FEUILLETON
Kleine Luijden SCHETSEN UIT HET FRIESCHE DORPSLEVEN
22)
door IDSARDI.
Hij wees naar aanleiding van deze droeve gebeurtenis, die 't dorpsleven zoo geschokt had, op het broze van 's menschen, bestaan; op de noodzakelijkheid om daar steeds op bedacht te zijn; op de diepe wegen Gods, waarbij het telkens uitkomt dat Zijne gedachten hooger zijn dan die der menschen; op de noodzakelijkheid om van Hem de kracht te ontvangen ten einde in Zijn doen te berusten, ook al gaat dit in tegen vleesch en bloed, om ten slotte de achterblijvende weduwe en kinderen ook voor de toekomst aan te bevelen in de warme liefde en toegenegenheid der dorpelingen, waar thans meer dan ooit steun en hulp noodig was.
Daarop ging het weer huiswaarts, waar men nog eenigen tijd bijeen bleef. Toen eindelijk de familie alleen was, werd eerst gevoeld hoe ledig het nu verder zou zijn. Want vader Randwijk mocht een man wezen die niet veel sprak, maar toch ging er van hem een stille kracht uit en bleek het nu hoe hij het middelpunt van het gezinsleven had uitgemaakt. De groote vraag was echter: „hoe nu?"
Een oogenblik had Egbert er aan gedacht zijne studie vaarwel te zeggen, ten einde daardoor meerdere steun voor moeder te kunnen zijn, inzonderheid met het oog op de jongere kinderen, maar ook aanstonds was deze gedachte weer op den achtergrond gedrongen. Immers, wat moest hij hier op het dorp beginnen? Een vak kende hij niet. Van verdienen was voorloopig geen sprake, en bovendien zou het de vraag zijn of hij geschiktheid had voor den arbeid, die hier door de dorpelingen verricht werd. Hij zat nu eenmaal midden in de studie, en deze te voltooien, was zoowel voor hem als voor de zijnen de voordeeligste weg. Niet het minst, waar hem deze dagen bij vernieuwing de verzekering gedaan werd, dat hij zich om de financiën niet behoefde te bekommeren, en zelfs de gestelde verplichting van mogelijke terugbetaling voor hem verviel.
Evenwel bleef de vraag hoe moeder met de betrekkelijk nog jeugdige kinderen aan den kost komen moest. Van Rijkswege was geen hulp te verwachten. De wetgever had er wel voor gezorgd dat de meeste bedrijven in de Ongevallenwet waren opgenomen, zoodat wanneer hier geheele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken kwam een vaste uitkeering van Rijkswege in de eerste behoeften voorzag, maar wanneer in het landbouwbedrijf iemand het slachtoffer van zijn plicht werd, gelijk Randwijk hier, dan was er geen voorziening. Vandaar dus dat geheel van particuliere liefdadigheid werd afgehangen en het einde der beraadslagingen werd daarom, dat de kinderen zooveel mogelijk bij een ander in betrekking zouden gaan, en moeder Randwijk door het zoeken van werkhuizen en het drijven van een kleine negotie in haar onderhoud zou trachten te voorzien.
't Was hard; o zoo hard; vooral voor Egbert, daar de gedachte hem zeer tegen de borst stuitte, dat thuis door zwaren arbeid moest worden gewerkt om het hoofd boven water te houden, doch men had hem allen de verzekering gegeven, dat hij zich daarover niet behoefde te verontrusten. De weg liep nu eenmaal zoo en niet anders. Wat evenwel nog meer hem kwelde, dat was de geweldige onzekerheid aangaande de hoogere dingen, die het zieleleven raken. Tot nog toe, — hij had er zich nimmer rekenschap van gegeven — was zijn geloof meer geweest de vrucht van opvoeding en in eigen woonplaats genoten onderwijs. Omdat 't hem thuis zoo geleerd was, daarom had hij eerbied voor den Bijbel als voor het heilig Woord van God en aanvaardde alles wat daarin stond. Zelfs de spottende woorden of ongeloofstheorieën, die hij op 't gymnasium wel eens had gehoord, waren niet in staat geweest hem van zijn vastigheid te berooven. Bovendien durfden de andere leerlingen hem niet aan, omdat zij bij lange na niet opgewassen waren tegen de kennis, die hij toonde te hebben, ook op het gebied van het godsdienstig leven. Maar nu daar zoo plotseling het schoone toekomstbeeld, dat hij meermalen in zijn jeugddroomen voor zich had gezien, in gruizelementen viel, en het liefste wat hij op aarde had hem zoo wreed ontnomen werd, nu scheen plotseling alle geloof aan God en aan een Godsbestuur hem een onmogelijkheid. Zeker, de oude dominé had wel gezegd, dat men maar moest blijven vertrouwen, en dat 's Heeren weg toch de beste was. Dat menigmaal na dezen verstaan werd waarom 't zoo moest, en in elk geval eens de volkomen oplossing te wachten was van al de raadselen Gods, maar voor Egbert was dat een schrale troost. Hij miste zijn besten vader, enzijn moeder haar trouwen kostwinner en verzorger! Hoe wist dominé dat, wat hij zei? Was dat alles geen gissing zonder grond? Was alle geloof in het eind geen sprong in 't duister? Vrucht van opvoeding en opleiding, en cultuur, en volgens de geleerden zelfs van wat men at en dronk? Was in het eind niet elk mensch, wat de omstandigheden van hem maakten? Lag feitelijk de heele wereld niet op de knieën voor het groote Onbekende, het Onbegrepene, het Ongeziene, zonder echter te weten hoe de dingen waren, die buiten de waarneming der zinnen vielen? Wat voor bewijs was er, dat de goden der volken minder recht van bestaan hadden dan de God der Christenheid, en Boeddha of Socrates minder waardig waren dan Jezus van Nazareth, en de bijbel meer beteekenis had dan de koran of de tooverboeken der heidensche godsdiensten?
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juli 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's