De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Der armen troost

15 minuten leestijd

De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen, hunne tong versmacht van dorst; Ik de Heere zal hen verhooren. Ik de God Israels zal hen niet verlaten! Jes. 41 vers 17.

De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen. Wie, lezer, zouden wij nu wel onder die ellendigen en nooddruftigen moeten verstaan?
Wel, zult gij zeggen, volgens het verband Israël, des Heeren knecht, Jacob, dien Hij verkoren heeft, het zaad van Abraham, zijnen vriend. Blijkens het verband dat volk, hetwelk de Heere gegrepen heeft van de einden der aarde, en uit hare bijzonderste heeft geroepen en tot hetwelk Hij kwam te zeggen: „Gij zijt mijn knecht; u heb Ik uitverkoren en heb u niet verworpen". Het is Israël, dat volk, hetwelk de Heere in Abraham uit Ur der Chaldeën heeft geroepen, gegrepen, opdat Hij daarin Zijne vrije verkiezende genade verheerlijken zou.
En zoo is het ook! De ellendigen en nooddruftigen van onzen tekst zijn Gods Israël, Gods uitverkoren volk, — maar, zooals het in Babel zuchten zou als volk der ballingschap! Zij zijn des Heeren knecht — ja, maar zooals zij in den vreemde het juk van anderen dragen zouden! Zij zijn het zaad van Abraham, des Heeren vriend, — maar zooals het verre afgeweken van des Heeren geboden, onder de tuchtroede Gods, ver van de heilige stad, ver van den tempel des Heeren, verre van de plaats van de nabijheid des Heeren, moest doorgaan!
O, Jesaja, hij zag ze, Verlicht als hij werd door den Heiligen Geest ..... hij zag ze, zittend in zak en in asch aan de rivieren van Babel! Zij gedachten aan Sion, de ballingen; zij hadden hunne harpen gehangen aan de wilgen; ook weenden zij in verbreking des harten en klaagden: „Heere, wees niet zóó zeer verbolgen; gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid, zie, aanschouw toch, wij allen zijn uw volk".
Hij zag ze dus, Jesaja, de kinderen zijns volks, zooals ze om hunner zonden wil als ballingen zouden verkeeren in een vreemd land. Hij zag ze daar, in hunne ellende en pijn. Hoe ellendig waren zij en nooddruftig! Water van troost en verkwikking werd daar voor hen niet gevonden. Het was tranenbrood, waarmede ze daar werden gespijsd.
Maar toch, neen, Jesaja zag meer! Zijn oog werd ook voor iets anders nog ontdekt! Daar kwam verbreking onder het volk. De toestand des volks klom op tot den Heere. Er werd geboren een roepen uit de diepte tot Hem, die wel slaat, maar ook heelt; die wel tuchtigt, ja, maar om Zijn volk Zijn wegen te leeren. Och, zoo werd het gehoord, wie zijn wij en onze vaderen? Wij hebben gezondigd en gedaan wat kwaad was in de oogen des Heeren. Dat de Heere nog eens nederdaalde met Zijn gunst en ontferming.
O, 't was den profeet als een lichtstraal in donkeren nacht; als een bode van een blijden morgen. God de Heere had Zijn volk bezocht! Hij gaf den Zijnen den Geest der genade en den Geest der gebeden. Hij zou niet laten varen de werken Zijner handen.
Maar hoor, wie is het, die tot den profeet spreekt? Troost, troost mijn volk, zegt uw God, spreekt naar het harte van Jeruzalem en roept haar toe, dat haar strijd is vervuld; dat hare ongerechtigheid is verzoend en dat zij van de hand des Heeren dubbel heeft ontvangen voor al hare zonden. Wonderlijk boek, dat troostboek van Jesaja, waarin zoo in het bijzonder de troost op den voorgrond treden mag. Het gekrookte riet zal de Heere niet verbreken en de rookende vlaswiek zal Hij niet uitblusschen! Integendeel, God de Heere Zelf zal het werk ter hand nemen. Hij zal komen tegen den sterke. Hij, de Almachtige! Hij zal den verdrukte sieraad geven voor asch; vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest! De ellendigen en de nooddruftigen, zij mogen zoeken naar water en zelf 't niet vinden — de Heere zal ze verhooren, de God Israels zal ze niet verlaten; Hij zal riviere.n op de hooge plaatsen openen en fonteinen in het midden der valleien; Hij Zelf zal hun tot een God zijn, en zij zullen Hem tot een volk zijn.
