MEDITATIE
Schuldvergeving
„Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Psalm 130 vers 3 en 4.
Wie onzer zal niet menigmaal aangeheven hebben het bekende Psalmlied:
'k Heb mijn tranen onder 't klagen.
Tot mijn spijze dag en nacht.
Daar mij spotters durven vragen:
Waar is God, dien gij verwacht?
Zoo klaagt de ziel in den weg van donkerheid en aanvechting. Zulk een ziel kent daartegenover zulke andere tijden, dagen van overvloed, en nu zit hij daar terneder, ziende de afmakingen en ongerechtigheden, zoodat God terecht Zijn aangezicht komt te verbergen. Want de zonde, door hem bedreven, de ongerechtigheid tegen den Heere staat hem voor oogen. Hij beseft ten volle zijn verantwoordelijkheid en, dit maakt hem juist bekommerd. De vrede met God is geweken en de omgang met God daardoor belemmerd. Hij beklaagt zich niet, dat de mensch zoo ongelukkig is geworden, hij heft geen noodeloos gejammer aan, dat de mensch niet anders kan dan zondigen, maar hij beseft dat de zonde, door hem bedreven, een gevolg is van de onreinheid des harten. En nu hij in donkerheid daar terneder zit, nu tranenbrood zijn deel is, nu de spotters hun stem doen hooren: „Waar is uw God?", gevoelt hij zich bekommerd vanwege zijn zonden.
Die bekommering vloeit voort uit de rechte bron. Er is een ware vreeze voor, een liefde tot God in zijn harte. Het is die vreeze, dat hij dien God uit het oog verloren heeft. Het is die liefde, die hem tot deze erkentenis komt te brengen: „Ik ben bekommerd vanwege mijne zonden".
Het licht der genade, dat in zijn hart is opgegaan, vervult zijne ziel met weemoed over de overtreding waaraan hij schuldig is. Hij verbergt dus zijn ongerechtigheid niet, tracht niet aan de gevolgen te ontkomen, maar bukt onder Gods slaande hand. Berouw heeft hij over de zonde, wijl zij tegen God bedreven is. Hij heeft tegen God gezondigd, die zooveel genade aan hem heeft bewezen, zooveel gunst aan hem heeft betoond. Dit alles doet hem laag bukken voor zijn God, dat doet hem zijn schuld bekennen: „Ik heb gezondigd en gedaan dat kwaad was in Uwe heilige oogen".
En moet iedere levend gemaakte ziel niet zoo bekommerd zijn? Wordt de klaagtoon daar niet gevonden: „Hoe kleeft mijn ziel aan het stof"? En dan, omdat de Heere toch niet altijd voor Zijn volk een land van uiterste duisternis is, wanneer de Heere in Zijne goedgunstigheid het licht weer laat schijnen, dan blijkt het dat hun geen beter zielebrood kon geschonken worden als dat tranenbrood. Want als de Heere de ziel in de ruimte gesteld heeft, dan kan deze met volle bewustheid uitroepen: „Nu weet ik in Wien ik geloofd heb, en Hij zal mijn pand, bij Hem weggelegd, bewaren tot dien dag".
Zalig, wien de tranen tot spijze mogen worden. Deze gedachte vindt gij opgeteekend in Psalm 130 vers 3 en 4:
„Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?
Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Dit woord uit den 130sten Psalm is ontleend aan de Hamaaloth-liederen, die gezongen werden door de kinderen Israels als zij opgingen naar Jeruzalem om feest te vieren in het huis des Heeren.
Deze 130ste Psalm mag met recht wel genoemd worden: een lied uit de diepte. Klaagt hij daar niet: „Uit de diepten roep ik tot U, o Heere. Heere, hoor naar mijne stem, laat Uw ooren opmerkende zijn op de stem mijner smeekingen". En als de Psalmist dan zoo uit de diepte roept, steunt hij op de verbondstrouw des Heeren, maar ook op Zijn macht. Hij klemt zich in zijn smeeking aan den Heere vast. O, dat deed straks de Christus ook, als Hij als de Borg de verlossing der Zijnen volbrengen zou. Hij heeft in de plaats der Zijnen uit de diepste diepte geroepen, en in de allereerste plaats geldt het van den Zoon:
Uit diepten van ellende,
Roep ik met mond en hart
Tot U, die heil kunt zenden:
O Heer', aanschouw mijn smart.
