KERKELIJKE RONDSCHOUW
Nog eens: de Groote Synode.
In de „Rotterdamsche Kerkbode" schrijft dr. Callenbach en in het „Evangelisch Zondagsblad" schrijft prof. dr. C.G. Wagenaar over „de Groote Synode".
We willen uit beide artikelen hier wat overnemen tot nadere oriënteering van de zaak, waarom het op de Classicale Vergadering van Woensdag 27 Juni gaan zal. We zouden, in zekeren zin, kunnen zeggen: 't zijn stemmen uit het midden der Ethischen en der Evangelischen.
Dr. J.R. Callenbach schrijft dan ongeveer aldus: „Van meer belang dan de uitbreiding van het aantal leden is, dat dit voorstel den band tusschen de Kerk en haar Synode versterkt. Dit geschiedt door de verkiezing der Synodeleden, die tot nog toe vrijwel e e n g e h e i m e h a n d e l i n g w a s t u s s c h e n d e m u r e n v a n d e v e r g a d e r z a l e n d e r P r o v i n c i a l e K e r k b e s t u r e n". (Spatieering van ons. Red. W.).
„Die band wordt, meer nog dan door de verkiezingen, aangehaald door de bepaling, dat, in een Classicale Vergadering, de afgevaardigde ter Synode verslag doet van hetgeen daar is geschied. De vertegenwoordigers der gemeenten blijven daardoor op de hoogte van den gang van zaken".
Kunnen — zouden we zeggen — den afgevaardigde, ook al zou hij met den Prins van Oranje den naam „de Zwijger" gemeen hebben, dan ook iets vragen, of met hem over een en ander spreken in het midden van de Classicale Vergadering, waar de kerken uit de Classis vergaderd zijn.
„Een veel bestreden voorstel is, dat de Synode in den regel slechts om de twee jaren samenkomt — zegt dr. Callenbach — en hij noemt dan de bekende bezwaren als: 1. het contact, dat men wil bevorderen, wordt weer verzwakt; 2. het werk hoopt zich te veel op; 3. de zittingen zullen daardoor (om de twee jaar) te lang duren; 4. een belangrijke tuchtzaak kan daardoor zéér worden gerekt, en 5. de Synode legt, door die regeling, te veel bevoegdheden in handen van commissies.
„Deze bezwaren" — schrijft dr. C. — „lijken mij overdreven. 'k Zal niet ontkennen, dat zij bestaan, maar zoo erg, als 't wordt voorgesteld, is 't niet. Voor 't eerste bezwaar voel ik niets. Het bezwaar, dat het werk zich te veel ophoopt en daardoor de zittingen te lang zullen duren, wordt voor een goed deel opgeheven door de bepaling dat, als de Synode niet zit, velerlei werkzaamheid wordt verricht door commissies.
Is dat zoo bedenkelijk?
Wat de commissie voor de rechtspraak betreft, die kan nooit een eindbeslissing nemen. Bij vernietiging moet zij een zaak naar een ander bestuur verwijzen. Nam zij een beslissing in hooger beroep, dan wordt de zaak door een hooger bestuur nog weer geheel behandeld. Gaf zij een beslissing in eersten aanleg, wat zeer zelden voorkomt, dan is er hooger beroep en herziening mogelijk. Men moge tegen deze commissie bezwaar hebben, toch bedenke men wel, dat haar invloed niet groot is.
Bedenkelijker is, dat een tuchtzaak lang kan worden uitgesteld. Maar dat geldt alleen van tuchtzaken, die in eersten aanleg komen bij een Provinciaal Kerkbestuur en dat zijn er weinig. Mocht het eens voorkomen, dat zulk een zaak bij de Synode zou komen om revisie en dat er vooreerst geen vergadering in uitzicht is, dan zou de Kerk maar eens de kosten moeten dragen van een extra zitting.
De weg, waarlangs nieuwe bepalingen tot stand komen, geeft bovendien alle hoop, dat de Synode van een massa tijdroovend en nuttelooswerk wordt ontheven.