De ellendigen en nooddruftigen, wij moeten ze dus zoeken onder het volk Israels in ballingschap; de belofte geldt hun! Toch, evenwel, lezer, is daarmede dit woord niet uitgeput. Hoe zou 't kunnen! Gods Woord is immers een eeuwig Woord. Nooit verliest het zijn kracht. Daarom moeten wij bij dit woord ook denken aan dat andere volk, aan dat geestelijke volk Israels; evenals het vleeschelijke in ballingschap gezeten en nochtans een gekend volk, een verkoren volk, een volk, eveneens geroepen van de einden der aarde en uit hare bijzonderste geroepen; van hetwelk de Heere ook eens zeide: „Gij zijt mijn knecht, u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen". Het bedoelt mede dat volk, dat volk des Heeren van alle tijden, van alle plaatsen, zooals het door den Heere aan zichzelven wordt ontdekt, met zichzelven wordt bekend gemaakt, in dat vreemde land, waar zij huns vijands lasten dragen; waar zij onder de roede en onder de verbolgenheid huns Gods doorgaan; waar ook zij leeren weê-klagen en treuren: „Tegen u, tegen u alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad was in uwe oogen".
En hoe terecht worden ook zij ellendigen en nooddruftigen genoemd, althans naar 't geen zij aangaande zichzelven gevoelen en in zichzelven bevinden. Zeker, zij zijn Koningskinderen, maar zij zijn het nog niet zich bewust. Integendeel, gebukt gaan zij onder hunne ellende; zij bevinden zich te liggen midden in den dood. Immers hunne vijanden, ze zijn veel sterker dan zij, en den Heere, den alleen-machtigen God hebben zij vertoornd door hunne ongerechtigheid en zonde. Wéé onzer, zoo is het bij hen, wéé onzer, dat wij zoo gezondigd hebben.
Neen, de schijn-vrome en de wereldling hebben aan dezen toestand geen kennis. Rijk en verrijkt zelfs meenen zij te zijn; geens dings gebrek hebbende. Ellende, geestelijke ellende, wordt door den mensch niet recht gekend, zoolang hij voortleeft onbekend met zijn gevallen staat; zoolang zijn leven één is met het leven der wereld. Dan toch gaat hij één gang met haar. Dan is haar willen zijn willen. Duisternis in zichzelven, wandelt hij ook in de duisternis.
Maar zie, als God de Heere de Zijnen ontdekt aan zichzelf, bekend maakt met zichzelf; als Hij het bewindsel der oogen wegneemt, zoodat zij aan den schijn niet meer genoeg hebben, maar leeren zien; als Hij hunne ooren opent, zoodat zij hooren de stem des gerichts, zooals die als in een onweder tot hunne ziele spreekt: „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen", als daar aldus door de werking des Heiligen Geestes een waarachtig kennen wordt gewekt, zie, dan blijft aan zulk een het bewustzijn der ellende niet vreemd! Hoe zou het kunnen! Integendeel, dan wordt gekend de ellende, vanwaar zij is en waarin zij bestaat. Afgesneden te zijn van den boom des levens! Weggevoerd te wezen als een dor blad door den wind. Uit het leven te zijn gevallen in den dood. Te volbrengen de werken der duisternis. Op reis te wezen, onafgebroken, naar het eeuwig verderf!
Niet alsof dit opeens aan de ziel zou worden ontdekt. In het leven van alle Gods kinderen wordt waarheid dat woord des Heeren, tot den profeet gesproken: „Graaf maar dieper, menschenkind, en gij zult grooter gruwelen vinden". Maar o, hoe blijkt daarom juist bij den voortgang die ellende den mensch te drukken. Bij den aanvang immers worden nog zoovele middelen in het werk gesteld om, indien het mogelijk ware, langs den weg van wettische gebruiken, dus langs den weg van 't werkverbond, zich nog rechtvaardig te kunnen stellen voor God. Maar later wordt de ijdelheid van dit alles wel ingezien, gekend. Dan namelijk, als het bij die worsteling des levens openbaar wordt dat uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd zal worden voor God; als men bij den voortgang met de wereld, die men in den beginne reeds verloor, ook nog verliest al 't geen, op grond waarvan men meende voor den Heere nog wel te kunnen bestaan. Dan blijft over naar des Heeren belofte dat ellendige en arme volk, dat op den naam des Heeren zal betrouwen. 
De ellendigen en nooddruftigen zoeken water. Zie, lezer, daarop mag wel eens in het bijzonder de nadruk worden gelegd. Ellendig en nooddruftig zijn de door God ontdekten, maar ofschoon ellendig, ofschoon het noodige dervend, ofschoon onmachtig door en door, zoo gaan zij bij en in hunne onmacht en machteloosheid niet nederzitten, neen, dat doen de geveinsden, die wel zeggen dat ze arm zijn en ellendig, maar ze zijn het niet — integendeel, eene eigenaardige werking, ook al een vrucht van den Heiligen Geest, wordt tevens daarbij bij hen gevonden: zij worden zoekend gemaakt; zoekend naar water; naar dat water, dat hen verkwikken kan in den nood; naar dat water, dat hen in het leven kan houden.
