MEDITATIE
Doe het om Uws Naams wil.
Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o Heere! doe het om Uws Naams wil, want onze afkeeringen zijn menigvuldig; wij hebben tegen U gezondigd. O Israels verwachting, zijn verlosser in tijd van benauwdheid!, waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten? Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held die niet kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere, en wij zijn naar Uwen Naam genoemd; verlaat ons niet. Jeremia 14 vers 7—9.
Dat waren donkere dagen, waarvan in ons tekstwoord sprake is. Met levendige kleuren wordt ons de toestand geteekend in al haar vreeselijke werkelijkheid. Daar was een groote droogte op het land gevallen. Onder zulk een algemeene ramp viel alle onderscheid tusschen de klassen des volks weg .......... de hoogsten van het land zonden hun eigen kinderen om water. Maar zij kwamen terug met ledige vaten en gebogene hoofden, in plaats van met blijdschap.
De akkerlieden staan bij de gescheurde voren, in wanhoop starende naar de bruine, gespleten, opgeborsten aarde. In het veld deelt het stomme schepsel in de algemeene ramp. De drang tot zelfbehoud neemt de overhand over het moederlijk instinct. De hinden werpen daar buiten jongen en verlaten die, omdat er geen jong gras is. Op de kleine heuveltoppen, waar de lucht misschien koeler is, staan de woudezels met open neusgaten hijgende naar den wind terwijl hun wazige oogen, die uitzien naar den regen, die maar niet komen wil, hen begeven.
En dan na de beschouwing en de overdenking van al die ellende keert de profeet in ons gebed zich tot God, om bij Hem uitkomst te zoeken in den nood des levens.
Dat gebed vraagt met name onze aandacht.
Wij leven thans niet in een tijd van groote droogte, maar zou daarom dat gebed dan nu voor ons niet van beteekenis zijn? Het is niet noodig er op te wijzen, hoe vaak de Schrift het beeld van den regen, „die nederwaarts valt van den hemel en de aarde bevochtigt", gebruikt als symbool van de goddelijke gave des Geestes.
En evenzeer immers wijst ons de schildering van een land, dor en mat, zonder water, heen naar den toestand van de enkele ziel of van de gansche Kerk, die Gods tegenwoordigheid moet missen.
En wij zeggen niet te veel, wanneer we opmerken, dat er ook nu nog veel onder die droogte wordt geleden.
De weldadige regen, waarmee de erfenis des Heeren gesterkt wordt als zij mat geworden is, wordt nog veelvuldig gemist. Daarom, zoo zeiden we, is dit gebed van Jeremia van belang, zoowel voor ons persoonlijk als voor ons kerkelijk leven.
De profeet zond dat gebed op in donkere tijden.
En dat is wel wonderlijk, wanneer we zien op het verleden!
Mozes had gezegd: „De Heere uw God brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en bergen uitvlieten. Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken en vijgeboomen, een land, waarin gij brood zult eten zonder schaarschheid, waarin u niets ontbreken zal".
Dat had Mozes gezegd — beloofd! (Deut. 8 vers 7 en 8).
En de vreeselijke waarheid is, dat deze menschen, rondom zich ziende, een land aanschouwen vol van ellende en vol van gebrek, waar elke beloofde gave wordt gemist.
De oude grondwet van Israels bestaan was, dat de Heere te midden van hen wonen zou ..... en wat werd nu aanschouwd? Zooals het nu is, zegt de profeet, zijt gij als een vreemdeling in het land, als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten.
Maar behalve dat is er nog meer. Want die God, die te midden van ons wonen zou, was een God, Wien al ons leven ter harte ging!
Maar de vreemdeling, de reiziger is als een onverschillig bezoeker; als een man, die zijn tent voor een nacht opslaat in een of ander dorp, en zich niet bekommert om dat volk dat daar woont, dat hij nooit van te voren zag, en na morgenvroeg nooit meer zien zal.
En dat niet alleen!
Aan Israël was beloofd dat de Heere hen voortdurend helpen zou met de almacht Zijner sterkte. Maar zooals het nu is, lijkt Hij op een machtig man, maar die versaagd is, op een held, die niet verlossen kan, op een Simson, wiens lokken ter aarde vielen. Het ideaal der toekomst was zoo groot geweest altoosdurende gaven altoosdurende tegenwoordigheid altoosdurende openbaring der kracht van God.