Maar Hij, de Zoon, is verhoord en omdat al Gods kinderen als een bundelke der levenden op Zijn Middelaarsziel gebonden liggen, omdat Hij het lied uit de diepte in hun mond komt te leggen, ligt ook in Hem de oorzaak van het hooren en verhooren van de smeeking en 't geroep uit de diepte. „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?"
Gewis, geen mensch kan bestaan, wanneer Hij met hem in het gericht zal treden. Job roept het uit: „Ik zal mijn Rechter om genade bidden". Wat had een David niet veel van dat recht des Heeren leeren verstaan. Hoe spreken daar vele Psalmen van. En wat hebben de profeten God niet altijd als een rechtvaardig Rechter, als een heilig God aan het volk voorgesteld; een God, Wiens oordeelen waarachtig en getrouw zijn. Daarom: God is heilig en rechtvaardig, en als God met den mensch gaat richten, niet één op duizend zal hij kunnen antwoorden, want de beste gerechtigheid van den mensch is niet anders dan een wegwerpelijk kleed. En dan gaat het hier om een rechtsgeding. Daar staat de heilige Rechter, die volkomen recht doet. Hij spant Zijn vierschaar, de zondaar verschijnt voor het gericht en door de overtuiging des Heiligen Geestes weerklinkt in de ziel der belijders: „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?"
Bestaan, wil zeggen: staan blijven.
Wie zal in het gericht staande blijven, als een, die zich van alle schuld vrij maken kan? Wie zal staande blijven in Uw oordeel? En het antwoord van den diep verslagenen zondaar is: Niemand. Dan wordt het: „Wee mij, ik verga".
Als de Heere in dat gericht zal treden, dan komt alles weg te vallen. Dat kleed der eigengerechtigheid, die deugden en vroomheid, dat alles blijkt geen grond te zijn waarop men kan nederzinken. Wel wil het natuurlijke hart des menschen niet aan een algeheele veroordeeling. Het is alleen Gods Geest, die het hoogmoedige hart komt te buigen en leert in den weg van zelfontdekking dat vonnis van den Rechter onderteekenen. Op menigeen maakt het gewone leven niet den indruk van een zondig leven. Als men door Gods algemeene genade niet schuldig is aan grove, uitwendige zonden, dan zijn er wel tekortkomingen, doch dan blijft het hierbij. Het werpt niet neer in dat diepe hartverscheurende schuldbesef van den dichter. Daarom wordt er zoo weinig dorst naar schuldvergiffenis gevonden.
Maar als de Heilige Geest een menschenkind in de diepte komt te leiden, dan zal hij schrikken over al die gruwelen en over al die boosheid, zelfs dan, wanneer er nooit een grove zonde naar buiten uittrad, al werd hij voor alle uitbrekende zonden bewaard. Want dan ziet hij, hoe de wortel des levens verkankerd is, dan krijgt hij met Gods recht te doen, dan perst het uit zijn geprangd gemoed: „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan"? Dan gevoelt hij dat hij moet omkomen. Het smeeken wordt belijden. Het belijden wordt een door Gods Geest geleerd gebed, gelijk de dichter uitroept:
Wil uwen knecht, door schuld verslagen,
O Heer', niet voor Uw vierschaar dagen.
Want niemand zal in dat gericht.
Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen.
Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.
Al zijn zonden komen vóór hem. Niet alleen zijn dadelijke zonden, maar ook zijn erfzonde. Alles wordt hem een last. Niets dan ongerechtigheden. Hij wil niets afdingen op de rechtvaardig verdiende straf. Hij roept niet als een smeekeling om de straf te ontkomen, maar belijdt als een zondaar, die door den Heiligen Geest geraakt is, in de diepte getrokken, met Gods onkreukbaar recht in aanraking komt en hem alzoo de zonde laat zien. De zonde is een afbuiging van het recht, een zich keeren van den weg der gerechtigheid, een zich verzetten tegende rechten en geboden des Heeren. Ja, het „in ongerechtigheid geboren" beteekent dat de stand van het hart reeds van den beginne af tegenover het recht Gods verkeerd is. Want als de Heilige Geest innerlijk aanraakt, gevoelt hij, dat het woord ongerechtigheid niet te scherp is. En als gij in zelfverblinding zoudt meenen dat er nog wel iets bestaan kan voor Gods aangezicht, dan wordt dit onverbiddelijk afgesneden door het woord van Jesaja: „Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed". Dan staat de Rechter, die volkomen recht doet. Hij spant Zijn vierschaar en Hij meet met een zuivere maat, Hij weegt met een juiste weegschaal.
