MEDITATIE
Overwonnen vijanden
Dood! Waar is uw prikkel? Hel! Waar is uw overwinning? De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. 1 Cor. 15: 55—57.
De groote vijand des menschen, de dood, wordt wel voorgesteld als een schrikwekkend ruiter, gezeten op een vaal paard en die met onweerstaanbare macht oprukt tegen het menschelijk geslacht. Vanaf de zonde in 't Paradijs is hij zijn tocht begonnen en hij rent over de geheele aarde, overal verderf brengend, waar hij maar verschijnt. Het menschdom beeft als het zijn komst voelt genaken in booze ziekten of als zijn bode wordt vooruitgezonden in zwakte, ouderdom en slepende kwalen. Siddering vaart door de zielen als in pestilentiën en oorlogen menigten van bloeiende levens worden weggemaaid. De dood is 'n schrikkelijk vijand. Overal waar hij verschijnt viert hij triumphen, en het schijnt wel of hij ten slotte alleen overig zal blijven op een slagveld, waar niet dan verslagenen zullen liggen; want, wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal redden van het graf. Ten slotte zullen allen onderworpen worden aan den dood.
In onze tekstverzen ziet de apostel Paulus den dood als een grimmig monster met een gevreesden angel met doodend gif. Het ondier kruipt ongemerkt naar den mensch en brengt met zijn giftigen angel dikwijls doodelijke steken toe. Triumpheerend treedt Paulus nu dien gevreesden vijand tegen en roept uit: „Dood! Waar is uw prikkel?" Het is uit met uw macht om te verderven en te vernietigen. Gij zijt, o dood! in 't aanzien nog dezelfde; gij zijt nog dezelfde gevreesde vijand, gij hebt nog uw scherpen angel, maar deze mist zijn schrikkelijke, doodelijke werking in zijn steken. Voor een wijle kunt gij nog onder uw macht brengen, maar onder uw macht houden kunt gij niet meer. Zeker, gij hebt den Christus, den Gezalfde Gods, gestoken, dat Hij gestorven is, maar gij hebt Hem toch onder uw macht niet kunnen houden. Hij is ten derden dage opgestaan en heeft uw groote macht over zich verbroken. Gij hebt een sterkere gevonden. Gij hebt uw prooi moeten loslaten. In uw overwinning over den Christus zijt gij zelf overwonnen.
De triumph op de macht des doods staat niet op zich zelf. De overwinning op den dood heeft noodzakelijk een tweeden triumphkreet als gevolg. Hel of graf! Waar is uw overwinning?
Het graf is de kerker, de gevangenis, de plaats der pijniging, waarheen de dood zijn overwonnenen sleept. Dat was het schrikbeeld van den somberen kuil, dat aan degenen, die onder het Oude Verbond leefden, steeds voor oogen zweefde, en waarvan de gedachte den ouden vromen reeds schrik aanjaagde. Somber klinkt het woord van den psalmist, als hij zegt, dat niemand zijn ziel zal redden van het graf. Nooit zegt het graf: Het is genoeg.
Ook de Levensvorst is door den dood meegevoerd en drie dagen gebonden geweest in het graf. Hij, die de opstanding is en het leven, valt onder de macht des doods en zinkt in het graf. Het graf was dus machtiger dan het leven?
Maar de Levensvorst kon door het graf niet gehouden worden. Zelf verbreekt Hij ten derden dage de kluisters van het graf en treedt glorierijk te voorschijn.
Nu is de tweede groote vijand overwonnen. Nu jaagt de dood dien angst niet meer aan. Het graf behoeft niet meer ingedaald zonder hope. Er is bevrijding uit de macht des doods en uit de kluisters van het graf.
Zoo juicht de apostel, wanneer hij ziet op een ledig graf, waaruit een verrezen Heere is opgestaan. En in den geest ziet hij reeds hoe op den jongsten dag allen, die van Christus zijn uit hun geopende graven zullen te voorschijn treden met een verheerlijkt, hemelsch lichaam, om dan voortaan met den Heere in eeuwigheid te mogen leven.
Dood en graf zijn overwonnen. Eén is er, die machtiger is, dan die beide, n.l. Jezus Christus, en degenen, die door den Geest dien Levensvorst hunnen Heere kunnen noemen, mogen in beginsel reeds juichen over hun overwinning over dood en graf. Het eeuwige leven is verzekerd door de opstanding des Heeren Jezus Christus. De erfenis van eeuwig zalig leven is door Hem verworven, en de hope dier heerlijkheid leeft in het hart van allen, die van Christus zijn, erfgenamen Gods en medeerfgenamen van Christus.
***
Vanwaar toch die schrikkelijke vijand, de dood? En waaraan ontleent hij zijn recht en macht om weg te nemen, te verderven en in den kuil te werpen? De dood is niet volstrekt eigenmachtig. Hij is slechts dienaar. Dienaar Gods. En wel een dienaar der gerechtigheid Gods. Hij heeft zijn recht en macht van God verkregen. Wie dus met den dood te doen krijgt, krijgt met God te doen, in zijn recht en macht over den mensch. De dood is slechts uitvoerder van het recht Gods. Het is bitter als die gerechtsdienaar tot de ziel nadert. Want geen ziel wil in het somber graf neerdalen.
