De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN.

8 minuten leestijd

AAN VERSCHILLENDE GEREFORMEERDE KERKBODEN.
Het is ons gebleken, dat vooral van de zijde der Gereformeerde Kerken nogal eenige aandacht is geschonken aan de aanklacht die wij opzonden aan het Classicaal Bestuur der Ned. Herv. Kerk te Gouda, naar aanleiding van het optreden van een modern predikant te Krimpen aan den IJssel.
Het ware ons aangenaam geweest, en o.i. in overeenstemming met de goede manieren, wanneer speciaal die bladen, die ons persoonlijk een verwijt er van maken, dat wij niettegenstaande de gebreken der Ned. Herv. Kerk, toch in die Kerk blijven, ons door toezending van hun artikelen op de hoogte hadden gebracht, en ons alzoo in de gelegenheid hadden gesteld, ons van tweeslachtigheid vrij te pleiten.
Nu die bladen zulks niet deden, vernamen wij eerst na ongeveer vijf weken, wat er te dezen opzichte werd geschreven. In het kort willen wij ons standpunt in de Waarheidsvriend uiteenzetten met vriendelijk verzoek aan die Raden, die ons aanvielen naar aanleiding van ons eerste schrijven, nu ook het antwoord op te nemen, en tevens bij mogelijk commentaar, ons een exemplaar van het betrokken blad toe te zenden.
De zaak waarom het gaat is deze: Wij zouden den wanhopigen toestand der Ned. Herv. Kerk inzien, en niettegenstaande dat toch lid ervan blijven. Waarschijnlijk wordt bedoeld, dat wij feitelijk verplicht waren ons aan te sluiten bij de Gereformeerde Kerken. Enkele der redenen die mij nopen dat niet te doen, mogen hier kortelings volgen.
In de eerste plaats geloof ik niet, dat we hier op aarde ooit een zuiveren kerkvorm, noch een feilloos kerkgenootschap zullen krijgen. Tot op zekere hoogte gaat het hiermede als met de kluizenaars en de monniken uit de Middeleeuwen. Deze verlieten een zondige wereld en meenden door afscheiding een zondeloos bestaan te vinden, in elk geval een bestaan zonder zondige invloeden van buitenaf. Evenwel hun grootsten vijand, het zondige hart, namen zij mede, ook in de afscheiding en de afzondering.
Zoo ook op kerkelijk gebied. Wanneer we de vervallen zondige Ned. Hervormde Kerk verlaten en een zuiverder Kerk meenen te stichten, dan blijkt al ras dat zich langzamerhand dezelfde fouten gaan openbaren, want ook deze Kerk bestaat uit zondige menschen. Alle zuiver houden der uitwendige vormen zal ook daar de innerlijke gebrokenheid niet tegen houden en slechts op den duur bewerken óf een schoonen schijn zonder werkelijken inhoud, óf, wat al even erg is, een groot quantum van menschen, die zich uit vrees of uit allerlei andere oorzaken buigen voor den uiterlijken vorm.
Men versta mij hier evenwel niet verkeerd. Wij keuren hiermede niet af, wat de Synoden der Gereformeerde Kerken doen voor het zuiver houden van leer en belijdenis. Integendeel, dat is haar dure plicht, en wij betreuren het ten zeerste dat in de Hervormde Kerk deze roeping zoo schromelijk wordt verwaarloosd. Wat wij wilden zeggen is dit: Met het zuiver houden der uitwendige vormen is men er niet. Op den duur zal geen enkele kerkelijke organisatie het inwendig verval kunnen tegen houden, ook al is de vorm gered, en dus geeft overgang naar een andere Kerk absoluut geen waarborg, dat daar alles is zooals het behoort.
En dan het persoonlijk element, de persoonlijke schuld, de persoonlijke verantwoordelijkheid.
Gaat het aan voor een zoon, die eerst heeft mede geholpen een huisgezin te ruïneeren, dat gezin te verlaten, wanneer de gevolgen van de uitspattingen, waaraan hij zelf mee deed, zich gaan doen gevoelen? Is het niet zijn plicht, om, desnoods alleen, te redden wat nog te redden is? Of meent de redactie van de „Leidsche Kerkbode", of D.L.K. van K. a.d. L., dat zij geen schuld hebben aan de breuk der Hervormde Kerk? Wanneer zij persoonlijk er nooit toe hebben behoord, dan toch zeker wel hunne vaderen. En dan geldt toch ook voor hen 't Schriftwoord: Wij en onze vaderen hebben gezondigd. Wij zijn toch niet vrij van de zonden der Kerk, wanneer wij zeggen: De oude schulden laten wij onbetaald en nu beginnen wij een nieuw leven. Geen enkele schuldeischer zal oude schulden vrij spreken, wanneer wij er geen nieuwe meer bij maken. Allen die hebben behoord tot de Ned. Hervormde Kerk, hebben een schuld aan haar. Zij of hunne vaderen hebben haar helpen ruineeren. Is het nu billijk haar te verlaten, nu zij uitgeput en ziek terneer ligt? Is 't redelijk, met minachting op 't treurig overschot terneer te zien, waar men zelf een der oorzaken is van haar toestand? Integendeel, ieder heeft tot plicht voor haar te doen wat maar mogelijk is: Biddend te werken aan en werkend te bidden voor haar herstel. Wanneer zoo in de 19de eeuw was gedaan, het gehalte der Hervormde Kerk zou nu anders zijn. Wanneer haar gelederen konden worden aangevuld met diegenen der gescheiden broeders en zusters, die nog de aloude Waarheid lief hebben, wat een ander beeld zou zij thans vertoonen.
