MEDITATIE
Een harte-zaak.
En een ziekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster van de stad Thyati, ra, die God diende, hoorde ons ; welker harte de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. Hand. 16 vers 14.
II. (Vervolg en Slot).
Wat blijkt ons hieruit, Gel.? Dat we veel verkregen kunnen hebben, dat we voor den dienst des Heeren een open oog kunnen hebben en zelfs grooten lust om daarin te wandelen, zoodat we niet gaarne van de wegen Gods ons zouden verwijderd zien en dat toch nog 't volle, rijke leven ontbreekt. Lydia's harte werd voor den Heere geopend. Niet door het woord van den apostel. Het staat hier zeer duidelijk beschreven. Juist omgekeerd. Haar harte werd geopend, zoodat zij acht nam op hetgeen door Paulus gesproken werd. Door wiens hand had dit nu plaats? Door 's Heeren hand alleen. Dit is nu het werk des Heiligen Geestes. Och, lezer, al zou het hier niet.staan, met onuitwischbaar schrift staat het in de ziel van Gods kinderen geschreven: „Ik ben de eerste en Ik ben de laatste. Ik open en niemand sluit. Ik sluit en niemand opent".
Wie zou de deuren van ons hart kunnen open doen, anders dan die de sleutelen van het hemelrijk heeft ontvangen uit de doorboorde hand van Christus, d.i. God de H. Geest. De Almachtige, de alleen Heerlijke kan slechts zondaren in het leven roepen. Dat hart van u en mij, van ons allen tezamen, is van nature gesloten voor alles wat het echte volle leven betreft. Voor wat met de zonde samenhangt staat elke deur open. De Duivel heeft een sleutel. Hij trekt in en uit. De wereld evenzoo. Elk venster, dat uitzicht heeft naar de buitenzijde van ons bestaan, is wagenwijd geopend. Als ik dit drietal nu eens noem, zoo zult ge 't mij toestemmen, in ieders hand is een sleutel. Satan, wereld en zonde hebben vrij spel met den zondaar, zooals hij buiten God leeft. Hierop behoeft heelemaal geen pressie te worden geoefend; zij hebben vrijen toegang.
Maar wat nu met den dienst des Heeren samenhangt, met het waarachtige leven, met God Zelf, met Zijn genade, daarvoor is hij doof en blind. Hij ziet het niet en hij hoort liet niet. Vertel maar eens aan iemand die midden in de wereld leeft, dat er toch geen heerlijker leven kan worden bedacht dan dat aan den Heere en Zijn dienst werd gewijd. Ik kan het niet gelooven, zoo luidt de alleszins duidelijke verklaring. Het komt mij zelfs voor, dat het, zoo niet gansch en geheel, toch voor een zeer groot deel aan zelfmisleiding moet worden toegeschreven. Wat voor bekoring zou nu hierin zijn gelegen?
Ja, al de liefdekloppingen des Heeren worden óf niet opgemerkt óf geheel misverstaan. De ooren hebben wel hun oude plaats behouden, maar 't gehoor zelf is verstoord, 't Is op een karakteristieke wijze eens uitgedrukt met deze woorden: de schelp zit er nog wel, maar de parel is verloren geraakt.
En nu is dit het werk des Heeren: blinden laat Hij zien en dooven doet Hij hooren. Waar Hij dit doet en op welk een wijze kan niet licht juister worden toegelicht dan op deze plaats. Lydia was met de bidders en bidsters opgegaan naar de plaats des gebeds. Waar het Woord werd opengedaan, daar zat zij. „Zij hoorde ons", zegt de Apostel. Onder de prediking werd door Gods hand de grendel weggeschoven van het gesloten hart. Toen stroomde het licht naar binnen. Toen werd onmiddellijk het gehoor hersteld. Toen zag zij en hoorde zij. Zij zag wat zij tot nu gemist had: voor hare zonde en schuld was geen betaling geschied. En nu ziet zij Hem, Christus den Heere. Dit is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Dezen ziet zij, met het geopende oog des geloofs. Zij ziet Hem niet alleen, maar zij hoort Hem ook. Noodigend stelt Deze zich voor haar: Komt tot Mij, allen die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven.
