Landdag te 's Grevelduin-Capelle
Vorige week hebben wij ons gehaast een kort verslag van dezen belangrijken Landdag in het „donkere" Brabant — zooals iemand ons schreef — te plaatsen. Het was kort en door ons haastig doorzenden naar de drukkerij allesbehalve volledig. Ds. Van Willigen was zoo vriendelijk een uitvoerig verslag ons toe te zenden en wij plaatsen dat nu gaarne in de kolommen van „De Waarheidsvriend". Er gaat een ritseling des Geestes door de gelederen van jongeren en ouderen, en ieder onzer verheugt zich daar natuurlijk hartelijk over. Daarom nu nog eens, maar nu beter, een verslag van die groote samenkomst in het Zuiden, die ons met vreugd vervulde, toen wij er van verschillenden kant berichten over kregen. Wij hopen ook op tal van abonné's op „De Waarheidsvriend" in Brabant! Wie helpt ons daar?
En nu het Verslag.
De Hoofdredacteur.
Landdag te 's-GREVELDUIN-CAPELLE op Zaterdag 25 Augustus 1928.
Deze Landdag is door Gods goedheid zeer wel geslaagd. Het weder was mooi. Dreven er des middags nog dreigende wolken over het terrein, het bleef bij een dreigen. Bijna steeds werd het zonlicht gezien en des avonds was er zelfs rust aan het uitspansel. De opkomst was groot. Ongeveer 1700 programma's zijn uitgereikt, zoodat ongeveer 1700 menschen op het terrein waren. Gode de eere voor het gunstige weder, het groote bezoek en het wèl-slagen van den Landdag. Wij vernamen, dat er ook Roomsch-Katholieken en meerdere kerkelijk niet-medelevenden op het terrein waren. Het schijnt, dat de Landdagen goede Evangelisatiedagen en Propagandadagen voor de Jongelingsvereenigingen en de Jeugdbeweging in het algemeen worden.
De Landdag stond onder leiding van ds. A. van Willigen, te Woudrichem, die wegens het vertrek van ds. Anker naar Goudriaan-Ottoland en wegens zijn komst D.V. 23 September a.s. te 's-Grevelduin-Capelle, is gekozen tot voorzitter van den Ring 's-Grevelduin-Capelle.
Ds. Van Willigen opende den Landdag met het lezen van Jeremia 22 vers 29: O land, land, land! hoor des Heeren Woord! en met gebed. Daarna sprak hij een kort openingswoord, waarin werd gewezen op het machtige spreken Gods in de natuur in den voorafgaanden nacht door donder en bliksem, zoodat de mensch onrustig werd en van zijn rust werd beroofd. Mocht zoo het Woord Gods alle hoorders bij aanvang of voortgang onrustig maken, doch ook brengen tot de ruste, die er is voor het volk des Heeren in Christus, in Zijn kruisbloed, in Zijn werk.
Vervolgens sprak ds. H.A. de Geus, van Huizen over: „Voorhoofdspanselen". Daarover spreekt Deuteronomium 6 vers 8 en Deut. 11 vers 18. Het gehoor werd bij drie gedachten bepaald, n.l. bij: 1. Dienen; II. Vertrouwen; III. Overwinnen.
I. De voorhoofdspanselen zien op den wetsdienst, op Gods wil in de wet, op den eisch naar het Woord Gods te wandelen, doch tevens op het einde der wet, Christus. Die wet dreigt met den vloek een iegelijk, die niet blijft in alles wat geschreven is in het boek der wet; doch tevens wordt gedoeld op Christus, die voor ons tot een vloek is geworden. Dat Woord Gods is de bron van licht, waarheid, wijsheid. Dat de jongelingen, de jeugd, allen dat Woord lezen in huis en onderzoeken op de vereeniging.
II. Dat Woord Gods wekt vertrouwen in Christus, de Waarheid. Er is veel vraag naar waarheid in de „Vaandrager". Dat Gods Woord worde onderzocht; dit wijst den weg in den doolhof des levens, is een strijdmiddel voor het persoonlijke leven en het leven in al zijn veelvoudige openbaring.
III. De Heere overwint door Zijn Woord Christus, door Zijn Woord, gesproken door de Godsgezanten. Dat jong en oud het getuigenis der voorhoofdspanselen, van het Woord Gods, aanvaarde, doorleve en uitdrage.
