De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

7 minuten leestijd

DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE 't IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (24)
Eerst over de „Vermaning aan de ouders en die mede ten Doop komen" een enkel woord. Van vermaning is hier sprake, omdat bedoeld is den ouders nog eens ernstig voor te houden, dat ze toch bedenken zullen wat ze gaan doen. Hun aandacht wordt opgescherpt en de heilige zaak van den Doop van hun kind wordt als 't ware nu vlak voor hun consciëntie gelegd. Ze mogen het niet gedachteloos doen, ook niet uit gewoonte, ook niet uit superstitie of bijgeloof. En dan richt de Dienaar des Woords zich tot de ouders èn „die mede ten Doop komen". Met deze laatsten worden in dit geval niet bedoeld vrienden en belangstellenden, die in de kerk zijn, om de doopplechtigheid bij te wonen. Maar hier wordt gedacht aan de getuigen.
Hier zit een heele geschiedenis aan vast. Bij Rome werden de ouders, de moeder, maar ook de vader, eenvoudig uitgeschakeld en kwamen de peters (mannelijke-) en meters (vrouwelijke getuigen) op den voorgrond. Natuur en genade, wereldsche en geestelijke dingen worden door Rome zóó gescheiden (meer in theorie dan in practijk), dat het geestelijke, in dit geval de opvoeding der kinderen in geestelijken zin, door afzonderlijke verzorgers (de getuigen, de peters en meters) moest geschieden. Voor eten en drinken mochten de ouders zorgen, maar de geestelijke, godsdienstige, kerkelijke vorming der kinderen moest onder afzonderlijke zorgen van anderen geschieden. Zoo kwam bij Rome het getuigenstelsel in zwang. De moeder kon niet mee ten Doop, omdat de Doop aanstonds na de geboorte van het kind moesl geschieden en de vader liet het aan de getuigen over. (Zie: Ouders of Getuigen door dr. H. Bavinck. Kampen 1901; blz. 47 enz.)
Zoo vond de Reformatie de dingen. En toen is de Gereformeerde Kerk er op gaan aandringen, dat de ouders hun kind ten Doop zouden presenteeren, en aan de vaders, die het veronachtzaamden, voegden ze een afzonderlijk woord van ernstig vermaan, dat zij toch hun roeping zouden beseffen en het kind ten Doop zouden presenteeren. De getuigen wilden echter ook mee; zelfs als vader en moeder beiden tegenwoordig waren, en zij dus volkomen overbodig waren!
Vader èn moeder moesten komen, zeiden onze Gereformeerde Vaderen. In het Formulier van a Lasco wordt met nadruk ook aan de moeders gedacht en ze worden mede ernstig aangesproken: „gij vaders, tegelijk met uwe vrouwen, de moeders dier kinderen".
Zulke woorden kunnen we alleen dus verstaan in de lijst van den tijd.
Wonderlijke gewoonten waren er vlak na de Reformatie. Roomsche en on-Roomsche misbruiken kwamen er en bleven er. Ook al veel uit onkunde, ook uit onverschilligheid. En toen is vooral gewerkt op de consciëntie der vaders, dat ze toch bij den Doop niet zouden ontbreken en ook de moeders moesten tegenwoordig zijn.
Geenszins is het de bedoeling van onze Gereformeerde Vaderen geweest de moeder uit te schakelen. Maar het was nu eenmaal gewoonte geworden onder het volk, dat het kind één, twee, drie naar den pastoor gebracht werd; de moeder kon daar niet bij zijn, de vader had wel andere dingen te doen en dan gingen „de getuigen" er op af met het kind. De peters en meters in eere! Geleidelijk wilde men dat afschaffen en vader en moeder in 't midden der gemeen te hebben, om hun kind ten Doop te presenteeren.
Vandaar de „Vermaning" aan de Ouders, waarbij zoowel aan de vaders als aan de moeders is gedacht.
Maar ook „die mede ten Doop komen" worden gememoreerd, en dat zijn dan de getuigen, die overigens geheel overbodig waren en bij de gereformeerde doopspractijk, onder gewone omstandigheden, in het geheel niet pasten. Maar men kon alles zoo maar niet in eens veranderen. Daarom bleven de getuigen meekomen. (Zie Art. 57 Dordtsche Kerkorde).