Hoe dikwijls is het niet gebeurd, dat de Synode gezwoegd had op nieuwe voorstellen en dat de Synode van het volgende jaar 1/10 van het werk maar goedkeurde? De oorzaak lag, niet het minst, daarin, dat de Synode, zonder eenige voorbereiding dikwijls, een wijziging voorloopig aannam. Daarna werd zij pas besproken in 't openbaar en werden vaak zeer gegronde op- en aanmerkingen te berde gebracht. Dit alles kan nu geschieden vóór de Synode bijeenkomt. Verplichte adviezen van de Kerk, ongevraagde adviezen van particulieren en bladen zijn dan ingekomen en de Synode kan daarmede winst doen; ook ter bekorting harer vergaderingen".
,,Een moeilijkheid ligt voor mij in de taak van de commissie voor de wetgeving. Zij ontvangt allerlei voorstellen. Daaronder zullen zijn wijze, maar ook dwaze. Naar art. 12 moet de commissie voor de wetgeving deze voorstellen nader voorbereiden en ze daartoe toezenden aan de Classicale Vergaderingen en Provinciale Kerkbesturen om consideratie en advies. Deze adviezen worden verzameld door de Provinciale Kerkbesturen en toegezonden aan de commissie voor de wetgeving, die ze door de Synodale Commissie overbrengt bij de Algemeene Synode.
Maar wat die commissie voor de wetgeving hier te doen heeft, dat kan een secuur klerkje evengoed en beter doen. 't Is maar ontvangen, laten drukken, terug ontvangen en voortzenden. De bedoeling schijnt te zijn, doch dan zou er moeten staan niet „daartoe", maar „daarna", dat de commissie voor de wetgeving de toegezonden voorstellen brengt in reglementairen vorm nagaat welke wijzigingen in andere reglementen het gevolg er van zullen zijn, enz. Moet ze dat ook doen van een wijziging, die zij te dwaas acht om los te loopen?
Of haar taak is klerkenwerk en daarvoor neemt men geen menschen, die belangrijk werk hebben te doen, uit hun arbeid, of haar taak is zeer verantwoordelijk, maar daarvan blijkt niets uit het reglement.
Een ander bezwaar is, dat bij de commissie voor de rechtspraak niet is bepaald, dat een zitting slechts wettig is, als vijf leden tegenwoordig zijn. Naar den gewonen regel van 2/3 zou een zitting wettig kunnen zijn als vier leden aanwezig waren. Dit is bedenkelijk, daar het te licht aanleiding kan geven tot het staken van stemmen".
„Eén ding is er, dat, zonder twijfel, velen zal hinderen. Het vetorecht van de gezamenlijke stemmen der Provinciale Kerkbesturen blijft. Dat wil dus zeggen: een wetsbepaling is ingediend, is door de commissie voor de wetgeving verzonden, de Kerk heeft in meerderheid gunstig geadviseerd; de Synode van 45 heeft, na ernstige beraadslaging, de nieuwe bepaling goedgekeurd. Dan gaat ze nog eens naar de Provinciale Kerkbesturen. Die vergaderen op éénzelfden dag, elk in eigen provincie. Zij hooren niet elkaars argumenten; zij stemmen; de stemmen voor en de stemmen tegen van de verschillende Prov. Kerkbesturen worden opgeteld. Is de meerderheid tegen, dan is het voor stel verworpen. Buiten hun kring weet niemand waarom en evenmin wie heeft tegengestemd. Geldt het een wijziging van het Algemeen Reglement, dan is het nog erger, dan kan het gebeuren — en het is gebeurd: — dat 43 leden vóór een voorstel waren, door de Synode aangenomen, door de overgroote meerderheid der Classicale Vergaderingen goedgekeurd, en dat toch werd verworpen omdat 24 leden van Provinciale Kerkbesturen tegenstemden. Want, bij wijziging van het Algemeen Reglement, moeten 2/3 van de stemmen vóór zijn.
Is dat nu niet al te dwaas, dat wat, na ernstig overleg, goedgekeurd wordt door 45 mannen, gekozen door de Classicale Vergaderingen, kan te niet gedaan worden door 67 mannen, door diezelfde Classicale Vergaderingen, alleen in minder juiste verhouding gekozen, en dat terwijl die onderling niet het minste overleg hebben gepleegd en die geheim houden waarom zij dus stemden. Waarschijnlijk hééft men aan dat vetorecht niet durven raken, uit vrees, dat de Provinciale Kerkbesturen dan opnieuw dit voorstel zouden verwerpen.
