De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

9 minuten leestijd

De vrijstelling van de Bedienaren van den Godsdienst.
Het schijnt meer en meer gewoonte te worden dat bij een wijziging van de legerwet, ook al is dit punt heel niet aan de orde, een poging wordt aangewend om de vrijstelling van militaire plichten van de bedienaren van den Godsdienst en de studenten in de godgeleerdheid, of zooals de wet dit uitdrukt, de vrijstelling wegens: „het bekleeden van een geestelijk of een godsdienstig-menschlievend ambt of opleiding tot zoodanig ambt" uit de wet te schrappen.
De eerste maal geschiedde dit in 't jaar 1898 bij gelegenheid van het voorstel tot afschaffing der plaatsvervanging en de invoering van den persoonlijken dienstplicht, toen van liberale zijde in overweging werd gegeven om de regeling betreffende de ontheffing van den geestelijke, den bedienaar van den Godsdienst, enz., van den militairen dienst, welke ontheffing de Militiewet van 19 Augustus 1861 reeds kende, in te trekken.
De tweede maal kwam de zaak aan de orde in het jaar 1911 naar aanleiding van een amendement, ingediend door de Sociaal Democraten, en waarbij een hernieuwde poging werd gedaan om de vrijstelling niet langer te handhaven.
En eindelijk kwam de derde poging de vorige week, eveneens van de zijde der Socialisten, om aan de bevoorrechte positie van de geestelijken en de bedienaren van den Godsdienst in de Dienstplichtwet een einde te maken.
Het is opmerkelijk, dat van den voortdurenden aandrang om de vrijstelling uit de Dienstplichtwet te verwijderen, de overgroote meerderheid van het Parlement nooit iets heeft willen weten.
Laatstelijk nog, gepasseerden Donderdag, stonden de Sociaal Democraten alleen. De eenige, die zich naast deze groep plaatste, was de eenling, ds. Lingbeek, die, wanneer hij zijn antipapisme kan luchten, er zelfs niet tegen opziet de positief geestelijke waarden van een vrijstelling, als de Dienstplichtwet voor de Protestantsche leeraars geeft, op zij te schuiven en die, als dit moet, daarvoor met den communist op stap gaat.
De reden, waarom de vrijzinnigen tegen het schrappen van de vrijstelling uit de Dienstplichtwet zijn, is hierin gelegen, dat zij de ernstige overtuiging van hen — dat zijn de Roomsch Katholieken — die uit godsdienstige overwegingen voor het behoud der ontheffing zijn, ook al achten zij deze overtuiging een dwaling, willen eerbiedigen.
Anders staat het natuurlijk voor de Protestanten. Dezen kennen geen aparten clerus, aan welken afzonderlijke rechten, zooals dit bij de Roomsch Katholieken het geval is, moeten worden toegekend.
Waarom dan de Protestanten tegen de schrapping van de vrijstelling zijn, heeft dr. De Visser duidelijk bij de behandeling van het voorstel der Sociaal Democraten uiteengezet. Dit Kamerlid gaf daarvoor de navolgende redenen aan. Hij zeide:
De eerste reden is deze, dat de ondervinding bij alle oorlogen bewijst, dat er in de natie een zoo groote behoefte aan geestelijke versterking en vertroosting in oorlogstijd bestaat, dat zeker het grootste deel van ons volk, dat in het bijzonder een godsdienstig volk mag genoemd worden, er niet op gesteld zou zijn, wanneer inzonderheid die gemeenten, welke één predikant hebben en die gewoonlijk door de jongste krachten bediend worden, in oorlogstijd van geestelijke hulp zouden verstoken zijn. Indien aan ons volk in zijn geheel de vraag werd voorgelegd, of het, afgescheiden van de quaestie of men een bijzondere positie aan de geestelijkheid wil zien toegewezen, daarmede genoegen zou nemen, dan ben ik overtuigd, dat de meerderheid daartegen positie zou nemen. Want hier geldt niet alleen, gelijk de mobilisatietijd heeft bewezen, dat er in zulke spannende dagen een bijzondere behoefte is om geestelijken steun te zoeken, maar er komen, wanneer de oorlog eens uitbreekt, ieder oogenblik berichten van gevallen zonen, wier ouders geestelijk wenschen vertroost en versterkt te worden. Wanneer dan in de gemeenten voldoende geestelijke hulp ontbreekt, tasten wij een geestelijke waarde in ons volk aan, wat ik niet gaarne voor mijn rekening zou nemen.
