De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus.

6 minuten leestijd

V r a a g. Wat beteekent „zalig"?
A n t w o o r d. Zalig beteekent vol. Rampzalig is vol van rampen en zoo is het woord „zalig", dat wij gewoon zijn te gebruiken in bijbelsche taal, een afkorting van gelukzalig, of welgelukzalig en beteekent dan: vol van geluk, vol van het hoogste geluk. En dat hoogste geluk ligt in God, in Christus. Zoódat het „zalig volk", dat volk is, dat den Heere mag kennen in Jezus Christus. Dat is het eeuwige leven enz.! Dat volk voelt zich niet altijd zalig. De zaligheid ligt ook niet in den mensch, noch in iets dat op aarde is. De ziele voelt zich dikwijls ellendig; klacht op klacht. Maar dan zegt de Heiland, dat ze zalig zijn. „Zalig zijn, die treuren — de armen van geest enz." Die zijn zalig, omdat Gods liefde hen gegrepen heeft en hen gezet heeft in Christus in den hemel als erfgenamen van het eeuwige leven. Ook als tranen dikwijls hun spijze zijn, zijn ze toch zalig.
„Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven". „Zalig moet men noemen, die hun Maker roemen als hun Heer en God". „Zalig hij, die in dit leven Jacobs God ter hulpe heeft". „Welzalig zijn d' oprechten van gemoed, die ongeveinsd des Heeren wet betrachten". ,,Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort".
Zalig — in den Zaligmaker Jezus Christus. „En onze Koning is van Isrels God gegeven"!

V r a a g: Mogen we een bliksemafleider op onzen fabrieksschoorsteen zetten?
A n t w o o r d: In Gods algemeene goedheid en genade heeft de Heere aan ons, te midden van de vreeselijke, verwoestende werking der zonde vele goede, heerlijke dingen gegeven, om de doorwerking der zonde en de straffen der zonde te stuiten en te verzachten.
Voor ons lage land heeft de waterbouwkunde — een gave Gods — vele goede en heerlijke dingen gegeven. Sluizen, kanalen, ook dijken om ons te beschermen. Bij alle ziekten, en kwalen heeft de geneeskunde — een gave Gods — vele goede en heerlijke dingen gegeven. Medicijnen, kuren, operaties, herstellingsoorden, enz. enz.
Is er nu iemand, die, ziende op die algemeene goedheid en genade Gods, welke openbaar wordt in de waterbouwkunde, in de geneeskunde, enz., gaat vragen; mogen we wel een dijk aanleggen, of een kanaal graven of een sluis bouwen? Of: mag ik wel een dokter roepen, mag ik wel medicijnen gebruiken, mag ik mijn kind wel een kuur laten doormaken, mogen wij een zieke wel naar een sanatorium zenden?
En zóó, zouden we zeggen, mogen we ook 's nachts het nachtslot op de deur doen, of een waakhond op 't erf hebben; óók wel een bliksemafleider op den fabrieks schoorsteen zetten. 't Is gebruiken, wat de Heere in Zijn algemeene goedheid geven wil, tot beveiliging, tot bescherming, tot hulp in het midden van de gevaren des levens en de rampen die er overal zijn.
Zoowel in de parapluie, die we gebruiken, om den regen af te keeren van onzen hoed, of van ons kleed; als in de winterjas en wintermantel tot afkeering van de onaangename en schadelijke werking van de koude — zóó zien we ook in den bliksemafleider een goede gave Gods, in Zijn algemeene goedheid en genade aan het menschdom geschonken. Niet, om God te verachten, noch te hoonen, maar om te gebruiken vwat Hij in Zijn algemeene liefde ons geeft.  Zooals we ook den dokter niet halen om God te hoonen, maar om te gebruiken wat de Heere beschikken wil tot onze hulpe. De Heere is God en niemand meer! En nu willen we nederig en dankbaar gebruiken, wat Hij ons liefderijk te gebruiken geeft, in het midden van het zondige leven vol rampen, tot hulp en sterkte ons en onzen kinderen verstrekt.

V r a a g. Is de Kerk des Heeren pluriform = veelvormig, of is zij uniform = éénvormig. 
A n t w o o r d. De Kerk des Heeren is één. Er is maar één lichaam van Christus, onder één Hoofd. Col. 1: 4: „En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente. Hij die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat. Hij, in allen de eerste zou zijn".
Het voorwerp van ons geloof in deze is dan ook: de ééne, heilige, Catholieke of algemeene Kerk, welke de Heere door Zijn Geest en Woord Zich toevergadert aan al de plaatsen Zijner heerschappij. 
Maar die ééne Kerk openbaart zich in deze bedeeling in gebrek en gebrokenheid, nergens in werkelijkheid als de ééne, eenigware Kerk. Er is altijd mengsel van onzuiverheid en onwaarheid in en de openbaringsvormen vallen uit elkaar, door alle tijden heen en. in alle landen.
Geen enkel land kan van één bepaalde Kerkopenbaring zeggen: dit is de ééne en eenig-ware openbaring van Christus' Kerk.
En zoo zullen we altijd, hoe pijnlijk ook, bij de ééne ware Kerk van Christus met dat woord pluriform rekening moeten houden. Geenszins als vrijbrief voor de zonde, voor scheuring enz. Allerminst. Maar in deze bedeeling ontbreekt het volmaakte en er is menigeriei genade des Heeren onder ons. Intusschen moeten we, naar Gods bevel, tot de volmaking voortvaren ook wat dit stuk betreft, opdat Gods Naam niet gelasterd worde en wij en onze naasten geen schade lijden.

V r a a g. Is Kerk en gemeente 't zelfde en is Kerk en Koninkrijk Gods 't zelfde? 
A n t w o o r d. Neen. Als wij spreken van „gemeente" bedoelen we de gemeenschap van de schare der geloovigen onderling. We vergaderen midden in en met „de gemeente." We leggen den zegen op „de gemeente". Maar de Kerk is de georganiseerde gemeente des Heeren, uitkomend in de ambten en in de ordeningen en regels, die er voor Gods gemeente op aarde zijn moeten om als Gods Kerk te leven. Als we van ambten en bediening der genademiddelen spreken enz. gebruiken we het woord „Kerk"d.i. huis des Heeren Jezus Christus (Kuriakè). Het is de institutaire vorm naar de inzettingen van Christus, Die dat tot opbouw, uitbreiding en bevestiging der Kerk noodig heeft geoordeeld en diensvolgens bevel gegeven heeft.
Nu is de „Kerk" niet 't zelfde als „het Koninkrijk Gods". Overal waar de werking des Geestes zich laat merken is „het Koninkrijk Gods", dat gekomen, dat komt èn dat komen zal. En nu is de Kerk te beschouwen als het middel voor de komst van Gods Koninkrijk. Daarom sluit de bede om de komst van het Koninkrijk Gods ook in dat Gods Kerk worde bewaard en vermeerderd. (Zondag 48). En wanneer de Kerk iemand overeenkomstig Gods Woord uitsluit en uitbant uit haar midden, heeft zij te gelooven en te zeggen, dat zoo iemand ook het Koninkrijk Gods niet zal beërven, 't Zijn dus niet dezelfde zaken, maar ze hangen nauw samen.
OPMERKER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Vragenbus.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 augustus 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's