Maar de werkelijkheid, de naakte, nuchtere werkelijkheid is opgespleten bodem, verzengde vlakten, zeldzame bezoeken, die vluchtig voorbijgaan als zonnestralen op een winterdag en een verlamming als het ware van de oude kracht!
Overdrijven wij, zijn we eenzijdig, wanneer we zeggen wat we lezen bij Jeremia zou ons verhaal kunnen zijn? Wij wenschen niets af te doen van de vele goedertierenheden, waarmede de Heere ons dag aan dag overlaadt. Zij zijn elken morgen nieuw over ons.
Maar toch wanneer we overdenken, wie de Heere voor ons zou zijn naar Zijne beloften, dan komen wij tot de uitspraak: „het gaat daar over ons!"
Daar is ook bij ons de meest droeve tegenstelling tusschen het ideaal en de werkelijkheid.
Ook wij mogen wel treuren vanwege dorheid en droogte, en ons geschrei mag wel opklimmen ten hemel. Dat geldt voor de Kerk en voor elk persoonlijk.
Gij kent wel die belofte van den Heere Jezus Christus, aan Zijn Kerk gedaan in de woorden „en ziet, Ik ben met ulieden alle de dagen tot aan de voleinding der wereld".
Wat naar het lichaam niet zou zijn, dat zou immers zijn naar Zijn Godheid, genade, majesteit en geest? Daar zou tusschen Hem in den hemel en Zijn strijdende Kerk op aarde een levende, krachtdadige, onafgebroken gemeenschap blijven bestaan.
Dat was de belofte .......... Ik met u.
Wat komt daarvan naar onze ervaring en gedachte terecht?
De Heere met ons ......... maar als een vreemdeling, een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten. Gij kent ook wel die andere belofte vervat in de woorden van Christus: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde."
Als Christus dus met ons is, dan is ook alle macht met ons, dan is onze tent veilig en hebben wij niets te vreezen. Dan duchten we geen gevaar, noch van ons eigen hart, noch van de wereld, noch van den satan.
Maar wederom wie durft dat zeggen, dat hij altoos die macht ervaart?
Zie eens op de Kerk! Ja, hier en daar is iemand, die vertellen kan, wat de Heere aan zijn ziel gedaan heeft. Maar houdt de uitbreiding der Kerk gelijken tred met de uitbreiding der bevolking?
Wij denken aan andere woorden. Aan het woord, dat eigenlijk naar de kern een belofte is het woord: „gij zijt het zout der aarde, het licht der wereld." Is dat waarlijk onze bevinding?
Of moeten we veeleer zeggen wij deden het land geen behoudenis aan en de inwoners der wereld vielen niet neder?
Het zout der aarde ..... ja, maar smakeloos is het geworden.
Het licht der wereld ..... maar onze armzalige kaars is laag neergebrand tot onder aan den kandelaar toe en verspreidt stank en walm inplaats van dat zij haar schijnsel werpt met helder lichtende vlam.
Wij hebben als christenen niet alleen weinig invloed op de omgeving waarin we leven, — we merken niet alleen op dat het evangelie weinig voortgang maakt in ons land, maar het schijnt ook vaak voor ons eigen leven, dat de arm des Heeren is verkort.
O, we gingen het nieuwe leven in, denkend dat het ons aan geen ding ontbreken zou. We hielden ons vast aan het woord des Heeren ..... „vrees niet, gij wormken Jacobs! gij volksken Israels. Ik help u, spreekt de Heere, en uw Verlosser is de Heilige Israels!"
De Heere der heirscharen zou met ons zijn de God Jacobs ons een hoog vertrek.
Maar waar bleef die belofte?
Wat kan het ellendig, diep ellendig zijn op aarde! Wat ondervonden we een bitterheden des levens! Wat een donkerheden in het, dal der schaduwen. Wat een woestijn! Wat een droogte! Wat een dorst! Zoo machtig bleek de bestrijder. En de hemel bleef gesloten, de Heere ver weg.
Een vreemdeling, een reiziger, een versaagd man, een held, die niet verlossen kan!
Die held, die ook onder Israël niet vele krachten deed, vanwege de ongerechtigheden des volks! De profeet, die eigen zonde erkent, vraagt „waarom zoudt ge ons verlaten, waarom komen al deze dingen over ons?"