En welke toestand wordt het dan voor de ziel? Zonden vóór zich, zonden achter zich, de hel spert hare kaken op, eeuwige dood en verdoemenis voor oogen. Een toestand wordt doorgemaakt, die niet te boven is te komen. Want:
Geen zondaar zal 't gewis verderf ontkomen
Als in 't gericht door God wordt wraak genomen.
Kent gij dien toestand bij eigen ondervinding? Zij, die geen vreemdeling zijn gebleven aan het gebed van den dichter: „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal voor Uw aangezicht bestaan?", dezen zullen ondervinden dat deze kennis een heilzame verlegenheid veroorzaakt heeft. Dan zal de tijd wel gekend zijn, waarop zij zich voor den rechtvaardigen Rechter der gansche aarde moesten stellen om hun vonnis en veroordeeling te billijken. Maar Gods Kerk leert verstaan dat zij te doen heeft met een God die met eenen eed gezworen heeft geen lust te hebben in den dood des goddeloozen, doch daarin heeft Hij lust, dat hij zich bekeere en leve. En als dit voor eigen ziel doorgemaakt is, dan leert de ziel dat wonder van Gods ontferming in den Heere Jezus Christus zoo hoog waardeeren, dan zijn er oogenblikken dat de ziel uitroept:
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht.
Uw vrije gunst alleen wordt d' eere toegebracht.
Of wil menigeen zichzelf liever nog rechtvaardigen? Gods gericht kan hij niet ontgaan. En als hij hier geen Borg, geen Voorspraak voor zijn schulden en zonden noodig heeft, wat zal het dan verschrikkelijk zijn voor Gods gericht te moeten verschijnen.
De Heere geve u nog bijtijds schuldbelijdenis te doen. God laat zich niet bespotten. Hij blijft niet eeuwiglijk twisten. Wat heeft de Heere, sedert de eerste mensch gezondigd heeft, Zijn heilige wraak en ongenoegen tegen de zonde geopenbaard. Ziet het bij de eerste wereld, toen God alle menschen, op acht zielen na, door de wateren van den zondvloed ombracht. Toen Sodom en Gomorra door zwavel en vuur, dat van den hemel nederdaalde, verdelgd werden. Toen Dathan en Abiram levend ter helle nederdaalden.
Ontzettend gemis, dat gemis aan schuldbesef. Terecht toch zingt David in Ps. 51:
Gods offers zijn een gansch verbroken geest
Door schuldbesef getroffen en verslagen.
Dit offer kan Uw heilig oog behagen;
't Is nooit, o God, voor U veracht geweest.
Geen schuldbesef beteekent geen behoefte aan het dierbaar bloed van Christus. Daarom, welgelukzalig de mensch, die zijn zonde leert kennen en betreuren, die God in Zijn recht leert billijken en zijn Rechter om genade leert bidden.
Want nu zegt de dichter in het vervolg van ons tekstwoord: „Maar bij U is ver geving". En nu vraagt gij u misschien ver wonderd af: Hoe is dat mogelijk, kan daar sprake zijn van vergeving, waar het recht Gods uitspraak moet doen? Ziet dan de rechtvaardige Rechter de ongerechtigheid voorbij? Trekt Hij dan het uitgesproken vonnis in? Heft Zijn barmhartigheid en liefde Zijn rechtvaardigheid op? Doet Hij afstand van Zijn recht?