Hoe bang kan 't den woestijnreiziger wel eens niet worden, als hij na langen tocht den voorraad water ziet uitgeput! Zoo nu wordt het ook bij hen. Met hem gaan zij zoeken naar water; hun tong versmacht van dorst. Maar hoe zij zoeken, in de gansche woestijn is niet te vinden. Daar is geen, zoo zegt de profeet!
Zoo was het eens met de ballingen Israels in Babel. Zij zochten in al hunne ellende haar water; naar het water der verkwikking, naar het water des levens — maar zij vonden het niet. Spot was het, dien de vijanden hun te drinken gaven. Met eenen doodssteek in de beenderen hoonden hen hunne wederpartijders, als zij den ganschen dag tot hen zeiden: „Waar is nu, uw God?" Maar niet anders is het ook met de geestelijke vreemdelingen op aarde, die, uitkomend in hunne schrikkelijke armoede en schuld voor God, leerden hongeren en dorsten naar die gerechtigheid, die alleen voor den Heere zal kunnen bestaan! Ziende op zichzelven, en zoo is het toch in den beginne, en ziende op anderen, hoe bevinden zij dan te verkeeren in een land dor en mat, en zonder water. Ontvangen in zonde en geboren in ongerechtigheid, zijn ze onbekwaam tot eenig goed en geneigd, tot alle kwaad! En daarbij verkeeren zij onder een volk, dat met hen onrein van lippen is. Zoeken zij het daarom bij den aanvang toch bij den mensch, bij zichzelven of bij anderen, hoe geldt dan ook van hen: de ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar daar is geen; hunne tong versmacht van dorst.
O, de ziel van den ontdekte versmacht van dorst, zoolang zij in hare werken, in hare gestalten troost zoekt en verkwikking; zoolang zij in zichzelve zoekt naar iets om daarmede voor den Heere te kunnen bestaan. Zij zoekt het dan immers bij gebroken bakken, die geen water kunnen houden! Zij versmacht eveneens van dorst, zoolang zij het ook bij anderen zoekt; zoolang zij vleesch stelt tot haren arm. Het water, door haar zoo vurig begeerd, zoo verlangend gezocht, wordt zóó door haar niet gevonden! Zij zoekt naar water, maar daar is geen. Tenslotte versmacht hare tong van dorst. Want wie alle geboden zal houden, zoo klinkt het haar ten laatste toe, en in één zal struikelen, staat nochtans schuldig aan alle.
Hoe lang evenwel kan dit zoeken in de verkeerde richting bij Gods kinderen niet worden gevonden! Gansche tijden kunnen er voorbijgaan, voordat zij in hun hart er van worden overtuigd, dat ze door de beoefening der wet, door het doen van Gods geboden nimmer kunnen komen tot de ware verzoening met God! Gansche tijden kunnen er voorbijgaan, voordat zij het leeren beseffen, dat de wet toorn werkt, dat zij altijd maar door haar zullen worden veroordeeld, dat zij niets, letterlijk niets den Heere ooit zullen kunnen aanbrengen tot delging hunner schulden en tot verzoening hunner zonden. Maar zie, in dit alles zijn ze in Gods hand. De Heere laat niet varen de werken Zijner handen. Want, als het ten laatste voor hen is geworden een afgesneden zaak; als de Heere het ook voor hen persoonlijk waarheid heeft gemaakt „Uit u geen vrucht, in eeuwigheid" ; als daar een machtelooze wordt gevonden, die het met den Dichter leert: „Wat verwacht ik, o Heere, mijne hope, die is op U, op Uwe genade" — dan toont de Heere het, dat de verwachting van zulk een ellendige niet in eeuwigheid verloren zal zijn! Ik, zoo zegt Hij dan, Ik, de Heere zal hen verhooren. Ik, de God Israels zal hen niet verlaten. Ik zal rivieren op hooge plaatsen openen en fonteinen in het midden der valleien. Ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten en het dorre land tot watertochten.
Ik de Heere zal hen verhooren. Hij hoort het gekras der jonge raven, die Hem roepen om spijs! Hij hoort een David, die van uit de diepte klaagt: „Zie, als het aan woorden mij ontbreekt wat d' overdenking in mij spreekt, verwaardig dan uit 's hemels koren mijn stem te hooren". Hij hoort en verhoort een Hiskia, die daar piepte als een zwaluw, kirde als een duif wiens oogen zich verhieven naar omhoog: die 't uitsprak: „o Heere, ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg" . Hij hoort en verhoort de ellendigen en nooddruftigen, die zoeken naar water, maar het niet vinden, wier tong versmacht van dorst! Hij is de groote Hoorder des gebeds!
