GEESTELIJKE OPBOUW
DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (20)
Plaatselijk moet men zorg dragen voor de stoffelijke belangen der gemeente, zoowel voor de predikantstractementen als voor den eeredienst, voor de kerkgebouwen enz. En deze financiëele aangelegenheden moeten afgescheiden worden van het ambt. Afzonderlijke Commissie van Beheer, of Kerkvoogden-College dus. „Deze dingen zullen echter", zoo lezen we in de Wezelsche Artikelen Hoofdstuk V artikel 14, „het geschiktst in de Synode kunnen besloten worden, aan welke wij ook de zorg voor de Scholen en haar inrichting overlaten."
Bij deze stoffelijke, financieele aangelegenheden rakende niet de regeering der Kerk, niet het Bestuur maar het Beheer, komt dus ook, volgens onze Geref. Vaderen, de Synode te pas!
't Welk in artikel 15 dan nog nader wordt omschreven; want daar lezen we: „Wat voorts de aanstelling van eenigen penningmeester of quaestor aangaat, het doen van rekening van ontvangst en uitgaaf aan den Kerkeraad en datgene wat verder op deze zaak betrekking zal hebben, zoo behoort iedere Kerk naar ieders gelegenheid en wijze daarover voortaan te beslissen, of althans de Synode in het algemeen iets vast te stellen".
Daar is dus de roeping en het recht van de plaatselijke Kerk, de vrijheid en de verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeente omschreven, maar tegelijk de saamhoorigheid niet uit 't oog verloren en gesproken van de Synode, die in 't algemeen de dingen heeft vast te stellen. Dat zijn mooie dingen, die we ook in onze dagen wel dienen in 't oog te houden!
Om moeilijkheden in zake de financiën en ook gevaren, die op dat terrein dreigen kwaad te doen, zooveel mogelijk te voorkomen in het midden van 's Heeren Kerk, is in de Wezelsche Artikelen van 1568 ook het volgende voorgeschreven: „Wij houden het er echter voor" — wat men te bedenken had bij 't maken van plaatselijke regelingen — „dat het in het geheel niet overeenkomt met het ambt der Ouderlingen, dat hun de uitdeeling en bezorging der kerkelijke goederen, van welken aard zij dan ook mogen zijn, of waar vandaan zij mogen komen, worde toebetrouwd."
Hooyer: Oude Kerkordeningen (1865, Joh. Noman en Zoon. Zalt-Bommel) blz. 32 teekent hierbij o.a. aan: „Het beroep der dienaars moet afgezonderd zijn van de zorgvuldigheid over andere zaken, en het is ook niet het ambt der ouderlingen strijdig gekeurd, dat zij zich zouden onderwinden uit te geven of te bedienen kerkelijke goederen, van wat natuur die ook mochten zijn en waar zij vandaan mochten komen. Zie Wezelsche Artikelen Hoofdstuk V art. 12, 14, 16. Het mag betwijfeld worden of de kerkelijken der Wezelsche vergadering wel eenparig tot deze laatste besluiten hebben medegewerkt. Datheen en Modet hebben althans in Gent en Zierikzee niet getoond, dat zij hun beroep van de zorgvuldigheid over andere zaken poogden af te houden. De consistoriën met hunne ijverige predikanten en ouderlingen, vooral in Antwerpen, dat brandpunt der beweging van 1556, waren in den nood en de verwarring van dat jaar, reeds buiten den kring hunner geestelijke roeping geraakt." Hooyer wijst hierbij naar twee bronnen en wel naar: Nederlands opstand tegen Spanje 1564—1567, van J. van Vloten, hoofdstuk V; en de Consistoriën en het jaar 1566, door M.L. van Deventer, blz. 48 enz.
