FINANCIËN
Postgiro 138421.
Mijn beide kindertjes waren van de week geheel van streek. Zij waren gedurig zoo lastig, dat er was haast geen huis mee te houden. Ik dacht al: wat scheelt er toch aan? Anders waren zij altijd de bedaardheid zelf en nu speelden zij soms op dat het zoo'n aard had. 'k Begreep er eerst niets van, maar eindelijk kwam de aap uit de mouw. Zij hadden gehoord dat zij een zusje gekregen hadden en eindelijk trok de oudste haar stoute schoenen aan en vroeg of dat werkelijk zoo was.
Ik zei: en als dat nu eens waar was, zou je daar dan niet blij mee zijn? Andere kinderen zijn altijd blij als er weer een zusje of een broertje bij is. Zouden jullie dat dan niet zijn? Nou ja, zei de jongste, zoo'n klein ding zou ook wel weer niet onaardig zijn om er eens mee te sollen, maar dan was ik toch de kleinste niet meer, dan was ik toch maar leelijk Benjaminnetje af. Zij had dus blijkbaar het versje al eens gelezen: „Haast ben je niet meer Benjamin". En de oudste, die met den Professof verloofd is, en die dus een heeleboel wijzer en verstandiger is, sprak: „Nou ja, als ideaal is het wel aardig, maar de werkelijkheid, ho maar, dan moet ik er niets van hebben hoor. Daar ben ik veel te groot voor geworden om nu nog ....." Ik dacht: nou, nou, je kunt hooren dat die wel eens komt in kringen waar ze meer letters gegeten hebben. Zulke philosofische gedachten over ideaal en werkelijkheid heeft ze vast niet van der zelf.
Nou ja, zei ik eindelijk, 'k zal het jullie dan maar vertellen. Je hebt geen zusje, maar wel een nichtje gekregen. Stel je dus maar gerust, jullie wordt er niks minder om en blijft precies wat je geweest bent. Maar dat nichtje, ja, die moet nu eenmaal ook door de wereld, die heeft net zooveel recht om er te zijn als jullie, en ik denk als je weet hoe ze heet, dat je der allebei even blij mee bent dat ze der is. — Nou, hoe heet ze dan, vroegen ze allebei tegelijk. Wel, zei ik, ze heet Evangelica, en in dien naam ligt zoo'n beetje opgesloten wat ze is en wat zij wil. Je begrijpt immers wel: Evangelica komt van Evangelie en daar komt Evangeliseeren ook van, en nu wil die kleine Evangelica gaan evangeliseeren. Dat wil zeggen: zij wil het Evangelie gaan brengen niet op plaatsen waar het al is, maar op plaatsen waar het nog niet is. En zulke plaatsen zijn er niet alleen in de heidenwereld, maar ook in ons eigen Vaderland nog zoovele, waar zij eigenlijk heelemaal niet weten wat het Evangelie is.
O, zei de oudste, dan lijkt dat nieuwe nichtje eigenlijk wel wat op ons, want we mogen dan zoo'n mooien naam niet hebben als zij, maar wij zijn er toch eigenlijk ook om het Evangelie. Moeder zegt altijd, dat wij de Waarheid moeten verbreiden en verdedigen, en als ik dan wel eens vraag: welke waarheid, dan zegt ze altijd: wel kind, natuurlijk de Waarheid die ons in het Evangelie is geopenbaard. Goed begrepen, zei ik, dat nieuwe nichtje loopt jullie dus niks in den weg en jullie loopen haar ook niet in den weg. Je moet maar eens gauw kennis gaan maken. Dan zal je eens zien hoe goed jullie het met elkaar vinden zult. En als de menschen in onze Kerk, die het Evangelie al hebben en die er al onder leven, dan zien dat jullie der allemaal zijn en ook allemaal wezen moeten, dan krijg je nog veel meer in je spaarpot dan je nu al hebt. Als dan b.v. iemand jullie vroeger ieder een gulden gaf, dan gaat hij niet zeggen: nu moet er van die twee gulden één derde af voor het nichtje. Neen, maar als hij jullie maar ziet, doet hij er dadelijk nog een gulden, misschien wel twéé gulden bij en van iedere drie gulden krijgt ds. Lans te Suawoudé er dan één voor het nichtje en krijg ik er twee om voor jullie te bewaren.
Nou, als het dan zoo was, zeiden ze allebei, dan vonden ze 't goed. En wij hopen nu maar dat al de lezers van „De Waarheidsvriend" die onze Fondsen steunen, 't zoo ook goed zullen vinden en dat zij om de zusjes het nichtje niet zullen vergeten, maar dat zij ook om het nichtje de zusjes niet zullen benadeelen. Het werk der Evangelisatie moet gesteund, moet krachtig gesteund, maar die steun mag niet verleend worden ten koste van onze Fondsen, die immers beide in zoo grooten nood voorzien.
Maar laten we nu eerst eens zien wat er deze week in den spaarpot gekomen is. We beginnen met een paar N.N.'s.