Neen, broeders en zusters uit de Gereform. Kerken, gij zijt er niet mede klaar medelijdend de schouders op te halen voor de verdorven Hervormde Kerk. Enkele der scheuren en vlekken, die haar kleed ontsieren, hebt gij zelve aangebracht. Maak nu evenwel de schuld niet nog grooter, door diegenen, die haar breuk zien en betreuren, doch niettegenstaande dat, haar nog trouw blijven, van haar weg te troonen.
Hoe heerlijk zou het zijn, wanneer de weinigen uit de Gereformeerde Kerken, met wie wij door banden des bloeds of die der vriendschap zijn verbonden, en de velen die wij niet kennen, met ons konden arbeiden aan den wederopbouw van de verbroken muren. Scheiding is een kenmerk en gevolg der zonde. Eens was er harmonie en eenheid, doch zij werden wreed verstoord. Wij maken ons daarom geen illusies van een godsdienst zonder verdeeldheid. In deze bedeeling zullen helaas de kerkmuren steeds scheiding blijven maken, ook tusschen hen, die feitelijk bij elkaar toehoorden. Wij hebben niet veel hoop op de verwezenlijking van wat een belijdend lid der Gereformeerde Kerken eens tot ons zei: De Hervormde Kerk blijft onze Moederkerk, en wanneer zij te eeniger tijd terugkeert tot de belijdenis der vaderen (die onder alles toch nog haar belijdenis is gebleven) dan keeren wij terug. Wij verwachten van dien terugkeer ook in de genoemde omstandigheden niet veel, maar hebben toch een wensch, n.l. deze: Wanneer deze gedachte werkelijk leeft in de Gereform. Kerken, toont dan dat zij u ernst is; toont dat door te bidden, dat de Geest des Heeren den hof der Hervormde Kerk moge doorwaaien en zuiveren, doch breek haar niet verder af. Kerkherstel is een werk, dat boven zwakke menschelijke kracht uitgaat. Noch door wat opknappen, noch door afscheiding is zij gebaat. Wanneer gij werkelijk de Hervormde Kerk als uwe Moederkerk beschouwt, die gij in haar ziekte alleen hebt gelaten (o.i. onverantwoordelijk tegenover een Moeder) houdt dan op met in uwe Kerkboden het haar nog moeilijker te maken, doch heb den moed om openlijk van uwe kansels te bidden: Heere, reinig en zuiver de Hervormde Kerk en bouw haar weer op, want zij is onze Moeder en wij verlangen weer bij haar te zijn. Zij is doodziek door haar en onze schuld, zij draagt de afschuwelijke gevolgen van hare en onze groote zonden, maar wij hebben haar toch lief, want zij blijft onze Moeder. Wij bidden U daarom om haar herstel, opdat spoedig de tijd moge aanbreken dat wij weer met haar in ééne woning vereenigd, Uw lof mogen verkondigen.
Ten slotte een paar korte opmerkingen.
Een der Kerkboden schreef: Hij (ondergeteekende) wekt op tot ootmoedige belijdenis van eigen zonden en daardoor eigen schuld in het verval der Kerk en tot gebed, enz.
Inderdaad deden wij dat, doch wat ons nu zoo bevreemdt uit Gereformeerden mond, is dit. De schrijver in de Kerkbode laat dan volgen: ANDERS NlETS. Wij zouden willen vragen of belijdenis van schuld en gebed in de Gereformeerde Kerken kleinigheden zijn, gezien het eenigszins laatdunkende ANDERS NIETS, de Gereformeerden in de Hervormde Kerk beschouwen op grond van Schrift en belijdenis erkenning van schuld een der moeilijkste zaken voor een eigengerechtig mensch en niettegenstaande dat, toch noodzakelijk en totaal onmisbaar op den weg tot verandering. Wanneer er bij de Kerk een ware schuldbelijdenis geboren werd, dan zou dit ontegenzeggelijk het begin zijn van Kerkherstel.
De laatste opmerking geldt den wensch van en Gereformeerd blad: 't Zou goed zijn als deze broeder eens ging beleven wat onze Beijdenis zegt van de Kerk.
Ons antwoord is, dat zoolang de Kerk als Kerk in haar midden nog menschen telt, die bidden en strijden in Gods kracht, zoolang er hier en daar ook in de Hervormde Kerk nog worden toegebracht tot de Gemeente die zalig wordt, dit voor ons het bewijs is dat Gods Geest er nog werkzaam is. En waar die Geest haar nog niet geheel verliet, willen wij niet wijzer zijn, en doen wat 's Heeren Geest niet deed, n.l. haar den rug toekeeren.
C. VERMEULEN,
Krimpen a.d. IJssel. Diaken der Ned. Hervormde Kerk-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

INGEZONDEN.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's