Ja, ieder woord van den Apostel werd als een onverbrekelijk snoer waarmede zij aan Christus en Zijn heil werd vastgebonden. Lydia — deze naam beteekent „nieuw geborene" — was waarlijk het nieuwe leven deelachtig geworden. Het was alles nieuw geworden. Als in een nieuwe wereld overgezet kon zij het den dichter nazingen;
Wien heb ik nevens U omhoog,
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog
Op aarde nevens U toch lusten.
Niets is er, daar ik in kan rusten.
Bezwijkt dan ooit in bitt're smart
Of bangen nood mijn vleesch en hart,
Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed
Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
We hebben tot nu de gelegenheid gehad voor het maken van een tweetal opmerkingen. In de eerste plaats: wat hield de Heere met deze discipelin toch een wonderlijken weg. Zij moet naar Filippi. Als ge mij vraagt: waarom ging ze niet naar een van de grootere steden? zoo is dit mijn antwoord: dan zou zij haar doel gemist hebben, of liever, het doel dat God met haar voor had. En dat kan niet, dat is onmogelijk. Zij komt met haar purperrollen in de steden van Macedonië. In de straten van Filippi zal zij straks gaan naast Paulus naar de plaats des gebeds. Al moet de laatste daarvoor ook dagen reizen, ja zelfs talrijke plaatsen voorbij gaan, zelfs zeeën oversteken, zij zullen elkander ontmoeten onder de prediking des Woords. Hier werd haar harte geopend. De Heere opende het Zelf. Al wat ze van tevoren gekend had, waarop ze misschien reeds eenigszins hare zaligheid bouwde, het ontzonk haar toen haar eigen harte open sprong. Daarvoor paste niemand anders dan de Christus. Hart en Woord sprongen beide van haar open. Zoo een als deze Christus is mijn Liefste, d.i. Hij, waarop mijn ziele leunt. Paulus werd nu voor haar de hand, die haar tot den Heere leidde. Wat deze sprak was voor haar Evangelie. Vertel mij altijd maar weer van Hem. Deze is het.
Gel., van dit punt uit begint onze laatste gedachtelijn: het Woord des Heeren richt zich tot ons met een ernstige roeping.
Lydia was eene vrouw, uit de heidenwereld afkomstig. Zij behoorde tot degenen, die, zoo niet rijk, toch tot de bemiddelden mochten worden gerekend. Zij had aan hare afgoden niet genoeg en haar bezit liet haar innerlijke behoeften onbevredigd. Zij werd zoekende naar iets anders. Door de leiding Gods wordt zij in aanraking gebracht met het volk der openbaring. Zij wordt onderwezen in de Schriften. Het uitzien, het hopen op den Messias wordt geboren. Een nauw leven wordt geleid. De dienst des Heeren is haar zeker niet tot een last. Toch zou het ons niet verwonderen, of onder alles door is er nog een zoeken geweest om op dezen weg te vorderen, verder te komen, dichter bij God. Niets is n.l. den mensch meer eigen dan langs den weg van werken eigen zaligheid te verdienen. Ge ziet dit overal. Dat is de farizeeuwsche trek, welke in ieder mensch schuilt. Wij zijn zoo lichtelijk ingenomen en tevredengesteld met wat door onze hand wordt gedaan.
Misschien hebt ge eene vraag, n.l.: of het dan niet beter ware alle uitwendig dienen maar na te laten. Tot dezen raad zou ik mij niet gaarne leenen. Daar is geen gevaarlijker weg dan dat we zouden meenen het geestelijke te kunnen vastgrijpen zonder handen. Opening des harten is noodig. Maar om dit te doen, daarvoor gebruikt de Heere 't zichtbare en het hoorbare Woord. Och ge weet het zelf wel, wat ons door den Heere in Zijne algemeene genade nog werd gelaten: oogen om te zien en ooren om te hooren. Helaas moet in dezen getuigd: „we zien niet meer en elke klank gaat onze ooren voorbij". Toch gebruikt de Heere 't middel van dat Woord, dat we kunnen lezen en dat we mogen beluisteren.
