Hoe heeft hij het niet moeten uitroepen: al deze dingen zijn tegen mij. En zoo zijn er immers zoovelen die de Heere leidt in wegen van donkerheid en smart. Misschien zijn er ook onder u wel met wie God in tegenheid wandelt. Misschien zijn er onder degenen die mij heden hooren wel menschen die God reeds weken of maanden of misschien zelfs wel jaren aan hun huis of aan hun ziekbed gekluisterd heeft, kranken en lijdenden die gedurig te worstelen hebben met benauwdheden en smarten, die telkens weer gepijnigd worden door al­ lerlei scherpe doornen in het vleesch waarmee God hen geslagen heeft. Misschien zijn er onder degenen die mij heden hooren wel menschen die smartelijke verliezen hebben geleden, die zooveel verloren hebben waaraan een innige band van bloed, en liefde hen bond.
Dan zijn ook zulke verzoekingen en zulke beproevingen de wolken waardoor het licht der blijdschap vaak veelszins verduisterd kan worden. De tranen der smart kunnen niet alleen het lichamelijk, maar ook het zielsoog soms dermate benevelen dat we de bron van alle vreugde, dat wij den Christus niet zien. En ja, dan kan 't wezen, zooals Asaf het in den 73sten Psalm eens zong:
Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet,
Mijn voeten waren in mijn leed,
Schier uitgeweken en mijn treên
Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.
Dan kan het wezen dat we dus weinig genot hebben van die blijdschap, waarvan Jesaja hier spreekt. Dan kan het zelfs zijn dat de vonk van onze blijdschap gevaar loopt gedoofd te worden in de asch van onzen twijfel, in de asch van onze zonde, in de asch van onze vreeze, in de asch van onze smart.
Maar dan is het zoo'n rijke en zoo'n vertroostende gedachte dat de zon door de wolken wel kan worden beneveld en wel kan worden verdonkerd, maar nooit kan worden gebluscht.
En als de Heere straks den wind uit Zijne schatkameren doet voortkomen en de wolken weer wegvaagt dan staat die zon daar nog aan den hemel in ongerepten glans. En zoo is het nu ook met die Zon die niet schijnt aan den hemel, maar die wel straalt in den hemel van Gods eeuwige heerlijkheid. Ook die Zon des heils, die de bron is van alle vreugde, de bron is van allen troost, die de bron is van alle licht, die de bron is van alle heil, die Zon, o zeker, Hij kan door uw ongeloof, door uw twijfel, door uw zonde, door uw vrees, door uw smart, door uw tranen wel voor een wijle verduisterd worden, maar blusschen kunt gij, kan ik die Zon in der eeuwigheid niet.
Straks breekt de zon weer door de wolken en dan is het, zooals de dichter van Psalm 30 eens zong:
Perst eens de bittre tegenspoed.
Des avonds het benauwd gemoed
Tot naar gejammer en geklag:
Nauw rijst des morgens vroeg de dag.
Of God verleent, in plaats van lijden,
Weer stof tot juichen en verblijden.
Zoo is het immers met Elia, met David, met Petrus, met Jacob gegaan. En zoo gaat het met allen die door waarachtig geloof aan de bron der vreugd zijn verbonden. O, dat ons leven dan maar een leven dicht bij de bron, dicht bij Jezus mocht zijn; want hoe dichter bij de bron, hoe dichter bij Jezus, hoe dichter dus bij God, hoe meer vreugde dan ook in wegen van smart door ons genoten zal worden.
Een droef gemis. Een rijk bezit. Een wisselend genot. Maar nu ten slotte willen we ook spreken over den bestendigen duur van die blijdschap, waarvan Jesaja zegt dat zij op het hoofd, dat zij dus de kroon van alle verlosten zal zijn. En dat juist maakt die blijdschap zoo begeerlijk, niet waar. Immers die blijdschap des geloofs dat is nu eigenlijk het eenige dat hier op aarde bestendig is. Anders is er niets bestendig dan de onbestendigheid.
Gij kent wel het bekende lied: ach, wij vinden waar wij staren. Niets bestendig hier beneên. Maar hier hebt ge nu iets dat wel bestendig is. Hier hebt ge nu een bron die in eeuwigheid niet opdroogt, ook als alle bronnen dezer aarde gestopt zullen zijn. Want Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.
Ach een mensch wil hier op aarde zoo graag iets hebben dat bestendig is. Niet waar, dat is de gedachte die zoo telkens bij ons opkomt; kon ik nu maar eens iets vinden dat mij nooit ontvallen zal, dat mij dus ook niet zal ontvallen in de ure des doods. Immers dan weten we, dan zagen we zoo telkens in anderen, dat alles ontvalt. Dan ontvalt ons ons geld en ons goed, hoe krampachtig wij er ons ook aan vastgeklemd hebben. Dan ontvallen ons onze lief­ste betrekkingen, onze beste vrienden, hoe nauw de band ook was, waarmee we ons aan hen verbonden gevoelden. Dan ontvalt ons onze eer, onze betrekking en ons ambt, hoe onmisbaar we wellicht ons zelve en hoe onmisbaar de menschen ons misschien ook gevonden mogen hebben. Als we straks op ons sterfbed zullen nederliggen, en als het angstig doodzweet ons dan wellicht op het voorhoofd parelen zal, dan zullen we niets kunnen medenemen van alles wat hier op de wereld het onze is geweest.