Eerst kwam er een brief van een zekere NN. waarop het poststempel „Veenwouden" stond, 't Was een brief van een juffrouw, die, naar zij schreef, „een beetje medelijden met me had". Ik dacht: dat overkomt me niet iederen dag dat de menschen met mij medelijden hebben. In dat opzicht ben ik niet verwend. Maar deze juffrouw had het dan een beetje en stuurde me nu ƒ 5.— die ik, naar keuze aan de moeder of aan de dochters mocht geven, 'k Heb het maar aan de dochters gegeven. Verder schreef deze juffrouw: „We zijn gewoon den Penningmeester ieder jaar wat te sturen en u hadt nog geen beurtje gehad. Ik hoop dat er nog heel veel zijn die u nog niets gestuurd hebben in uwe nieuwe functie van penningmeester en nu gaan denken dat het tijd wordt om dat eens te doen". Nu, met dezen laatsten wensch kan ik mij natuurlijk uitnemend vereenigen en 'k zie al belangstellend uit of er nog meer dames of heeren zijn die mij op deze wijze een „beurtje" geven willen.
Dan kwam er nog een brief waarop het poststempel stond van Goes. Deze N.N. schreef dat hij hierbij ƒ 25.— insloot als dankoffer den Heere, met bestemming voor de beide Fondsen en voegde er den wensch aan toe dat bij gelegenheid ook Middelburg eens door de Bondspredikanten mocht bezocht worden.
Verder kreeg ik een schrijven van mevrouw Fliehe, de weduwe van mijn onvergetelijken voorganger. En nu raadt ge in geen tienen wat daarin stond. Mevrouw Fliehe zond mij ƒ 10.—, die zij zelf ook per postwissel had ontvangen met het volgende adres: „Aan Ds. J. C. Fliehe, Pels Rijckenstraat, Arnhem". De broeder die dezen postwissel gezonden had, bleek dus wel zeer slecht op de hoogde te zijn; niet alleen dat hij niet wist dat de man aan wien hij zijn postwissel zond, reeds eenige maanden overleden was, maar ook dat hij hem hield voor een predikant en dat hij hem nog dacht in de Pels Rijckenstraat, een straat, waar hij vroeger wel gewoond heeft, maar die hij bij zijn sterven reeds eenige jaren verlaten had. Nu ja, zegt ge, dat is zeker een eenvoudig man geweest, ergens op een dorp of in een plaatsje op de hei, die nog geen lezer van „De Waarheidsvriend" is. Mis geraden, want de postwissel was afkomstig van een Kerkeraad, niet van den Kerkeraad van een klein dorp, maar wel van den Kerkeraad van een groote stad. En die stad bleek, neen, raden kunt ge het toch niet, 'k zal het dus maar zeggen geen ander dan de stad Dordrecht te zijn. Die Kerkeraad van Dordrecht, had aan zekeren heer J.J.A. van Helden opgedragen ƒ 10.— te zenden „voor de Studiekas van den Geref. Bond", en in plaats dat deze heer, die de klok blijkbaar wel eens had hooren luiden, maar niet wist waar de klepel hing, nu eerst eens was gaan informeeren b.v. bij een man als dr. Severijn of ds. Van Ingen, die hem natuurlijk gaarne volledig zouden ingelicht hebben, had hij op de bonne fooi maar een postwissel naar Arnhem gezonden. We willen hopen dat de Kerkeraad van Dordrecht ons nog heel vaak ƒ 10.— zal sturen, maar zouden toch wel willen adviseeren dat hij dat dan doet door iemand, die zich de moeite getroost even te informeeren naar het juiste adres. Dan kunnen althans zulke blunders, die in gevallen als dit wat pijnlijk aandoen, voorkomen worden. Intusschen blijven we mevrouw Fliehe dankbaar dat zij deze gift, die voor haar niet het minst pijnlijk was, naar het juiste adres heeft doorgezonden.
Maar we gaan verder en ontvingen dan uit
M a s t e n b r o e k een collecte, namens den Kerkeraad aldaar afgezonden door den heer C. Ravenhorst, welke gehouden was bij een spreekbeurt van ds. Kraaij, zijnde een bedrag van ƒ 44.64. Ook deze collecte is zeker nog bedoeld als Paaschcollecte. Als zoodanig zal ik haar allhans maar boeken.
O u d B e ij e r l a n d, van ds. Koolhaas een gedeelte van een gift van ƒ 25.—, bij hem ingekomen van N.N., uit dankbaarheld, ƒ 5.—
V l a a r d i n g e n, van ds. Heijer, gevonden in de collecte wegens het bedanken voor diens beroep naar Ouddorp, ƒ 2.50.
U t r e c h t, van ds. Batelaan van de fam. v.d. B. ƒ 2.— voor het Studiefonds en van N.N. ƒ 1.— voor Leerstoel-en Studiefonds, bezorgd aan het wijkgebouw, tezamen ƒ 3.—.
V r e e s w ij k, van den penningmeester der afdeeling, W. Zeilmaker, de contributie van de Bondsleden aldaar, een bedrag van ƒ 24.—.
Zie zoo, die laatste ƒ 24.— redden me weer, anders was ik ditmaal iets onder de streep gebleven en was ik dus maar matigjes in mijn schik geweest. Maar nu kom ik weer aan een bedrag van
f 119.14
en kan ik er dus weer blijmoedig een punt achter zetten, na een woord van dank aan allen die hiertoe hebben medegewerkt.
De Penningmeester,
Veenendaal Ds. M. JONGEBREUR.
P.S. Nieuwe abonné's 6—20 Juni: Vianen 1. Rotterdam 1. Santpoort 1. Maartensdijk 1. Slikkerveer 5. Arnhem 1.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's