Wat was het voor Lydia een ongedachte en onuitsprekelijke zegen, dat ze daar nederzat onder de prediking van Paulus en Silas. Daar opent de Heere haar hart.
Gel., de lijnen hieruit te trekken voor ons persoonlijk leven, zijn al uiterst gemakkelijk te ontdekken. Wij hebben ons te schikken onder de klanken van het levende Woord. In de samenkomst met de gemeente mag onze plaats niet ledig worden gelaten. Elke verontschuldiging hiervoor draagt een veroordeelend merkteeken. Of is het voor ons al niet een zaak van de allergeringste moeite om op te gaan naar het bedehuis? Wij behoeven niet samen te komen buiten aan den oever van de rivier. Hier is geen sterke hand van de Overheid, welke ons uitdrijft. Die tijden zijn er wel geweest. Er staan in onze historierolle meerdere perioden dan één, waar hetzelfde beeld werd vertoond als in Filippi. Onze vaderen slopen dikwerf naar buiten om toch het Woord maar te kunnen hooren. Men vergaderde toen met de wachters op den uitkijk.
Och, lezer, zou het gevaar niet in om gekeerde lijn moeten worden gezocht in onze dagen? Zou men het ons niet veel te gemakkelijk hebben gemaakt? 't Is alsof het in dezelfde mate ook in waardij is verminderd. En toch is dit niets dan bedrog.
Lydia ging op den dag des sabbats naar buiten. Zij vreesde geen smaad. Ze verachtte alle hoon. Daar zal ook haar gebed opstijgen.
Ge hebt in uw hart nog een vraag: maar is voor het laatst zulk een openlijke gang wel noodig? Mij dunkt, in de eenzaamheid wordt lichter Gods aangezicht gezocht en gevonden dan in het openbaar. Gel., laat hier het mankement in uw voorstelling door eigen hand worden aangewezen. En het een en het ander mag niet ontbreken. In de stilte van uw eigen woning of in de eenzaamheid elders kunt ge God ontmoeten, maar het gemeenschappelijke van het aanroepen van Gods Naam legt vaak zooveel te sterker klem. Waarbij nog deze gedachte moet worden ingesloten: in de prediking des Woords wordt door den Heere vaak de bedding gelegd voor het aanroepen van Zijn Naam.
Hier wordt de breuke opengelegd, hier worden de rijkdommen uitgestald van den Christus Gods ten opzichte van een arm en verslagen zondaar. Hier heeft de Heere een belofte neergelegd voor alle heilbegeerigen. En als gij daar nu buiten staat — er is misschien wel een begeeren; ge zoudt wel willen toegrijpen, maar ge mist de hand — wat wordt dan anders gezien dan dit, dat hier de knieën worden gebogen. Hier wordt een arme een bedelaar.
De purperverkoopster van Thyatira liet zich door niemand terughouden. Van achteren bezien weten wij, dat des Heeren eigen hand haar voortleidde van stap tot stap omdat Hij haar hier begiftigen wilde met het hoogste goed. Wie denkt hierbij niet aan het Schriftwoord: Mijn volk zal zeer gewillig zijn op den dag Mijner heirkracht. Zeer gewillig geldt van al Gods kinderen.
Zijt gij het ook al, lezer?
Wat zijn de dagen, waarin wij leven, toch donker. Hoe groot zou het deel niet zijn van ons volk, dat nooit meer een voet zet in eenige plaats des gebeds. Voor alles is tijd, behalve hiervoor. Waar zal dit eindigen, zulk een leven? We hebben allen het vers wel eens gezongen: Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort; maar hoe rampzalig zal het dan zijn zelfs deze klanken met het uitwendig oor nooit te hebben opgevangen. Dat ons het gebed in dezen eens meer op het harte werd gebonden om ook die verre staan te gedenken.