Als dat zoo is, dan is dat wel een zeer zware blaam op de Provinciale Kerkbesturen. De leden der Classicale Vergaderingen zullen ernstig moeten overwegen, of zij, in de hoop dat 't later nog eens beter wordt, dit reglement zullen goedkeuren, hoewel 't veto-recht blijft, dan of zij zullen zeggen: als dat recht ook bij deze groote wijziging blijft, zitten wij er voor zooveel jaren aan vast, dat wij geen wijziging willen, tenzij dat veto-recht valt".
Tot zóóver dr. Callenbach van Rotterdam.
Nu laten we volgen wat prof. dr. Wagenaar, van Leeuwarden, in het „Evangelisch Zondagsblad" in betrekking tot dit Synodale Voorstel opmerkt:
»Het is te verwachten, dat dit voorstel niet, buiten den partijstrijd om, naar zijn eigen verdiensten beoordeeld zal worden. Ik zou dat betreuren, omdat hier inderdaad een poging wordt gedaan om aan lang gevoelde bezwaren tegemoet te komen«.
»De vraag of door dezen maatregel de belangen van rechts of van links zullen worden gediend en welke partij haar invloed zal versterken, als dit voorstel wet wordt, moet geheel buiten bespreking blijven; immers, niet op opportuniteitsgronden, maar naar het recht der ten grondslag liggende principes moet hier worden geoordeeld«.
»Het punt waar 't op aankomt is te vinden op blz. 7, art. 56 Algem. Reglement. Bestaat onze Synode thans uit 13 predikanten en 6 ouderlingen, of oudouderlingen, gekozen door de Provinciale Kerkbesturen en de Waalsche Réunie, het ligt thans in de bedoeling, dat de nieuwe „groote" Synode zal worden gevormd door 30 predikanten en 15 ouderlingen, gekozen door de Classicale Vergaderingen en de Waalsche Réunie. Het verschil bestaat dus niet alleen in het aantal, maar óók en vooral in de wijze van verkiezing. Dit laatste is zelfs het belangrijkste, omdat men hoopt hiermede nauwer contact te leggen tusschen de Kerk en het hoogste bestuur. Dit streven verdient in elk geval waardeering, ook al zal men over het doeltreffende van de hier aanbevolen middelen van meening kunnen verschillen. Uit zuiver technisch oogpunt bezien is het stelsel aardig gevonden. Elke Classis vaardigt gedurende 2 zittingsperioden een predikant af en dan gedurende één periode een ouderling. Het gevolg hiervan is, dat niemand langer dan 2 perioden achtereen in de Synode zitting kan hebben. Het bezwaar is geopperd, dat een vergadering van 45 leden te groot is om te „werken". Men vreest vermeerdering van academische debatten over allerlei groote of kleine vraagstukken, terwijl de practische voorbereiding en afdoening van de zaken toch aan een kleinere commissie zou moeten worden overgelaten. Het schijnt bovendien onvermijdelijk, dat in een vergadering van deze sterkte enkele vooraanstaande figuren de leiding zullen hebben, wat ik op zich zelf een heel natuurlijk verschijnsel acht en niet eens zoo sterk te veroordeelen. Veel erger vond ik echter, dat deze Synode slechts om het andere jaar zal vergaderen en daarom een belangrijk deel van haar taak moet overdragen, aan de Algemeene Synodale Commissie en een nieuwe Commissie voor de rechtspraak en de wetgeving. In het jaar, dat de Synode niet bijeenkomt, treedt de Algemeene Synodale Commissie zelfs grootendeels in hare rechten. Gevolg hiervan is, zooals ieder begrijpen zal, dat ook in het jaar, waarin de Synode vergadert, de leden van deze Commissies een overwegenden invloed hebben, want zij zijn van den stand van zaken op de hoogte en de andere leden zijn tenslotte van hun advies afhankelijk.