In ,,de Geref. Kerken" is sinds het besluit van de Synode van Dordt, 1893, deze Con cept-Regeling van het beheer der goederen, fondsen en inkomsten:
„Art. 1. Het beheer van de goederen, fondsen en inkomsten der Geref. Kerk te X blijft onder haren Kerkeraad, die als zoodanig haar bestuurt en vertegenwoordigt en tot welken, voor al wat dit beheer aangaat, ook de diakenen steeds, behooren, maar wordt door dezen opgedragen aan eene Commissie, die den naam draagt van Commissie van Administratie. De alzoo ingestelde Commissie blijft van den Kerkeraad afhankelijk; zoodat deze hare leden niet alleen benoemt, maar ook ten allen tijde weder schorsen of ontslaan kan, en voorts de Commissie zelve weder kan ontbinden, wanneer hij te eeniger tijd het beheer op andere wijze zou willen regelen enz."
Tot de werkzaamheden van die Commissie (die in vele Geref. Kerken met den naam van Commissie van Beheer wordt aangeduid) behoort o.a.: Art. 3 onder letter d. „dat zij telken jare vóór 1 April hare rekening over het vorige burgerlijke jaar aan den Kerkeraad zal toezenden, opdat deze, na eigen onderzoek en na de gemeente gehoord te hebben, door goedkeuring van de rekening de Commissie déchargeere." En onder letter e: „dat zij telken jare, vóór 1 November, een gespecificeerde begrooting van ontvangsten en uitgaven in het volgende burgerlijke jaar aan den Kerkeraad zal toezenden, opdat deze, na eigen onderzoek en na de gemeente gehoord te hebben, door goedkeuring der begrooting de Commissie machtige tot de daarop voorkomende ontvangsten en uitgaven; en dat zij, wanneer in den loop des jaars voor eenige uitgaven overschrijding der begrooting haar noodig voorkomt, hiertoe niet zal overgaan zonder goedkeuring van den Kerkeraad."
Art. 4 luidt: „Het onderhoud van de Kerkelijke gebouwen en goederen wordt in zijn geheel aan de Commissie toevertrouwd, onder deze bepalingen enz."
Art. 5 zegt: „De zorg, dat de Kerkelijke gebouwen met hun toebehooren steeds in goede orde ter beschikking van den Kerkeraad zijn, zoodat voor den Kerkedienst voor catechisatiën en voor kerkelijke vergaderingen de daartoe bestemde gebouwen, lokalen en benoodigdheden steeds gereed zijn, en bij de samenkomsten der gemeente de orde bewaard blijft, wordt in zijn geheel aan de Commissie toevertrouwd, onder deze bepalingen:
a. dat zij aanvragen, om de kerkelijke gebouwen en lokalen, op tijden, dat zij vrij zijn, te mogen gebruiken, telkens door den Kerkeraad zal laten beoordeelen en beslissen enz."
In Art. 6 komt o.a. voor „ de keuze van de leden van de Commissie van administratie is voor het overige niet beperkt, zoodat Kerkeraadsleden en andere gemeenteleden gelijkelijk benoembaar zijn."
Wat de kerkelijke contributie of vrijwillige bijdragen voor de Kerk enz. aangaat zegt art. 14: „Tot verkrijging van vaste inschrijvingen zorgt de Commissie, voor zooveel noodig met de hulp van gemeenteleden: dat allen, van wie iets kan verwacht worden, persoonlijk bezocht en met ernst op hunne roeping in dezen gewezen worden, opdat ten slotte, zoo mogelijk, niemand hunner achterblijve; dat het bedrag der wekelijksche, maandelijksche, driemaandelijksche, halfjaarlijksche of jaarlijksche gift, die zij tot wederopzeggens toe willen afzonderen, wordt opgeteekend, en dat hiervan door den boekhouder der Commissie en door een van hare andere leden lijsten worden aangelegd en bijgehouden; dat voor ieder getal (b.v. een twintigtal) van dicht bij elkander wonende gevers iemand wordt aangesteld, die, voorzien van de noodige volmacht en onder genoegzame controle, de toegezegde giften wekelijks, maandelijks enz. op quitantie van den boekhouder ophaalt, en op de daarvoor vastgestelde tijden tegen ontvangbewijs aan dezen afdraagt; enz.
Aan 't slot van het Concept-Reglement komt nog deze zinsnede voor: „ dat ook in zaken van beheer art. 31 van de Kerkeordening (beroep op de meerdere vergaderingen) voor ieder gemeentelid onverkort blijft gelden."
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's