De ouders echter werden bizonder aangesproken en „verplicht" tot het volbrengen van 't geen zij gingen beloven. Daarom ook het woord van „Vermaning" aan de ouders, waarbij in sterke taal de ouders geroepen worden tot een levendig bewustzijn van de heilige handeling, die staat te geschieden. Zij worden dan aangesproken als : „Geliefden in den Heere Christus". Als „mede-geloovigen" worden ze dus behandeld, als behoorende tot de gemeente.
Hieruit volgt, dat de doopouders dus belijdenis des geloofs moeten hebben afgelegd, en dat zij, naar het oordeel der liefde, moeten gerekend kunnen worden als met leer en leven met de gemeente van Christus overeen te stemmen.
Bij de sacramenteele handeling behoort toch zeker het woord, eenmaal tot Abraham gesproken: ,,Wandel voor mijn aangezicht en zijt oprecht". Dan geldt ook in het midden der gemeente, dat de Heere spreken wil: „Ik ben uw God en uws zaads God".
Niet gedachteloos mogen die woorden „Geliefden in den Heere Christus" uitgesproken worden door den Dienaar des Woords, want ze hebben groote beteekenis! Ook in deze dingen moet alles eerlijk en met orde geschieden. En in een welgeordende Kerk moet zeer zeker éénheid des geloofs zijn, de waarheid in liefde betrachtende. Die het geloof der gemeente van Christus verachten, hebben hier geen plaats, die het tot verwarring verwerpen en het openlijk tegenspreken, mogen hier niet toetreden.
Hier heeft de Kerk zeker een taak — ook al is de Gereformeerde Kerk door alle tijden héél, heel ruim geweest in haar doopspractijken. En hier moeten de ouders dus ook zelve acht geven, toeluisteren en er naar staan eerlijk en oprecht te wandelen en te handelen voor God en voor de gemeente!
„Gij hebt gehoord, dat de Doop een ordening Gods is, om ons en onzen zade Zijn verbond te verzegelen", staat er dan.
Vooral tot de ouders was dus het woord van het Doopsformulier. Zij moeten hooren en verstaan wat de Doop is en inhoudt. Voor hun geweten is het neergelegd.
Een instelling of ordinantie Gods is de Doop. Niet maar een instelling van menschen; maar van God Zelf. En dus — Ouders hoort het en neemt het ter harte! — mag hier niet naar menschelijke willekeur gehandeld worden. Het is God, die hier verordent en beveelt en het zal alleen tot eere Gods zijn, wanneer nu in deze naar Gods Woord gehandeld wordt.
En dan is de korte inhoud van deze handeling Gods in den Doop: dat Hij aan ons en aan onze kinderen Zijn Verbond wil verzegelen. Beknopter en duidelijker omschrijving van den Doop is wel haast niet denkbaar!
Dat is kort saamgevat alles wat breed in het Formulier te voren is uiteengezet. En daarom moet het nog even, vlak vóór dat de sacramenteele handeling van Godswege zal worden verricht, aan de ouders worden voorgelegd, dat nu het Verbond Gods bezegeld zal worden, met een zichtbaar teeken bij de besprenging met water aan het voorhoofd van het kind „in den naam des Vaders, en des Zoons en des Heiligen Geestes". In dat sacrament des Doops zit dus feitelijk heel het Verbond Gods en wel, bij het teeken van water, tot afwassching der zonden en vernieuwing des levens. Gelijk in het Avondmaal heel het verbond zit, voor de geloovigen tot versterking van hun geloof, tot volharding in de liefde.
Zóó wil God spreken tot de ouders, die reeds tot hun verstand gekomen zijn, om het nu te verzegelen óók voor hunne kinderen, die de ouders straks in de verborgenheden van dat Verbond nader moeten onderwijzen, om heel de opvoeding van de kinderen daarnaar te richten. Langs en door de ouders komt de God des Verbonds zoo in den Doop tot hunne kinderen. En aan moeten de ouders in hun ziel verstaan en met hun harte gelooven, zal het goed zijn. Daarom dat woord van „Vermaning" eerst, opdat de Doop aan zijn bestemming zal beantwoorden. Want „tot dat einde" moet de Doop gebruikt worden — tot het doel, waartoe de Heere den Doop instelde — en het mag geenszins uit gewoonte of bijgeloovigheid geschieden!
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juli 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's