De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus.

6 minuten leestijd

Vraag. Wat weten wij van de verkiezing?
Antwoord. Laat ons, aan de hand van de Vijf Leerregels van Dordt, Hoofdstuk I, een paar dingen noemen. (Kent men onder ons dat derde stuk van onze Drie Formulieren van éenigheid, waarin de Gereformeerden overeenstemmen wat hun gelooven en belijden aangaat? Laat men deze geschriften toch vlijtig, gedurig, biddend onderzoeken!)

De Leerregels zeggen dan: In Adam zijn allen verloren (hoofdstuk I, art. 1); de liefde Gods is de bron der verlossing (I, art. 2); de God der ontfermende liefde wandelt in den weg der roeping (I, art. 3); tweeërlei antwoord komt uit het midden der menschen op de roeping Gods (I, art. 4); het ongeloof is des menschen, het geloof is Godes (I, art. 5); 't is God, die alle dingen werkt naar den raad Zijns willens (I, art. 6); bij den Heere is een eeuwig voornemen ten leven (I, art. 7); die verkiezing is één en dezelfde voor alle tijden, en sluit alles in zich om het den uitverkorenen te geven (I, art. 8); bij de verkiezing wordt niets geëischt, in haar wordt alles gegeven (I, art. 9); de oorzaak der verkiezing is in God (I, art. 10); de verkiezing is onveranderlijk (I, 11); de Heere geeft Zijn kinderen verzekering aangaande de verkiezing in den weg des geloofs (I, 12); de vruchten der verkiezing zijn nederigheid en ootmoed, geenszins zorgeloosheid en hooghartigheid (I, 13); het spreken over de verkiezing geschiedt door Gods kinderen met godvruchtige eerbiediging en nederige dankbaarheid (I, 14); in de verwerping ligt een rechterlijke daad Gods en maakt God geenszins tot een auteur van de zonde, 't welk godslasterlijk is te denken (I, 15); die van de verkiezing nog niet verzekerd zijn, moeten vlijtig voort gaan in den weg der middelen (I, 16); verbondsbeloften liggen er voor de kinderen der geloovigen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt (I, 17); het past niemand tegen deze dingen te murmureeren, maar de Heere dient in dit alles te worden geprezen. (I, 18).
Dat is het positieve gedeelte, waarin gezegd wordt wat, naar het Gereformeerd gevoelen, naar uitwijzen van de Schrift, is.
Tegelijk zeggen de Dordtsche Leerregels aan 't adres van de Remonstranten in het tweede deel van Hoofdstuk I, dat een verweerschrift is, wat men toch vooral niet van de verkiezing moet gaan maken door allerlei drogredeneeringen:
God maakt niet zalig, degenen die uit zich zelf gelooven zullen; neen, het is omgekeerd: die Hij verkoren heeft, komen tot het geloof, volharden en worden zalig (I, art. I).
Er is geen tweeërlei verkiezing, één verkiezing tot het geloof en weer een andere tot de zaligheid; niet een halve verkiezing, die weer kan blijven steken als de mensch niet verder wil; want de verkiezing is één geheel ten leven, in de verkiezing is alles begrepen. Rom. 8 vers 30. (I, art. II).
Het welbehagen Gods gaat niet over dezulken, die gelooven en gehoorzaam zijn, om dezulken, die het goede willen, al zijn ze niet volmaakt, uit te kiezen ten leven — neen! dan wordt de genade Gods en de verdienste van Christus te niet gedaan. God de Heere roept de Zijnen naar Zijn eigen voornemen, om als goddeloozen, zonder de werken, in Christus te worden behouden. (I, art. III).
't Zijn niet, die van nature goedig, nederig en vroom zijn, die de Heere verkiest — al de verkorenen moeten zichzelf beschuldigen blind en dwaas en goddeloos en dood in de zonden en misdaden te zijn van nature. (I, art. IV).
't Is niet zóó, dat de Heere aanvankelijk verkiest die zullen gelooven, om dan als ze gelooven en volharden, te besluiten dat Hij dezulken in Zijn beslissende en eeuwige verkiezing zal opnemen. 't Is niet zóó, dat de uitverkorenen gelijk zouden zijn aan degenen, die een proeftijd doorstaan, om, als ze volharden, te worden aangenomen voor eeuwig en anders teruggewezen te worden, 't Welk strijdt met de Schrift. Rom. 9 vers 11; Hand. 13 vers 48; Efeze 1 vers 4; Joh. 15 vers 16; Rom. 11 vers 6; 1 Joh. 4 vers 10. (I, art. V).
't Is niet zóó, dat de verkiezing nog geen vastigheid geeft, maar nog de mogelijkheid open laat van te zullen. God is niet veranderlijk. En de Schrift zegt „dat de uitverkorenen niet kunnen verleid worden" (Matth. 24 vers 24) „dat Christus degenen, die Hem van den Vader gegeven zijn, niet verliest" (Joh. 6 vers 39) „en dat God, die Hij te voren verordineerd, geroepen en gerechtvaardigd heeft, diezelven ook heeft verheerlijkt" (Rom. 8 vers 30) (Hoofdst. I, rt. VI).
't Is ook niet zóó, dat er van de verkieing Gods geen ervaring, geen bevinding, geen vertroosting en geen zekerheid zou zijn of komen bij de geloovigen in hun leven, want de Schrift zegt, dat de Heere op Zijn tijd en Zijn manier, in onderscheidene trappen en in onderscheidene mate ervaring van het werk Zijner genade in Chrisus geeft. Waarom ze ook hun verkiezing en roeping moeten vastmaken. (I, art. VII). 't Is niet zóó, dat er geen verwerping is van schuldige en verloren zondaren in en door de daad Gods, doordat Hij zondaren laat in hun val, waarin zij zich zelf geworpen hebben. Want de Schrift leert zulks, dat de mensch verloren ligt en dat de diepste grond èn van het behouden worden èn van het in de moedwillige verlorenheid blijven liggen, te zoeken is in God, die allen in de ellende ziet weggezonken en hen uit die ellende genadig verlost of rechtvaardig hen in die ellende laat, naar Zijn eeuwig, vrijmachtig welbehagen. Naar de Schrift zal de verloste in den hemel alleen Gods genade roemen, en het Lam eeren — terwijl de veroordeelde in de hel zich zelf zal veroordeelen als zijnde de schuldige, Gods rechtvaardigheid daarbij erkennend. In deze hebben we Gode te zwijgen. (I, art. VIII). Daarbij wandelt God in den weg der middelen en het is het werk der gemeente om door de prediking des Evangelies tot de volkeren te gaan; het werk der Zending is aan Christus' Kerk toebetrouwd, maar het is tenslotte de Heere die zendt waarheen Hij wil. Niet naar verdienste is het, dat het Evangelie komt tot een volk of tot een werelddeel, 't Is op Gods tijd en op Gods wijze dat de gang der prediking zich beweegt onder de natiën. Waar de Heere Zijn uitverkorenen heeft, zendt Hij het Evangelie en waar Hij wil komt Hij met den geest der verharding. De slotzang voor alle volkeren en natiën, waarvan de schare des hemels zal binnen komen, zal zijn: „door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen" (I, art. IX).
Deze dingen zijn ons geopenbaard. En de geopenbaarde dingen zijn voor ons en voor onze kinderen. De verborgen dingen zijn en blijven den Heere, Die te prijzen zal zijn tot in eeuwigheid!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Vragenbus.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 augustus 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's