En hij vraagt dat niet als iemand die het antwoord niet kent, maar opdat dat antwoord verdiept mag worden in de gewetens en de harten van die naar hem luisteren ..... en opdat zij gemeenschappelijk dat antwoord mogen neerleggen voor Gods troon.
Elk christen kent dat antwoord op de vraag, waarom de Heere ons verlaten zou! En toch is het zoo noodig, dat dat antwoord ons na aan de ziel wordt gelegd, en deel uitmaakt van onze eigen geestelijke ondervinding in de overlegging van ons hart. Daar is bij het spreken over dingen, als waarvan onze tekst melding maakt, een gedachte, die pijn doet ..... deze gedachte n.I. dat ons kerkgaand publiek z ó ó g e w e n d is geraakt aan sommige woorden, dathet hart niet meer klopt, dat men niet beeft voor het Woord, als die woorden gebezigd worden.
Waarom zoudt ge ons verlaten? Niemand onzer lezers zal durven zeggen dat de reden ligt in den Heere! Dat Hij in eenig ding te kort geschoten is. Dat Hij ooit een tittel liet vallen van Zijn beloften. Dat Hij zich schuldig maakte aan woordbreuk. Dat daar verandering was in de onveranderlijke gave des Geestes aan Zijn volk. Wij gelooven niet dat die gave rijst en daalt wat haar volheid betreft haar ..... overvloed. Wij gelooven dat het naar het geestelijke evenzoo gaat als met de wisseling van dag en nacht. Dag en nacht wisselen niet als gevolg van verandering der zon, maar breken aan al naar de aarde zich wentelt om de zon en haar gelaat aan haar lichtende stralen toekeert, dan wel er voor verbergt. Wij gelooven dat al de wolken en donkerheid die daar komen tusschen God en ons, zijn als de wolken en de donkerheden des hemels ..... niet op ons neergelaten vanuit de blauwe gewelven daar boven, maar opgezogen uit en uitgewasemd door de moerassige poelen en de giftige draskolken der lage aarde.
Met andere woorden ..... wanneer daar verandering is in de volheid van ons bezit des Geestes, dan ligt de oorzaak volkomen bij het zondige schepsel, maar niet bij Hem, bij Wien geen verandering, zelfs geen schaduw van omkeering is.
Daar is niets veranderd bij den Heere. Hij is Dezelfde ..... altoos Dezelfde. Dezelfde in Zijn beloften, in kracht, in gave des Geestes.
En de fout ..... mijn broeder en zuster, ligt alleen maar hier: o Heere, onze ongerechtigheden getuigen tegen ons; onze afkeeringen zijn menigvuldig; wij hebben tegen U gezondigd".
Jeremia brengt zelf de getuige tegen hem naar voren in zijn gebed. Hij plaatst zich als 't ware voor de vierschaar Gods en belijdt dat hij gezondigd heeft, menigvuldig gezondigd heeft, menigvuldig tegen God gezondigd heeft.
Dat is de getuige tegen hem ..... dat legt hij open voor den troon van God.
Het is de vraag, mijn lezer, of wij reeds zoo in het gebed tot God gekomen zijn! Israël komt tot God als de groote droogte daar is, als men weet ..... daar is geen andere weg des behouds. Israël klopt pas aan aan de poort des hemels, als dat de eenige poort is die nog rest.
Zoo beginnen de passagiers aan boord te denken aan God en aan eeuwigheid, als de kapitein zegt, dat het door storm beloopen schip niet behouden kan worden, maar vergaat.
Zoo zenden vele kranken pas dan om den predikant, als de dokter, die lang reeds ontboden werd, verklaart: ..... deze krankheid is tot den dood".
Zoo vraagt de veroordeelde om geestelijken bijstand, als het verzoek om gratie afgewezen werd.
En wij?
O, dat wij op die plaats gevonden mochten worden, waar we wel altoos mochten zijn aan de voeten van den Heere der heeren. Belijdende, dat onze ongerechtigheden getuigen tegen ons, en dat onze afkeeringen menigvuldig zijn!
Die afkeeringen, waarmede we Godd den trotschen nek toekeeren en ons afkeeren van den eenigen weg des behouds, ons geschonken in den Middelaar Jezus Christus. Kent gij nu, mijn lezer, die gebedsgestalte? Zijt gij zoo op de knieën gekomen voor den Heere? Kent gij het gebed ..... het gebed uit de donkerheid, uit de benauwdheid, uit de diepten ..... Het gebed naar het leven, naar de hoogte, naar God? Kent gij dat gebed?
