MEDITATIE
Met Vrijmoedigheid
„Beproeft de geesten of zij uit God zijn". Zoo vermaant de apostel Johannes en hij laat er spoedig een kenmerk van den boozen geest op volgen als hij zegt (I, 4: 3) „alle geest, die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den Antichrist". Het is dus duidelijk genoeg, als wij dien geest in ons of in anderen bemerken, dan is die geest niet uit God. In 't algemeen mogen wij dit wel als kenmerk der geesten stellen, dat de geest uit God ook tot God wederkeert, en de geest die niet uit God is, van God afvoert. De boom wordt aan zijn vrucht gekend. Vooral op de vrucht van den geest moet gelet. Nu kan de geest, die niet uit God is, ons wijzen op de barmhartigheid Gods, om ons maar op die barmhartigheid Gods te laten doorzondigen, en diezelfde geest kan ons wijzen op de rechtvaardigheid Gods, om ons van dien rechtvaardigen God te laten wegvluchten. Zoowel het een ais het ander is een bewijs, dat die geest niet uit God is. Die geest deed Kaïn eerst zondigen op de barmhartigheid Gods; het zou toch wel gaan al offerde hij zonder bloedstorting, en die geest deed hem later, ziende op de rechtvaardigheid Gods, uitroepen: Mijne misdaad is te groot dan dat zij vergeven worde. Die geest doet nog de kinderen der wereld maar doorzondigen op de barmhartigheid Gods, want immers: God is liefde, en die zelfde geest tracht Gods aan zichzelf ontdekte kindéren van God te laten wegvluchten, als zij door hem gewezen worden op Zijne volmaakte gerechtigheid. Hij laat hen niets anders hooren dan: ,,Zoo gij, Heere, de ongerechtigheid gadeslaat, Heere, wie zal bestaan!" en hij zoekt voor hen te verbergen wat er op volgt: „Maar bij U is vergeving".
Gansch anders is de vrucht van de werking van den Geest, die uit God is. Laat die Geest de rechtvaardigheid Gods zien, dan doet hij de ziele in aanbidding voor dien rechtvaardigen God neervallen, dan komt zij met zelfveroordeeling dien God in Zijn recht te erkennen; maar laat die Geest aan de ziele iets zien van de barmhartigheid Gods, dan roept zij ui : „Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God?", tegen dien goeden en goeddoenden God.
Nu is het in het bijzonder de list van den boozen geest om Gods kinderen Gods rechtvaardigheid voor te houden, om hen daardoor, indien het mogelijk ware, tot rampzalige wanhoop te brengen. Daarom komt de Heere hen telkens door Zijn Geest en Woord te bemoedigen. Daarom zijn er voor dezulken in Gods Woord zulke sterke vertroostingen, gelijk wij er ook een vinden in Hebr. IV vers 16:
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Dit is in 't bijzonder een woord voor:
1e. onvrijmoedigen;
2e. schuldigen;
3e. hulpbehoevenden.
1e. Voor onvrijmoedigen. De apostel bemoedigt hier de onvrijmoedigen. De vrijmoedigen in zich zelf, de brutalen, de onverschilligen behoeven niet bemoedigd te worden, dat zijn de kinderen der wereld. Zij meenen in hun ijdelen waan alles te kunnen, te mogen en te durven. Gods kinderen daarentegen zijn onvrijmoedig, beschroomd, bevreesd. O zeker, in en door de kracht des Geestes zijn zij moedig als een jonge leeuw en loopen zij met hun God door een bende en springen zij over een muur, maar in zichzelf, in eigen kracht, dan kunnen en durven zij niets. Dan vergaderen zij om de vreeze der Joden achter de gesloten deuren, dan verloochent een Petrus den Heere driemaal. Zij moeten dikwijls klagen, dat de wereld veel vrijmoediger is met de leugen dan zij met de waarheid Dit weten ze ook van elkander; daarom baden de kinderen Gods voor de dienstknechten: Heere, geef uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken (Hand. 4 vers 29) en vermaant de apostel de Hebreen (10 vers 19): werpt uwe vrijmoedigheid niet weg.
En waarom is er bij hen zooveel onvrijmoedigheid? Omdat zij hunne zwakheid, nietigheid en geringheid kennen. „In mij is geen kracht", moeten zij telkens uitroepen. „Wie ben ik", zoo zuchten zij. „Wee mij, ik verga", zoo kermt zelfs een Jeaja, de koninklijke profeet, „dewijl ik een man van onreine lippen ben". Jeremia durft weer niet omdat hij zoo jong is. Het is vooral het gezicht op hunne zonde en schuld, waardoor zij alle vrijmoedigheid missen om tot menschen of tot den Heere te spreken. Door het gezicht daarop miste David die ook, totdat hij bad: „Heere, uw vrijmoedige geest ondersteune mij, dan zal ik den overtreders uwe wegen leeren". Van dat alles hebben de geveinsden geen last. Wat durfden de Farizeërs te spreken en te bidden! De apostel Paulus schrijft aan de Hebreen, die onder zwaren druk verkeeren door de vijandschap, welke zij moeten ondervinden. Hij wijst hen op de rust, die er over blijft voor het volk van God. Een rust, die alleen maar in en door den grooten Hoogepriester Christus Jezus verkregen wordt. Laat ons dan — zoo besluit hij — met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade om geholpen te worden ter bekwamer tijd ; dat is op Gods tijd. De apostel wijst hen op den troon der genade. Genade is voor schuldigen noodig.