Maar, Dood! Waarop is het recht om mij weg te nemen uit het leven dan gegrond? vraagt misschien een ziel. En de Dood legt u vóór Gods wet en doet u daarbij verstaan, dat God u zoo heeft gemaakt, dat alle geboden Gods konden onderhouden worden. Hij toetst het leven der ziel aan Gods geboden en de uitslag van het onderzoek is: tegen alle geboden Gods zwaar en menigmaal gezondigd.
Voorts wordt de vinger gelegd bij hetgeen als dreiging der straf onder de wet geschreven staat: vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der wet, om dat te doen. De ziel, die zondigt, zal sterven. En het oordeel des doods is: gij hebt gefaald in uw leven. Uw leven heeft zijn doel, door God gesteld, geheel gemist. Uw ziel moet haar leven geven, omdat zij het leven gansch heeft misbruikt; inplaats van in dienst des Heeren is het geweest in opstand en afval. De bezoldiging van zulk een leven der zonde is de dood. En de ziel wordt meegevoerd. Niets kan tot verdediging of verontschuldiging worden bijgebracht.
***
Hoe somber is het vooruitzicht des menschen in 't gezicht van den dood als dienaar der gerechtigheid Gods. Er is geen ontkomen. Niemand zal zijn ziel redden, want er is niemand, die niet zondigt. En werkelijk is het van 's menschen kant hopeloos. Is er dan geen uitkomst? Ja. Er is overwinning. Niet door een mensch. Deze is door de zonde alleenlijk onderworpen aan den dood. God heeft een sterken held gegeven, die den strijd tegen den dood heeft opgenomen en gewonnen in een geweldigen kamp.
Die sterke held, de Zone Gods, kwam in gelijkheid des zondigen vleesches op aarde. Hij is in gedaante gevonden als een mensch, maar het was de Zone Gods, schuil gegaan in een mensch. Ook de dood dacht, dat het slechts een mensch was. Te meer, daar God alle ongerechtigheid op Hem had doen aanloopen en Hij tot zonde gemaakt is voor God. Hij droeg de zonde van Zijn volk in Zijn lichaam. Hij leed onder de gevolgen der zonde den ganschen tijd Zijns levens op aarde. Als de dood Hem aanzag, achtte hij, dat deze ook ditmaal zijn prooi zou worden, en hij vangt den strijd aan. Hij laat Hem binden, gevangen nemen, ter dood veroordeelen, geeselen, aan het kruishout nagelen. De dood rukt aan met opgesperden mond. De held geeft den geest en daalt in het graf. Heeft de dood ook dezen overwonnen? Het heeft er aanvankelijk den schijn van. Maar ten derden dage is Hij verrezen uit het graf.
Nu is de dood overwonnen en met nieuw leven treedt de menschelijke natuur te voorschijn uit het graf. De Levensvorst kon door den dood niet gehouden worden, zeker, maar ook geldt het bij de verrijzenis uit den dood: De vader heeft Zijn kind Jezus opgewekt. De rechter heeft zijn dienaar den dood teruggeroepen, aangezien aan zijn eischen van het recht is voldaan. De toorn en de vloek Gods lag op het zondige leven der menschelijke natuur. Dien vloek Gods heeft de Zone Gods, gekomen in de menschelijke natuur, op Zich genomen en bij Zijn dood in het graf gedragen en daar tegelijk met Zijn sterven ook begraven. Tegen Gods kinderen, die in Christus zijn ingeplant en met Hem ingelijfd zijn in dood en opstanding, heerscht nu geen vloek Gods en dood en graf meer. Ze zijn te niet gedaan.
Hoe onuitsprekelijk dankbaar moet 's Heeren volk zijn voor zulk een werk van verlossing uit de macht des doods. Dankbaar aan. den Zoon, dat Hij dat werk volbracht heeft. Dankbaar ook aan den Vader voor de onuitsprekelijke gave Zijns Zoons, die moest overgegeven worden tot den vloekdood des kruises.
De schrikwekkende macht des doods is nu gebroken. Het graf is geen graf meer, maar rustplaats voor het stof tot den grooten dag der opstanding. O, groote dag der heerlijkheid van Jezus Christus. Mocht ik deelen in uw zalige vreugde. De uiterste hoeksteen, van het Godsgebouw, dat in eeuwigheid zal rijzen, n.l. Jezus Christus, is gelegd. Naar Gods gemaakt bestek zal het rijzen. Steen na steen zal toegevoegd worden.
Zult gij toegevoegd worden? Alleen, wie met Hem lijdt onder toorn en vloek Gods over eigen zonde en schuld tegenover God, zal ook met Hem verheerlijkt worden. Wie met Hem één plant geworden, is in de gelijkmaking Zijns doods, zal het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding.
Genemuiden. A. LUTEIJN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's