Dat zij verre. En toch klinkt de heerlijke troostvolle waarheid van het Evangelie den schuldigen zondaar tegen: „Daar is vergeving". En dat niet met opheffing, maar met volle genoegdoening aan Gods onkreukbaar recht. Dat is het wondervolle der genade. Slechts één weg was er open. Als er een Middelaar gevonden werd, die aan den eisch van Gods recht kon en wilde voldoen, een Borg, die plaatsvervangend den last van Gods rechterlijken toorn dragen kon en verlossing aanbrengen voor den schuldigen zondaar. En ziet, dat is reeds aan de Kerk van het Oude Testament toegezegd. Hij voldoet aan Gods recht, als hij naar de profetie van Jesaja 53 de straf dragen zal die den vrede aanbrengt en gehoorzaam zal zijn als 't Lam, dat bereidwillig ter slachting wordt geleid. Dat vergeven zal dan zijn een niet toerekenen van de schuld, een kwijt schelden van de verdiende straf, een toerekenen van de verdienste van den grooten Hoogepriester. Bij den Heere is vergeving in dien hoorn des heils, die in de volheid des tijds opgericht zou worden in 't huis van David.
Zoo zal de schuldige bestaan kunnen in het gericht, niet omdat hij zelf nu rechtvaardig is geworden, niet omdat hij zich zelf vrijmaakt, maar omdat de Rechter hem, doemschuldige, in dien Borg rekent, vrij verklaart. Dat troostte reeds een David, als hij in Psalm 32 uitroept: „Welgelukzalig is de mensch, wien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent". In Adams bondsbreuk en val lag de geheele wereld voor God verdoemelijk, maar in Christus Jezus is vergeving van schuld en vrijspraak van straf. In Hem is alles wat tot het leven en tot de godzaligheid noodig is.
„Bij U is vergeving".
Die vergeving is er, en die ligt als een heilsschat voor Gods gansche erve gereed. Maar zal dit stuk nu tot vertroosting der ziel zijn, dan is het noodig dat de ziel in de diepte der verbrijzeling bij de worsteling met de zonde met het oog des geloofs die vergeving Gods in Christus aanschouwt. Daarom alleen moest onze Heere Jezus, de rechtvaardige, de onschuldige, die geen zonde gedaan heeft, bij Wien geen bedrog in Zijn mond geweest is, den bangen weg der schande betreden, door de donkere poort des doods gaan, opdat Satan, de groote aanklager, de vijand onzer ziele, haar niet zou kunnen verderven.
Zie, daarom heeft God Zijn eigen Zoon gesteld in hun plaats, de ongerechtigheid op Hem doen aanloopen en om hunne ongerechtigheid is Hij verbrijzeld geworden. Dan leert de ziel verstaan het woord: „Bij U is vergeving"; want — zegt de dichter, en dan is dat het vruchtgevolg: „Opdat Gij gevreesd wordt".
Dat wil volstrekt niet zeggen: de vrees, die van God doet wegvluchten. Deze vrees wordt bij Adam gevonden als hij uitroept: „Ik vreesde, daarom verbergde ik mij".
Neen, hier bedoeld is het die heilige, kinderlijke vreeze des Heeren, die eerbiedige schuchterheid, die met diep ontzag doet vervuld zijn als men tot den Heere nadert, die ons doet luisteren naar de stem des Heeren. Dan is de vrucht dier genade, dat er een haat geboren is tegen de zonde. Zoo wordt Gij, Heere, met beving recht kinderlijk gevreesd.
„Opdat Gij gevreesd wordt". Dat is de korte samenvatting van den dienst des Heeren. De Heere wil de eere van Zijn werk hebben. Hij vergeeft niet omdat Hij gevreesd wordt, want dan zou de mensch de eerste geweest zijn, dan zou Gods vergevende genade afhankelijk zijn van 's menschen werk en verdiensten. Neen, Hij vergeeft, opdat Hij gevreesd zal worden. Alles van 's menschen zijde wordt afgesneden en het wordt bewaarheid: Ik ben gevonden van die naar mij niet vraagden. Ik, ben gevonden van degenen die mij niet zochten. Tot het volk, dat naar Mijnen Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik; ziet, hier ben Ik.
Het is die vreeze die gewekt wordt in het harte als de Heere tot een benauwde ziel afdaalt en in den weg der ontdekkende genade de ziel komt te leiden. Wij zien dit bij den tollenaar, in wiens harte deze vreeze gewerkt was en het uitriep: „O God, wees mij zondaar genadig".