In de tweede plaats hebben wij hier, als ik het zoo noemen mag, een historisch instituut, dat van zoo groote waarde wordt geacht, dat men in de geheele 19de eeuw nooit gewaagd heeft het aan te tasten en het is gehandhaafd onder alle Kabinetten, van welke richting zij dan ook mochten zijn. Uit de debatten die wij nu gehoord hebben, blijkt ook weer voldoende dat de beteekenis daarvan door al de fracties, die in deze Kamer het woord gevoerd hebben, behalve door de Sociaal Democraten en den heer Lingbeek, levendig wordt gevoeld.
In de redevoeringen, die ik in 1898 en in 1911 over dit onderwerp heb gehouden, heb ik uitdrukkelijk gezegd: wanneer wij een wet hadden, die den algemeenen dienstplicht voorschreef, zou ik misschien nog eenigszins anders tegenover de zaak staan, omdat deze vrijstelling dan als een onbillijkheid zöu kunnen worden gevoeld, maar wij hebben geen wet met algemeenen dienstplicht. Wij hebben een wet met tal van vrijstellingen, vrijstelling op grond van bróederdienst, vrijstelling op grond van kostwinnerschap, vrijstelling op grond van persoonlijke onmisbaarheid, enz. 
Dat dus ook van Protestantsche zijde op het behoud van de vrijstelling van militaire diensten van de geestelijken, de bedienaren van den Godsdienst en de studenten in de Godgeleerdheid wordt prijs gesteld, geschiedt op grond van de waarden van den Godsdienst, die ons volk, vooral in tijden van oorlog gevoelt, voorts, omdat 't hier geldt de handhaving van een historisch instituut en eindelijk omdat de Dienstplichtwet uit anderen hoofde reeds verschillende vrijstellingen toelaat.
Het is goed, dat de Kamer zich ook dit keer in groote meerderheid bij het historisch gewordene heeft neergelegd.

Nog eens het register.
„De Banier" maakt er ons opmerkzaam op, dat toen wij het register van dat blad raadpleegden en in ons blad van 1 Juni melding maakten dat uit dat stuk bleek, dat op de 52 weeknummers in 69 artikelen een aanval werd gedaan op de Antirevolutionaire Partij, onze telling niet juist was. Het register liep toch — zoo deelt men ons mede — niet over één jaargang, maar over twee jaargangen. Inderdaad is dit zoo; zoodat wij ruiterlijk onze fout erkennen en daarvoor onze verontschuldiging der redactie van „De Banier" aanbieden.
Intusschen is ook gebleken, dat wij bij de telling der artikelen ons ook nog aan den anderen kant vergisten, want 't moesten niet 69 artikelen zijn, waarin de redactie van het orgaan der Staatkundig Gereformeerden het met de Antirevolutionairen aan den stok had, maar 82 artikelen, d.i. dus 41 per jaargang, behalve dan nog de tallooze malen dat in verscheidene andere artikelen de beginselloosheid der Antirevoutionairen door „De Banier" werd aan de kaak gesteld.
Doch ook dit getal van 41 is nog welletjes.
Doet het ons dus leed, dat wij in ons berichtgeven niet geheel juist waren, toch verheugen wij er ons over, dat „De Banier" zich onze fout heeft aangetrokken. Daardoor is op de inhoudsopgave van het blad nog eens de aandacht gevestigd geworden en is het dientengevolge mogelijk dat de minder aangename verhouding tusschen Staatkundig Gereformeerden en Antirevolutionairen betert.