Eén ding willen wij nog opmerken. Paulus en Silas gingen naar de samenkomst, waar, zoo niet uitsluitend, tóch voor 't overgroote deel vrouwen waren bijeengekomen. De mannen waren óf apart vergaderd óf — waarvoor meer grond wordt gevonden — niet mee opgegaan. Is het thans niet de zelfde lijn? Hoe menige zuster verlaat hare woning, terwijl dien zij liefheeft met geen enkel middel was te lokken? Ga gij uw gang naar de plaats des gebeds.
Wat van Lydia's huis staat beschreven, mocht ook eens waar worden gemaakt van het uwe. Zij werd opgenomen in de gemeente des Heeren, maar ook haar huis. Wat een vertroostende prediking gaat er uit tot de zoodanigen, die evenals een Lydia hun gang doen naar het huis des Heeren, zonder te mogen getuigen: ik ben het heil deelachtig geworden. Ge ziet hier zoo klaar en duidelijk, dat de Heere niet 't eene zal doen om het andere na te laten. Hij is geen God, die ten halve behoudt. Wat Hij begonnen is, zal Hij ook voleindigen.
Ga gij bij uw vaste gangen maar volharden. Alleen: maakt er nooit grond van voor uwe zaligheid. Laat het met onuitwischbare letteren in uwe ziel zijn geschreven: daar is maar één Naam onder den hemel gegeven door welken wij zalig worden, en deze is de Naam van onzen Heere Jezus Christus. Ons harte moet door Hem geopend worden. Hij zegt het Zelf: Ik heb de sleutelen Davids. Ik open en niemand sluit. Ik sluit en niemand opent. Wat ge te doen hebt is in afhankelijkheid uw knieën te buigen, onder de klanken van 't Woord, waarin deze Christus wordt rondgedragen, u neder te zetten. En nu leidt de Heere 't zóó, dat Hij Zijn Woord daartoe gebruikt. Hoe en op welke een wijze, het ontgaat zelfs dengene, aan wien het te beurt mag vallen. Dat is het: het hart springt open. Christus maakt er Zichzelf een woonstee. Hij zet zich neder. Het leven wordt in de ziel openbaar.
Hoe dit zich nu openbaart? vraagt ge. Och, Gel. het is hoogst eenvoudig: dan komt er een achtnemen op hetgeen in de prediking wordt uitgedragen. Dan zinkt dit Woord als een droppel in een dorstigen bodem. Wordt daar gesproken van zonde en overtreding, zoo is daar een blootleggen van eigen schuld en de belijdenis wordt gefluisterd: „Ja, Heere, dat geldt mij". Doch wordt gewezen op den Schuldendelger, op het offer, dat Gode alleen behaagt, op het zoenbloed, dat elke schuld wegneemt, zoo treedt ook deze ziele nader met: „dat is ook voor mij; Uw bloed, o Heere Jezus, reinigt al mijn zonden".
Mag ik daarom met een anderen raad nader treden tot u, die den Heere in oprechtheid hebt liefgekregen: kleeft aan Hem vast. Zit onder de bediening des Woords als een Lydia. Neemt acht, neemt getrouwelijk acht tot gij uw tijd hebt uitgediend.
De Lydia's komen tezamen in de stilte van de eenzame plaatsen. Wij zouden zeggen: aan de rivieren der verdrukking geschiedt het nu nog, doch straks zullen zij opklimmen tegen de oevers van den zilveren stroom, waarin die transen van het hemelsche Jeruzalem zich weerspiegelen.
Toen de Heere hier het harte van Lydia opende, was het reeds heerlijk, maar wat zal het dan wel zijn als de hemelpoort wordt opengedaan en de Heere treedt Zelf naar voren Om Zijn heerlijkheid hun niet alleen te toonen, maar hun er voor altijd in te doen deelen. Zegge uwe ziele met de mijne: dit te zien en te ontvangen, is mijn hoogste, ja eenige verlangen.
Utrecht. J. GOSLINGA.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's