2e. De onvrijmoedigheid om tot den Heere te gaan vindt mede haar oorzaak in het gezicht op de schuld, die hen met schrik vervult. Zij zien daardoor veel meer den troon Gods als een troon des gericht s, waar zij op duizend vragen niet één kunnen antwoorden, dan als een troon der gnade. De Heere schijnt voor hen veel meer te zijn een verterend vuur en een eeuwige gloed, dan een Vader van alle barmhartigheid. De inblazingen des Satans doen hen aan alle genade twijfelen. De rechtvaardigheid Gods wordt hun door den Vader der leugen voorgehouden als een wreed held, die lust heeft om te verderven. En als zij, niettegenstaande de bedriegelijke omleidingen des Satans, toch nog iets hooren van genade, dan is dat, zoo meenen zij, wél voor anderen, maar niet voor hen.
Maar is dan de troon Gods geen troon des gerichts, waarvoor niemand in zichzelf rechtvaardig zal zijn? Gewis, maar de troon des gerichts is voor den schuldige in zichzelf een troon der genade, omdat de Middelaar tusschenbeide treedt en zegt: „Verlos hem, dat hij in het verdert niet nederdale: Ik heb verzoening voor dezen gevonden". Ja, de groote Richter zegt zelf: „Komt dan en laat ons tezamen richten: al waren uwe zonden rood als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol". Geen wonder, waar de apostel de waarheid er van aan eigen ziele ervaren had, dat hij den onvrijmoedigen toeroept: „Laat ons met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade". Welk een troost en bemoediging ligt er in dit woord voor de door schuld verslagen zielen. Zoo schuldig kunnen ze niet zijn, of er is vergeving. Voor een David, een Manasse, een Paulus of een moordenaar, ja voor den grootsten der zondaren; als hij met een verbroken hart en een verslagen geest komt met de tollenaarsbede, is de troon des gerichts een troon der genade. De schuldigen worden daar vrijgesproken, de ellendigen gered, de behoeftigen geholpen.
3e. Al de beloften Gods zijn voor Zijn volk in Christus Jezus ja en amen. Zou de Heere het beloven en niet doen, zeggen en niet bestendig maken! Door de ervaring van Gods Kerk wordt de trouw des Heeren bevestigd. Ja zelfs hare ontrouw vernietigt de trouwe Gods niet; maar bevestigt die. Het is dus geen wonder, dat Gods gekenden ook de trouwe Gods maaf aankondigen, prijzen en aanbevelen. „Ken Hem in al uwe wegen en Hij zal uwe paden recht maken", zoo leert Salomo. „Wentel uwen weg op den Heere, vertrouw op Hem, Hij zal het maken", zoo bemoedigt David. „Werp al uwe bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u", zoo spreekt Petrus tot de bekommerden. „Uw trouw is groot", zoo zingt Jeremia op de puinhoopen van Jeruzalem, nadat hij eerst aan de trouwe Gods heeft getwijfeld in zijn ongeloof. En alsof al de getuigenissen der gansche Kerke Gods niet voldoende waren, zegt de Heere, de Ontfermer, zelf nog: „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen".
Zoo prijst de apostel dan ook den troon der genade aan om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden en geholpen te worden ter bekwamer tijd. Want God is een toevlucht; Hij is krachtiglijk bevonden een hulpe in de benauwdheid; welke die benauwdheid ook zij. David was door eigen schuld in groote benauwdheid bij de Filistijnen, maar „deze ellendige riep en de Heere hoorde en verloste hem uit al zijne benauwdheden". Worden moeilijkheden ons aangedaan door menschen, worden wij aangevochten door den Satan, verkeeren wij in geestelijke donkerheid, zijn er kleinigheden die ons hinderen:
't Is beter, als w' om redding wenschen,
Te vluchten tot des Heeren macht,
Dan dat men ooit vertrouw op menschen
Of zelfs van prinsen hulp verwacht.
De Heere helpt de hulpbehoevenden, die tot Zijn genadetroon komen; maar — „ter bekwamer tijd". Wij moeten den Heere den tijd niet voor willen schrijven, evenmin als de wijze om te helpen. Die dan ook waarlijk tot den troon der genade gaat, doet dat dan ook niet. Want als hij geholpen wordt, dan is dat alleen toch uit genade. Die om genade smeekt, stelt geen voorwaarden, maar ondervindt dat de Heere voor hem is een verrassend God. Hij ontfermt zich over de ellendigen.
Nooddruftig volk in hunne nooden,
In hun ellend' en pijn
Gansch hulpeloos tot Hem gevloden,
Zal Hij ten redder zijn.
Het was voor de Hebreen zoo noodig, dat de apostel Paulus hen daar heen wees. De nood was zoo hoog en de ellende zoo diep. Van nature gingen zij ook met vleesch en bloed te werk. Hun toestand werd zoo ernstig. Maar de apostel wordt verwaardigd om „den moede een woord ter rechter tijd te spreken".
Moge dan het overbrengen en aanprijzen van dit woord nog voor dezen of genen een middel zijn om hem of haar nog te doen toegaan tot den troon der genade om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.
Hij kan, en wil, en zal in nood,
Zelfs bij het naad'ren van den dood
Volkomen uitkomst geven!
E. d. O.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juni 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's