Krijgt men dan niet door een achterdeur weer binnen het oligarchisch spook, dat men zoo juist de voordeur uitgejaagd heeft? Het eenige motief voor dit niet-jaarlijks-vergaderen van de Synode is het financieele bezwaar. Ik kan dat niet in cijfers uitdrukken, *) vermoed zelfs, dat de kosten niet mee zullen vallen, maar ben van meening, dat dit toch voor een lichaam als onze Ned. Hervormde Kerk geen bezwaar mag zijn, vooral niet als er zulke belangen op het spel staan, als hier aan deze kwestie zijn gekoppeld. Een Synode, die om 't andere jaar vergadert, wordt beslist het praatcollege, dat men er van vreest, nog niet zoozeer om het groote getal harer leden, als wel om de eigenaardige werkmethode. Ik zou daarom zeer willen aanbevelen als eerste amendement: de Synode vergadere jaarlijks, en in verband daarmede worde de zittingsduur van haar leden beperkt tot drie jaren, in overeenstemming met die van de andere besturen. De taak van de Algemeene Synodale Commissie kan dan blijven, wat zij thans is. Een Commissie voor Wetgeving en voor Rechtspraak zullen noodig blijven, maar deze laten zich als van zelf in het hier aanbevolen systeem incorporeeren en zullen enkel de werkwijze der Synode vergemakkelijken, zonder ook maar eenigszins in hare rechten te treden«.
Nadat prof. Wagenaar dan gezegd heeft dat hij het „leeken-element" sterker in de Synode zou willen zien vertegenwoordigd, gaat hij verder en zegt:
»Ook zij hierbij nog opgemerkt, dat door dit voorstel de Waalsche Réunie wordt gelijk gesteld met een Classis, terwijl zij nu de rechten van een provincie hééft. Men herinnert zich, dat verleden jaar een voorstel van gelijke strekking door het veto van de Provinciale Kerkbesturen is verworpen en misschien herinneren enkele lezers zich, dat ik toen tegen het voorstel heb gepleit, niet omdat ik principieel bezwaar had, maar omdat in de gevolgde methode zoo kennelijk de bedoeling openbaar werd van het drijven eener rechtsche meerderheid, dat m.i. het recht aan het (vermeend) belang werd geofferd. Toen wilde men de Walen als vierde Classis toevoegen aan de rechtsche provincie Utrecht, waar door hun invloed natuurlijk volkomen geneutraliseerd werd. Dat was toch al te duidelijk! Nu zijn de rechten der Walen echter verzekerd: zij mogen een afgevaardigde naar de Synode zenden. Zeker, zij zijn bij thans vergeleken teruggesteld, maar dat kan ik geen onrecht achten, omdat hun invloed thans in geen verhouding staat tot hun numerieke sterkte. Zelfs onder de Classes zullen de Walen in aantal verreweg de zwakste groep vormen, zoodat een klacht, alsof zij ook door dit voorstel in hun rechten zouden worden bekort, als volkomen ongegrond kan worden afgewezen. Men kan alleen zeggen, dat aan een ongemotiveerde bevoorrechting een einde wordt gemaakt, wat wel eens minder aangenaam voor de betrokkenen kan zijn, maar daarom toch nog niet onbillijk«.
Vooral dat laatste, in betrekking tot de Walen komt ons voor waard te zijn door ieder tweemaal gelezen te worden. We hopen, dat de Walen straks dit gedeelte óók willen lezen en behartigen.
*) Er is gesproken van een vermeerdering van f 10.000.— per jaar. Dat kan bij de tegenwoordige quotisatie toch betaald worden!
Nog een stem vóór.
Niet dikwijls leest men verslagen van 't geen in kerkeraadsvergaderingen behandeld is. Uit het kerkeraadsverslag van Zwolle kwam ons dit onder de oogen:
»In de vergadering van den Bijzonderen Kerkeraad werden de afgevaardigden ter Classicale Vergadering benoemd en de voorloopig aangenomen reglementsveranderingen der Synode besproken. In beginsel gevoelden allen voor een groote Synode, door de Classicale Vergaderingen gekozen, die de Synode dichter bij de Kerk zou brengen. Toch zouden velen alleen kunnen voorstemmen, wanneer er een modus vivendi aan verbonden werd, waardoor de rechten der minderheden in onze Kerk werden gewaarborgd«.
Dus óók Zwolle is vóór. Want de kwestie van rechten der minderheden is een geheel afzonderlijke kwestie. Zoo iets moet van de Groote Synode nu gescheiden blijven, als men de dingen ordelijk wil behandelen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's