Zie ...... de profeet, die hier zijn aangezicht uitbreidt voor Gods troon, was een man, door God gekend eer hij uit , den moederschoot voortgekomen was. Hij was door God geheiligd en den volken tot profeet gesteld! Hij kende den Heere! Maar wat hooren we nu van hem?
Dat hij belijdt, dat ook zijn ongerechtigheid tegen hem getuigt en dat zijn afkeering menigvuldig is. En daarom ..... nogmaals ..... kent gij dat gebed?
Het komt niet op uit het hart van den geveinsde, het vindt geen plaats bij den huichelaar, het is een ergernis voor den eigen-gerechtige.
Maar het wordt beluisterd bij degenen, die van God gekend zijn. Zij knielen, neergebogen op het koude marmer in den tempel van Gods gerechtigheid, neer naast Jeremia en, klagen het hem na ..... onze ongerechtigheden getuigen tegen ons ..... Onze afkeeringen zijn menigvuldig; wij hebben tegen U gezondigd!
Op de knieën, o Israël en uwe zonden beleden. Dat is de raad, dien de Heere ons geeft in dit gedeelte van Zijn Woord. Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit. Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten. De bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit hare slaapkamer en de bruid uit hare slaapkamer. Laat de priesters ..... des Heeren dienaars weenen tusschen het voorhuis en het altaar. Zoo zal de Heere ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschoonen!
En Ik, zegt de Heere, zal Mijn Geest uitgieten over alle vleesch. Op de knieën, o Israël, en uwe zonden beleden! En gepleit, niet op uzelven, maar op het werk en de deugden des Heeren! We hebben straks gezegd, dat de profeet in zijn ongerechtigheden een getuige tegen hem naar voren brengt. Maar in den Heere vindt hij een getuige ten zijnen gunste. Daarom is zijn gebed niet enkel zonde-erkenning.
Maar ook beluisteren we daarin de toon, die ons tegenkomt uit 't woord van den psalmist; ........ immers is mijn ziel stil tot God, van Hem is mijn heil! En daarom, o Heere, doe het om uws Naams wil. V e r l a at o n s n i e t!
Dat is al wat hij vraagt. Hij schrijft den Heere niet voor wat er gedaan moet worden. Hij vraagt eenvoudig, dat Gods hand voortdurend en met kracht onder hen werkzaam mag zijn de hand van Hem, die toch in het midden van hen is.
Zoo moet ook onze verwachting van den Heere zijn. Dan worden den Heere geen paden aangewezen, die Hij moet inslaan.
Maar daar is volkomen overgave aan de leiding des Heeren, daar is stilheid in het besef, dat Hij tegenwoordig is met Zijne vertroosting en barmhartigheid, daar is bereidheid het in Gods hand te laten hoe Zijne wegen zullen zijn.
En nu zijn daar d r i e gronden, waarop Jeremia pleit.
Doe het, o Heere, om Uws Naams wil. Gij zijt Israels verwachting! Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid. Wij zijn naar Uwen Naam genoemd ! Doe het om Uws Naams wil! Dat is de eerste pleitgrond. Dan wordt het goed, als daar niets meer is om op te pleiten dan op des Heeren Naam alleen. Dan blijven alle vonden achter, dan vallen alle gebrokene bakken weg. Dan wordt alle pogen om aan de gevallen natuur nog inbeelding van vroomheid te geven, gestaakt ..... dan vindt men geen hoop meer in eigen godsdienstigheid. Alles wordt schade en drek. Daar blijft in waarheid slechts over een arm en ellendig volk. Maar voor dat volk komt, de Naam des Heeren aan het licht.
„Doe het, o Heere, om Uws Naams wil". De bede van Jeremia is een bede, die een beroep doet op het wezen, op de deugden Gods, op den Naam des Heeren.
Welk een bidder is deze Jeremia.
Hij schrijdt voort in zijn bede en wendt zich naar Gods troon met een anderen pleitgrond, als hij zegt ..... o Israels verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! Dat was immers gebleken in oude tijden, dat Israël den Heere verwachtte en dat Hij Zijn volk een Verlosser was uit alle benauwdheden. Een Verlosser, die Noach en de zijnen het lied van verlossing deed opzingen vanuit de ark.