David kermde: „Gena, o God, gena, hoor mijn gebed". En als gij geen vreemdeling zijt aan het lied van den dichter:
Ik heb in nood aan God verbonden;
In Hem mijn hoog vertrek gevonden.
In God, Wiens goedertierenheid
Zich over mij heeft uitgebreid.
Ziet hier aan de eene zijde voor oogen gesteld de rechtvaardigheid van dien goddelijken Rechter, die te rein is van oogen dan dat Hij het kwade aanschouwen kan, doch aan de andere zijde Gods vergevende liefde in Christus Jezus.
Hebt gij door Gods genade reeds daarvan iets leeren kennen? Men denke niet, dat het dragen van den Christennaam waarborg is dat gij die vergeving van zonden deelachtig zijt. Noch kunt gij daarmee volstaan dat gij het teeken des Doops ontvangen hebt of dat gij belijdenis hebt afgelegd. Zegt de Heere Jezus zelf niet: Niet een iegelijk, die daar zegt: Heere, Heere. Er zullen er ten jongsten dage gevonden worden, die uitroepen: Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan? En het antwoord zal wezen: Gaat weg, Ik heb u nooit gekend.
Hoe noodig is het dan dat de zondaar door 's Heeren Geest aan zichzelf ontdekt wordt als onderworpen aan den vloek, als geheel onmachtig om zichzelf te verlossen en zijn zaligheid uit te werken. Hoe noodzakelijk is de aandrang des Heiligen Geestes om de toevlucht te kunnen nemen tot Christus Jezus, den eenigen Zaligmaker. De profeet Zefanja roept het nog toe: Doorzoek uzelf nauw, ja zeer nauw, gij volk, met geen lust bevangen.
Als gij nooit nog geen behoefte gevoeldet aan schuldvergiffenis, die het niet weet wat het zeggen wil uit de diepte tot den Heere te roepen, die nog nooit onder uw zondelast gebukt daar terneder gelegen hebt, dan hebt gij nog nooit een oor ontvangen om te vernemen dat er bij den Heere vergeving is.
Dat gij nu in het heden der genade uw Rechter om genade moogt leeren bidden, dat gij die genade leert afsmeeken, die als een doemwaardige bij het licht des Heiligen Geestes u hebt leeren kennen. Dan zult gij het leeren verstaan dat bij den Heere vergeving is.
En gij, die bekommerd zijt vanwege uw zonden en misdaden, die het niet gelooven kunt dat uwe zonden vergeven worden, weet het: Christus' bloed reinigt van alle zonden. Zijn Geest is het die dooden levend maakt. De Noordenwind des Heiligen Geestes is het die een zuiverende kracht in den zondaar komt te brengen, en de Zuidenwind des Heiligen Geestes leidt en vertroost de ziel immers zoo liefelijk.
Zoekt daarom bij Geesteslicht de dingen, die boven zijn, opdat het uw leven worde den Heere te kennen, te dienen, te verheerlijken en te aanbidden. En als gedurige aanvechtingen uw ziel benauwen, welk een vertroosting dat gij te doen hebt met een God die het werk begonnen is, het zal voortzetten en het ook zal voleindigen. Gelukkige zielen, die de schuldvergiffenis hebt ondervonden, die het hebt leeren verstaan:
Zijn bij ons dan vele zonden,
Bij God wordt gena gevonden.
Is er menigmaal nog bange twijfel in het hart dat de Heere zulke snoode zondaren geen vergiffenis kan en wil schenken, toch uit uw eigen levenservaring kunt gij het getuigen dat bij den Heere vergeving is, opdat Hij gevreesd wordt. Al is van uwe zijde uw levensweg raadselachtig met gedurige vrees, van 's Heeren zijde staat het onwankelbaar vast. Alles wat gij van noode hebt vindt gij in den Heere gereed. In den vaak zwaren strijd zult gij goeden moed ontvangen. Steekt u in het dal der moerbeziën de hitte der verdrukking, weet toch, uw Zaligmaker is een Zon en Schild en een geopende fontein. En dan, gesterkt door die vaste hoop dat uw zonden vergeven zijn, zult gij die doodsjordaan over komen om te leven tot verheerlijking van den drieëenigen God.
Amen.
Voorthuizen W.L. MULDER
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 augustus 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's