De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

6 minuten leestijd

Postgiro 138421.
Als ge bergopwaarts gaat, dan komt er een oogenblik dat ge het hoogste punt van zoo'n berg hebt bereikt; maar als ge bergafwaarts gaat, dan komt er ook weer een oogenblik dat ge op het laagste punt zijt gekomen.
Nu ging het, toen ik pas Penningmeester werd, met onze Bondsfinanciën steeds bergopwaarts, totdat ik in de tweede week na Paschen het toppunt had bereikt. Maar sinds die week is het steeds bergafwaarts gegaan. Als ik mijn eindbedragen naging, dan werden zij iedere week kleiner. Nu is dat op zichzelf niet erg. Een mensch kan nu eenmaal niet altijd klimmen. Dan komt hij ten laatste veel te hoog te staan. Het is soms o zoo goed dat hij in plaats van beneden naar boven, weer eens van boven naar beneden gaat. Op en neer, zoo is nu eenmaal de gang van het leven en als wij kennis hebben aan de gangen van 't geestelijk leven, dan zullen die twee woorden ook wel in ons woordenboek staan.
Maar die dalende lijn in ons leven mag ook weer niet al te ver worden doorge trokken. Zeker, ik weet wel, in zekeren zin kunnen we nooit te diep dalen; dan moet het altijd blijven een minder worden in onszelve, want hoe minder we worden in onszelve, hoe meer Christus in ons wassen zal en hoe grooter dus God voor ons wordt. Maar in dien zin bedoel ik het nu natuurlijk niet. Als ik in dit verband zeg dat de dalende lijn niet al te ver mag doorgetrokken worden, dan beteekent dat dat alle dingen in ons leven een grens hebben, en zoo is het nu ook met de dalende lijn van onze Financiën. Ik weet niet hoe gij er over denkt, en ik weet natuurlijk nog veel minder hoe God daarover denkt, — en daar zal natuurlijk ten slotte alles wel van afhangen, want Hij weet 't altijd veel beter dan wij — maar ik zou zoo zeggen: met die dalende lijn van onze Financiën kan 't nu wel. Ik houd het er voor dat we nu ver genoeg naar beneden zijn en dat we nu langzamerhand weer eens aan 't klimmen kunnen gaan denken. Kom, wie van de lezers van „De Waarheidsvriend" is dat met mij eens? Laat die mij eens een handje helpen dat ik niet al te diep wegzink, want een mensch kan ook wel eens zoo diep wegzinken dat hij er nooit meer bovenop komt. 
En eerlijk gezegd — — — maar neen, daarvoor ben ik ook niet bang. Ik heb nog wel eenig geloof, dat God daarvoor zorgen zal. Maar we weten en belijden het immers allen, dat de Heere middelen gebruikt en dat Hij daarvoor ook ons wil gebruiken. Welnu dan, laat mijn beroep op de vrienden van onzen Bond dan nu eens niet tevergeefs zijn. Daar zijn er zoovelen van wie ik waarlijk nog wel wat te vorderen heb, want ik kan het nog maar niet vergeten dat er verschillende gemeenten en ook verschillende personen zijn van wie ik nog steeds geen Paaschgift ontving. En nu is Pinksteren al voorbij. Misschien wel een Pinkstergift gegeven met de Paaschschuld nog in uw zak en op uw hart.
Daar is een plaats in ons vaderland, waar men gevoeld heeft dat dat toch eigenlijk niet mocht. Die plaats is Oudshoorn, waar men in de Evangelisatie op 1sten Pinksterdag collecteerde voor den Gereformeerden Bond en op 2 den Pinksterdag voor den Gereformeerden Zendingsbond. Men schreef dat men daarover wel een vriendelijke reprimande van den Zendingsdirector had gehad — en in zekeren zin had hij daarin ook wel gelijk, want die collecte van 1sten Pinksterdag had op 1sten Paaschdag gehouden moeten worden, en daar zou men het nu in 't vervolg ook zien heen te leiden — maar anderzijds verblijdde het mij toch — en dat zal de Zendingsdirector zich ook weer kunnen begrijpen — dat men eerst zijn Paaschschuld afdeed om daarna zijn Pinksterschuld aan te zuiveren. Gelukkig dat men in genoemde Evangelisatie nu wel den rechten kijk heeft op het verband dat daar tusschen Paschen en Pinksteren bestaat en ik hoop dat men niet alleen daar, maar ook in andere Evangelisaties en in andere gemeenten die bij ons hooren, daarmee voortaan rekening zal houden. Ik ontving dus uit
O u d s h o o r n van den heer Kooij, penningmeester der Evangelisatie aldaar, een bedrag van ƒ 43.47, zijnde de Paaschcollecte die op Pinkster gehouden werd, toen ds. Leenmans van Delft daar voorganger was. Verder kreeg ik — gij hebt het al begrepen dat ik van de week weer gauw uitgepraat ben — uit
E r m e l o  van ds. Timmer een dankoffer van ƒ 5.—, eveneens gevonden in de Pinkstercollecte. Dan uit
A m s t e r d a m  van ds. Remme een gift van ƒ 10.—, die men daar ook alweer op Isten Pinksteravond in de kerkcollecte ge­vonden had. Verder uit
Z w o l l e  van H. Hollander, den concierge van het gebouw „Elim", ƒ 2.50; een gift die men ook daar — wanneer stond er niet bij — in de collecte gevonden had. En dan eindelijk nog uit
Z e g v e l d  de maandelijks terugkeerende zending van mijn vriend Bardelmeijer, den inhoud van busje no. 20 over de maand Mei, zijnde een bedrag van ƒ 2.75. O ja, ik zou nog eens nazien of de Kerkeraad daar ook zoo op tijd was geweest met de Paaschcollecte. Daar was immers iemand, die mij daarnaar had gevraagd? Nu, ik heb al een paar keer gezocht, maar het nog niet kunnen vinden. Ik denk haast dat ze wat laat zijn van 't jaar. Maar beter laat dan nooit. In ieder geval, vergeetachtig zijn de Zegvelders niet.
We gaan dus weer aan 't tellen. Ziet ge wel, weer minder dan de vorige maal. Het verschil is wel niet groot weer, maar toch nog ruim ƒ 3.— minder. Een eindbedrag van ƒ 63.72, waar we best mee tevree zijn, en waarvoor we natuurlijk ook weer hartelijk danken, maar waarvan we toch niet minder hartelijk hopen dat het nu het laagtepunt zal blijken te zijn.
De Penningmeester, ds. M. JONGEBREUR.
Veenendaal.

POSTZEGELS, CAPS. EN ZILVERPAPIER.

Ontvangen van:
1°. Rika Dirksen te Homoet en Truitje Baars te Ressen, zilverpapier en 25 st.;
2°. de leerlingen der Christelijke School te Hoornaar zilverpapier;
3°. Anna de Jong, Driebergen, postzegels, capsules en zilverpapier;
4°. Mina van Beest, Monster, zilverpapier en capsules.
Met hartelijken dank en aanbeveling.
Mejuffr. J. DEN HARTOG.
Krommedijk 60, Dordrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's