Wij, voor ons, zijn verblijd, dat het register van „De Banier", thans over twee jaargangen, behalve de polemiek, welke ds. Zandt met ons blad voerde, slechts 7 gevallen vermeldt, dat wij met het blad in 't krijt zijn getreden.
„De Banier" doet voorts mededeeling dat in de inhoudsopgave, behalve over de Antirevolutionaire Partij, zich ook wel wat laat vinden over de andere partijen en ook over Rome. Intusschen geeft het blad toe, „dat dat lang zooveel niet is geweest". Wij nemen van deze mededeeling bijzonder acte, omdat daaruit blijkt dat de strekking van ons artikel „Het register" alleszins juist was.
Ten slotte laten wij hieronder volgen, wat „De Standaard" met betrekking tot een klacht ter zake van het verhaal in ons blad, over het geval schreef en waarmede wij geheel instemmen:
Wij zouden meenen, dat 82 aanvallen in 104 nummers nog wel blijk geeft van een eigenaardige mentaliteit bij de Staatkundig Gereformeerde Partij, die aldus het grootste deel van haar strijdkracht benut, niet om de partijen der revolutie, maar om de Antirevolutionaire Partij te bestoken. Wij klagen daarover niet. Onze partij kan een stootje verduren. Een der klagers over het verhaal in „De Waarheidsvriend" erkent, dat de houding van „De Standaard" tegenover de Staatkundig Gereformeerde Partij zuiver is en aan alle bitterheid gespeend. Zoo is het ook. Een ieder drage zijn eigen verantwoordelijkheid. Wij hopen met Gods hulp onze consciëntie zuiver te houden.
Wat wij vragen is een bespreking van beginselen. Wie meent, dat onze partij in dit opzicht feil gaat, toone het ons op grond van het Woord Gods aan. Wij zullen opmerkzaam luisteren.
Maar als wij nu zien, dat het orgaan van de Staatkundig Gereformeerde Partij stelselmatig verzwijgt 't geen onze mannen in de Staten-Generaal zeggen inzake de dingen, die ook haar ter harte gaan; als men ziet hoe zelfs onze strijd inzake de Zondagsrust wordt gekleineerd, en meer van die onbegrijpelijke dingen, dan kunnen wij niet anders dan leed dragen over zulke bitterheid tegen degenen, aan wier zijde men behoorde te staan in den zwaren kamp tegen ongeloof en revolutie.
En aan degenen, die de verontschuldiging aanvoerden, dat de 69 of 82 van soortgelijke aanvallen niet over één maar over twee jaren waren verdeeld, zouden wij de vraag willen stellen: vindt gij dat zoo dan misschien goed? De toekomst zal voor de belijders van den Christus waarlijk niet gemakkelijk zijn. Ongeloof en revolutie treden steeds stouter op. De werkzaamheid van hen, die de fundamenten willen omstooten, wordt steeds feller.
En terwijl zoo de strijd steeds zwaarder wordt, ziet men hef droef verschijnsel dat een partij, die zich zegt te baseeren op de goede belijdenis, geen anderen vijand schijnt te zien dan de Antirevolutionaire Partij, die niet in eigen kracht, maar door de genade Gods in getrouwheid den Koning der koningen wenscht te dienen op het terrein van den Staat.
Tegen zulk een bestrijding hebben wij een enkelen keer gewaarschuwd. Wij deden dit steeds zoo sober mogelijk. Nog altijd hopen wij, dat er inkeer zal komen. Maar zoo niét — wij zullen ons louter tot den strijd over de beginselen bepalen. Ten slotte is het oordeel over ons niet aan den mensch. Ook in ons blad hopen wij onze gedragslijn voort te zetten door met onze polemiek tegen „De Banier" zoo sober mogelijk te zijn en met dat blad alleen principieel van. gedachten te wisselen. De tijden zijn er niet naar om met broeders over allerlei futiliteiten te harrewarren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 juni 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's