Een Verlosser voor Abraham, Isaäc en Jacob ..... in allen doodsnood ..... in alle worsteling als bij Pniël, in alle droefenis, die als ten grave deed dalen.
Een Verlosser in tijd van benauwdheid ..... die Zijn volk uit de zee opgebracht heeft met Mozes en de herders Zijner kudde ..... die hen leidde door de afgronden, die Zijn heiligdom onder Zijn volk heeft gesteld, wonende te midden van hen!
Welk een bidder is deze Jeremia, wiens bede nog inniger wordt, wiens bede het hart zoekt van God ..... het ingewand van Gods barmhartigheden, als hij zegt ..... wij zijn naar Uwen Naam genoemd; wij behooren bij U. Wij zijn naar Uwen Naam genoemd, naar den naam van onzen Vader, die daar woont in het midden van ons. Ontfermende Vader! wij hebben gezondigd, maar vergeef het ons; laat ons niet omkomen, maar red ons uit de benauwdheid; verlaat ons niet. O, heilig, schuchter, fluisterend beroep op Gods Vaderschap, dat uit Jeremia's mond opklom, omdat de Heere Zijn volk naar Zijn Naam had genoemd! Aan hun bidden herkent ge de kinderen Gods.
Dat dan maar elk die, dit leest zich nauw onderzoeke. Onze tijd is rijk aan zooveel, maar arm aan oprechte bidders voor 's Heeren troon. Daar is een geslacht dat wel een schijn heeft van godzaligheid, maar dat de gebogen knieën en de gevouwen handen niet kent. Vreeselijk, als gij bij dat geslacht behoort. Gij vergadert uzelven toorn als een schat in den dag van het oordeel Gods. En als het eenmaal te laat zal zijn baat het roepen niet meer.
H e d e n ..... h e d e n moet gij gevonden worden als een smeekeling voor Gods troon. En gelukkig dan de ziel, die met Jeremia eigen ongerechtigheid en afkeering belijdende, tevens met hem pleiten mag op den Naam, op het Vaderharte Gods.
Dat is uw voorrecht, gij, die den Heere van harte vreest. Gij houdt den Heere niet eigen gerechtigheid voor, die geene is. Maar gij pleit op al Zijn deugden ..... o Heere, doe het Om Uws Naams wil. En in uw bede wordt ook dit beluisterd: „Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond, denk aan Uw volk, door U van ouds verkregen". Gij zijt onze verwachting, onze hope, die is op U alleen. Op U, die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem overgegeven om ons alles met Hem te schenken. Op U, die Christus uit de dooden heeft weergebracht en Hem heerlijkheid gegeven, opdat ons geloof en hoop op Hem zouden zijn. Die ons geroepen heeft door Zijn evangelie. Die zich in Zijn Woord, aan ons heeft verbonden. Die ons levend gemaakt en ons aan de voetbank Zijner voeten gebracht heeft om het heilgeheim ons te toonen naar Zijn vreeverbond.
Zalig, zoo te mogen pleiten ..... als zoo onze bede de liefde des Heeren aanraken mag, het harte Gods ingaan mag, schreien mag voor de poort des hemels! Zulk een gebed klimt alleen op uit ons hart als de Geest ons heendrijft naar God. Zoo bidt de Geest naar God voor de heiligen. En Hij, die de harten doorzoekt, weet welke de meening des Geestes zij. Zoo zuchten, zij, die de eerstelingen des Geestes ontvingen. Zoo zuchten zij in zichzelf, verwachtende de aanneming tot kinderen ..... de verlossing des lichaam».
Neen ..... onder de ijdelheden der heidenen zijn geen die doen regenen. De hemel kan geen druppelen geven. Maar Gij ..... Gij kunt het, die de Heere zijt, onze God! Daarom zullen wij wachten op U. Want Gij doet al deze dingen ..... Gij zult verhooren om Jezus' wil! Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen die Hem vreezen. In den Vadernaam schijnt het volle licht. Het eeuwige licht, dat over hen schijnen zal, als Gods kinderen opgenomen zijn in die plaats, waar de Heere altoos in hun midden zijn zal en het heerlijk blijken zal dat Hij niet beschaamt het gebed desgenen, wiens verwachting Israels God is!
O n s t w e d d e. J.C. WOLTHERS.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 juli 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's