De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FEUILLETON

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FEUILLETON

5 minuten leestijd

Kleine Luijden SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
door IDSARDI.
21)
't Was deze: „zou het wel zoo zijn als hij geloofde?" „Als het hem thuis in alle naïveteit altijd was geleerd om te gelooven? Zooals de Bijbel het zei? Zou er wel een God wezen? Berustte heel de godsdienst niet op gissing, om maar niet te spreken van misleiding en priesterbedrog, gesteund door de macht van het kapitaal om zoo meteen de massa in teugels te houden? Werd alles wat er is, niet beheerscht door de wet van oorzaak en gevolg, al naar het toeval dit beschikte of misschien 't noodlot zulks besloot? Zooals de leeraars op het „gym" ook geloofden, en zooals zoovele geleerde menschen gelooven, en zooals de meeste gymnasten ook geloofden? En hadden zij daardoor eigenlijk niet vee! gemakkelijker en vroolijker leven? Door zich nergens om te bekommeren? Door aan alles mee te doen. Door nooit te vragen: „mag dit wel, of mag dat wel", omdat zij zich slechts lieten leiden door eigen inzicht en goeddunken".
Wat had hij nu aan zijn geloof en wat bracht het hem anders dan kwelling en last? Als er toch een Godsbestuur was, waarom dan vader zoo wreed weggescheurd uit het midden van de zijnen en van zijn arbeid en van zijn dagen? Was dat nu liefde? Heilige, Goddelijke, Vaderliefde?
Zoo wrong en drong het daarbinnen, terwijl van beneden de smarteklacht van moeder opklonk, als om den zielestrijd van hem nog zwaarder te maken.
Zoo heeft hem de dominé hier gevonden, overgegeven aan vertwijfeling en wanhoop. Wat er toen door hem gesproken is, kan niet weergegeven worden, doch vanaf dit oogenblik scheen er iets in hem gebroken te zijn. Met een vreemde kalmte is hij daarop naar beneden gegaan om zijn moeder te troosten, maar 't viel op, dat hij heel anders was dan gewoon. Zijn geloof was weg. Daar hing een nevel voor het heiligdom, waarin hij tot hiertoe zoo vrijelijk dwaalde, en waarvan hij reeds meende alle geheimen te kennen. God was weg. En omdat God weg was, kon hij niet meer bidden; en omdat hij niet meer bidden kon, werd het binnen in hem nacht!
't Was zijn moeder, die dit het eerst bij hem merkte. Te midden van eigen diepgaand leed, ontging het haar niet welk een worsteling er bij haar kind plaats had. Dat was voor haar nog vreeselijker! Zij mocht weten waar haar man was heengegaan, al was hij haar dan ook van het hart gescheurd, doch wat zou er van haar Egbert worden, als hij in opstand tegen de onbegrepen leidingen Gods, losliet wat toch het hoogste goed voor een mensch op aarde is, en hem in nood en dood alléén houvast geeft! En wat zou voor haar moederhart zwaarder slag zijn: haar man plotseling te zien weggenomen, of haar kind op deze wijze te zien overgegeven aan de vreeselijke machten van ongeloof en twijfel? Was dat nu misschien de vrucht van het onderwijs, 't welk hij genoten had? Meermalen had vader gezegd: „Egbert, jongen, denk er om en laat je op school nooit het geloof ontwringen, want als je al een hoofd vol geleerdheid hebt en een ledig hart, dan ben je nog doodarm, en heb je voor de eeuwigheid niets!" Zou hij nu tóch zijn geloof kwijt worden?
De eerste dagen, die thans volgden, gingen voorbij als in een droom. Het was een komen en gaan van familie of bekenden, die allen van hun belangstelling blijk wilden geven, afgewisseld door het nemen van allerlei maatregelen voor de begrafenis. Wel zochten trouwe vriendenhanden zoo veel mogelijk de moeilijkheden en bezwaren uit den weg te ruimen, doch er bleef voor de weduwe en hare kinderen nog zooveel over, waarbij zij geraadpleegd moesten worden. Gansch het dorp deelde in den rouw, toen de teraardebestelling plaats had. Met bizondere zorg had de doodgraver het graf gedolven en wel een uur van te voren was de veldwachter op pad om te zorgen dat de weg vrij bleef. Allen waren diep onder den indruk, toen in het sterfhuis een korte dienst plaats had, waarbij vooral gewezen werd op het raadselachtige in 't Godsbestuur en in een vurig gebed gesmeekt werd om kracht voor degenen die hier zoo zwaar getroffen waren. Bovenal werd er de nadruk op gelegd, dat zij toch Gode geen ongerijmde dingen mochten toeschrijven, maar de genade ontvangen mochten van den grooten lijder onder den ouden dag, die, toen hem alles van deze wereld ontviel, nog zeggen kon: „de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!"
Daarop had de uitvaart plaats. Geen oog bleef droog, toen de diep gebogen gestalte van vrouw Randwijk aan de zijde van haar oudste dochter naar buiten kwam om den stoet naar den doodenakker te volgen. Af en toe klonk er een snik uit de zwarte rij van mannen en vrouwen, die achter de lijkbaar liepen. Toen de kist in de groeve was neergedaald, zwegen een oogenblik de klokken ten teeken dat er een woord gesproken zou worden. Dit gebeurde alleen maar in bizondere gevallen, en aanstonds begreep men dat de dominé deze gelegenheid wilde aangrijpen om den bedroefden een troostwoord te geven en tevens al de aanwezigen te bepalen bij den ernst van het leven.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FEUILLETON

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's