De Heere de groote Hoorder des gebeds. Neen, Hij verhoort niet om het gebed; Hij verhoort niet om de waardij des bidders, maar alleen om de grootmaking Zijns naams, tot verheerlijking Zijner oneindige deugden.
Hoe duidelijk wordt ons dit ook niet in ons tekstwoord geleerd. De Heere zelf geeft er den grond Zijner verhooring aan! Ik, zoo immers zegt Hij, Ik de HEERE zal hen verhooren; Ik de God Israels zal hen niet verlaten! De grond der verhooring ligt dus in de deugden Gods, die Hij laat uitschitteren in dien eenen naam: HEERE, Jehova en in dien anderen naam: de God van Israël.
En wat die naam „HEERE, Jehova" ons te zeggen heeft? Dat Hij is de getrouwe Verbonds-God, die het werk Zijner handen in eeuwigheid niet varen laat. Zelf werkt Hij in den zondaar het waarachtig gebed door Zijnen Heiligen Geest; zelf is Hij het ook, die verhooring op die gebeden schenkt.
O welk een krachtige pleitgrond kan juist die „Jehova-naam" wel niet eens wezen voor een ellendige en nooddruftige, die het door het ontdekkend licht des Geestes geleerd heeft, te zien heeft gekregen een arme en hulp-behoevende te wezen voor God. Zulk een toch mag wel eens zeggen: „Heere, Gij hebt mij van mijne gewaande hoogte afgebracht, leid Gij mij nu ook verder op die steenrots, die mij te hoog zou zijn". Een voorrecht, als Gods kind telkens en bij vernieuwing dien „Heere-naam" in den gebede den Hooge en Verhevene voorhouden mag. Niet anders deed ook David, toen hij het uitsprak: De Heere zal het voor mij voleinden; uwe goedertierenheid, HEERE, is in eeuwigheid, en laat niet varen de werken uwer handen. Zekerheid komt er dan temidden der onzekerheid, veiligheid in het midden der gevaren.
Maar het is niet alleen die naam HEERE, dien God de Heere in dit woord den ellendigen en nooddruftigen voorhoudt, ook openbaart Hij zich hier nog eens als die God van Israël. En niet waar, spreken wij van den God Israels, dan denken wij, zoowel met het oog op den aartsvader als op Zijn volk, aan dien God, die kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van den dood volkomen uitkomst geven; en van wien het geldt :
Zij liepen als een stroom Hem aan
Hij liet ze nimmer schaamrood staan
Maar wendde straks hun lot.
Welgelukzalig het volk, bij hetwelk geen aflaten van den troon der genade gevonden werd, voordat de zegen door hen werd ontvangen. Want de Heere laat zich verbidden. Zeker, om wijze redenen laat Hij de Zijnen wel eens wachten; gaat Hij zelfs nog voort om te ontledigen en te ontblooten, maar nochtans de verwachting der ellendigen zal niet in eeuwigheid verloren zijn! Een arm en ellendig volk blijft er over, dat alleen maar weet te betrouwen op den naam, op de deugden des Heeren; aan hetwelk de Heere, volgens Zijn Woord, Zijn belofte komt vervullen, op Zijn tijd: „De ellendigen en nooddruftigen zoeken water, maar er is geen; Ik de Heere zal hen verhooren; Ik de God Israels zal ze niet verlaten."
De vervulling dezer belofte wordt dus hier reeds gekend bij den aanvang. Dan namelijk, als in Christus Jezus den ellendige en nooddruftige wordt gegeven al hetgeen hij in zichzelven mist en wat hem toch zoo noodig is om welgetroost te kunnen leven en straks zalig te mogen sterven. De vervulling dezer belofte wordt dan hier bij aanvang gekend, als de Heere rivieren des levenden waters in Christus Jezus Zijnen Zoon komt te openen op de hooge plaatsen en fonteinen in het midden der valleien, zoodat het harte zich in Hem mag verheugen en getuigen: „Heere Jezus, uw gerechtigheid is al mijn troost en zaligheid". Maar straks zal dit alles in volheid zijn en volkomen, Johannes, de Apostel van Patmos zag daarvan iets in den geopenden hemel. Zij zullen niet meer hongeren, zoo schrijft hij; zij zullen niet meer dorsten, want het Lam dat in het midden des troons is, zal ze weiden en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren".
Welgelukzalig dan het volk, dat honge rend en dorstend naar gerechtigheid hier bij den aanvang in beginsel, straks op volkomen wijze deelen mag in den rijkdom van dien vol-heerlijken Christus.
P a p e n d r e c h t.                                                                                                          M. OTTEVANGER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's