Denkt gij daar wel eens aan? Leeft gij daar wel eens bij? Stelt gij u dat wel eens voor dat dat oogenbhk misschien wel spoedig en eenmaal zeker voor u zal aanbreken dat al het uwe van een ander zal worden, dat dus het woord van den dichter ook aan u in vervulling zal gaan: Wij zien dat 't hun in 't sterven niets kan baten. En dat zij 't al aan andren overlaten. O gij stemt het mij toe: het is zulk een ernstige, zulk een aangrijpende, zulk een ontzaglijke gedachte, niet waar? dat straks de groeve der vertering ook voor ons gedolven zal worden en dat ook ons lichaam daar zal wegzinken in die plaats waar geen verzinning en geen wetenschap is.
Neen, gij beeldt 't u zelve toch niet in dat er dan nog iets zal wezen waardoor uw arme ziel bevredigd zal worden. Immers wat zou het u baten al zou dan de gansche wereld uw eigendom zijn, al zou dan al het genot van deze wereld u worden aangeboden? In al de blijdschap dezer wereld zal dan toch voor uw onsterfelijke ziel geen enkele druppel lafenis zijn.
Alleen de eeuwige blijdschap, alleen die blijdschap waarvan Christus de bron, de grond, het voorwerp is, zij zal u niet ontnomen kunnen worden. Niemand, sprak Jezus eens tot Zijn discipelen, zal die blijdschap van u wegnemen. Dus de dood zal dat ook niet kunnen. Die dood die u anders al zooveel ontnam in uw leven en die u straks nog zooveel meer, ja, ja alles zal ontnemen als uw warme hart door zijn koude hand zal aangeraakt worden, zelfs die dood zal de kroon der eeuwige blijdschap u niet ontrooven kunnen.
Integendeel, die dood zal juist het omgekeerde doen. Immers die dood zal u dichter brengen bij de bron uwer vreugde, die dood zal u dichter brengen bij het voorwerp uwer blijdschap, veel dichter bij die bron en veel dichter bij dat voorwerp dan gij er hier op aarde ooit bij zijt geweest. Of was het hier op aarde niet altoos een wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Was het hier op aarde niet altoos een kennen ten deele en een profeteeren ten deele? Maar straks, als de dood u alles, behalve die blijdschap ontnomen zal hebben, dan zal het wezen een zien van aangezicht tot aangezicht, dan zal het wezen een kennen, gelijk gij ook gekend zijt. Ja, dan zult gij 't ondervinden dat er inderdaad verzadiging van vreugde bij Gods aangezicht is en dat de liefelijkheden in de hand des Allerhoogsten eeuwiglijk zijn.
Ja,
Daar zullen veilig zich vermeien
Die vrijgekocht zijn van den Heer';
De blijdschap zal hun hoofden kronen
En eeuwige vreugd gaat hun ter zij
De vree zal in hun boezem wonen
De smart, de zonde zijn voorbij.
Gelukkig als gij dan ook maar zulk een kroondrager, als gij dan ook maar een deelgenoot van die eeuwige blijdschap zult zijn, als gij dan ook zult behooren tot die feesthoudende schare die door geen ongeloof meer gekweld, die tot geen zonde meer verleid, die door geen smart meer getroffen zal worden, en van wier aangezicht de laatste traan zal afgewischt zijn.
En dat hangt, gij hebt het weer gehoord, hiervan af of gij reeds wandelt op die verheven baan, op dien heiligen weg waarop de verlosten wandelen en waarop de vrijgekochten des Heeren tot Zion wederkeeren. Dat hangt dus hiervan af of gij door een waarachtig geloof Christus toebehoort en gij dus in leven en in sterven Zijn eigendom zijt. Zonder Hem is er geen blijdschap, althans geen eeuwige blijdschap en de blijdschap van dit leven is een blijdschap die eenmaal in droefheid, in weening der oogen en in knersing der tanden eindigen zal. Alleen Christus heeft door Zijn smart de vreugde verworven, alleen Christus heeft door Zijn droefheid de eeuwige blijdschap verdiend.
En waarom is er nu zoo weinig blijdschap niet alleen in het midden der wereld, maar ook vaak in het midden van Gods Kerk? Waarom is er vaak zooveel bekommernis, zooveel angst en zooveel vreeze, zooveel asch en zooveel treurigheid?
Zou het niet zijn omdat er vaak nog zoo weinig is een leven uit het geloof in Christus' volbracht Middelaarswerk? Zou het niet zijn omdat het zoo weinig verstaan wordt: niets, o Jezus, dan uw bloed, Geeft voldoening aan 't gemoed? Zou 't niet zijn omdat we 't nog zoo vaak zoeken buiten die bron die zoo vol is van de vreugde des heils? O, dat wij dan allen begeeren mochten het water onzer vreugde alleen te putten uit die geopende fontein van Christus' Middelaarsbloed. Immers als we door het geloof in die bron van vreugd hier aan deze zijde van het graf leven mogen, zeker, dan kan dat geloof nog wel worden geschud en geslingerd, dan kan de Zon der vreugde telkens nog wel verborgen zijn achter de wolken onzer zonden, en ook achter de wolken van allerlei beproevingen die God over ons bracht.
Maar de Zon zelf kan niet gebluscht, de bron zelf kan niet gestopt. En eenmaal als straks alle wolken van twijfel, zonde en smart zullen weggevaagd wezen en alle vrijgekochten des Heeren in het hemelsche Zion zullen ingeleid zijn, dan zal het inderdaad blijken dat de eerkroon der eeuwige blijdschap door hen gedragen zal worden.
Want 't vrome volk, in U verheugd,
Zal huppelen van zielevreugd,
Daar zij hun wensch verkrijgen:
Hun blijdschap zal dan, onbepaald,
Door 't hcht, dat van Zijn aanzicht straalt,
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Heft Gode blijde psalmen aan:
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan:
Laat al wat wat leeft Hem eeren;
Bereidt den weg, in Hem verblijd,
Die door de vlakke velden rijdt;
Zijn naam is Heer der heeren.
Amen.
V.                                                          J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's