Daarna sprak ds. A. van Willigen, van Woudrichem over: „Het Duizendjarig Rijk". Voorgelezen werd Openbaring 20 vers 1 tot 10. Spreker stond stil bij: I. De satan gebonden; II. De getrouwe geloovigen heerschen; III. De satan ontbonden.
I. De apostel Johannes zag eenen engel afkomen uit den hemel met den sleutel des afgronds en eene groote keten in zijne hand. Deze engel is de Engel des Heeren, Christus, die de macht heeft ontvangen om den duivel te binden met de keten van Zijn verdiensten. Hij greep den duivel, draak genoemd, om zijn vreeselijke, groote en verderfelijke macht; slang geheeten vanwege zijn listige verleidingen; duivel om zijn aanklagen der broederen; satan om zijn strijden tegen den Heere. Deze satan werd duizend jaren gebonden, van zijn macht beroofd om de volkeren, de heidenen te verleiden. Duizend is tien in de derde macht. Drie is het getal van den eenigen, drieëenigen God; dus duidt 10X10X10 aan eene Goddelijke volheid van jaren, en wel den Nieuw-Testamentischen tijd van Christus tot vlak voor het einde. Door Christus' kruis is de duivel van zijn macht over de heidenwereld beroofd; door Gods Woord en Geest wordt het Koninkrijk Gods als een geestelijk rijk van Godsheerschappij in de harten opgericht onder Jood en heiden.
II. In dien Nieuw-Testamentischen tijd heerschen de martelaren, de getrouwe dienstknechten, dienstmaagden, kinderen Gods door hun dood om 's Heeren wil, door hun woord, hun voorbeeld, hun arbeid, hun gebed. Zij aanbidden niet de anti-christelijke wereldmacht, vergoddelijkt in 't hoofd, den Antichrist. Zij hebben deel aan de eerste opstanding, de geestelijke opstanding uit den dood van zonden en misdaden, de wedergeboorte, voortgezet in de opstanding der ziel, na den dood, tot het eeuwige leven.
III. Aan het einde van den Nieuw-Testamentischen tijd wordt de satan ontbonden. Hij krijgt weer macht over de heidenvolken, de niet-Joden. De groote afval voltrekt zich daarom in de Christenheid. Van binnen verderving door het anti-christendom en van buiten komt een aanval van de volkeren der aarde (Japan, Ohina, Indië, Afrika). Dan grijpt Christus in. Het eindoordeel heeft plaats. Dan komt het duizendjarig rijk in den vollen zin, het eeuwige vrederijk van het Koninkrijk der heerlijkheid. Welzalig de zielen, die nu in beginsel door de geloofsgemeenschap met Christus mogen heerschen en straks volkomen.
Hierop was het woord aan dr. J. Severijn, van Dordrecht, met zijn onderwerp: De Steen der verbrijzeling".
De Kerk leeft uit het verleden, uit hetgeen God deed. Was er meer geloof, dan zou 't geestesoog meer gericht zijn op de toekomst. Op die toekomst wijst de Steen van Daniël 2 vers 34.
Het rijk van Nebukadnezar was wellicht het grootste, dat er ooit geweest is. Het beeld was van goud, zilver, koper, ijzer en leem. De voeten waren van ijzer en leem, d.i. porselein. De schoonheid van het rijk Babels was eene gave Gods. God de Heere heeft den mensch tot een heerscher gesteld. Die heerschappij blijkt ook in het Babylonische rijk. Babel wordt het sieraad der koninkrijken genoemd, omdat de volkeren nooit zoo'n heerlijkheid hadden bijeen gebracht. Het goud is een beeld der waarheid. Er was nog waarheid in het rijk, niet in den zin van genadewaarheid, doch in dien van scheppingswaarheid. Van de waarheid van de oorspronkelijke bestemming des menschen wordt minder gezien naarmate de eeuwen voortschrijden. Hoe langer hoe meer wordt de mensch verheerlijkt; deze menschvergoding wordt een internationaal goed. Hoe langer hoe meer wordt het dwaasheid aan Gods Woord te gelooven. De mensch sticht een eigen rijk, maakt zelf uit, hoe God gediend moet worden. Het beeld wijst op de wereldmacht. De Steen verbrijzelt het beeld in zijn steunpunt. Alles wijst op de laatste dingen.
De vallende steen is het Koninkrijk van den Christus, hier een rijk van oordeel, van verbrijzeling.
Dr. Severijn past het genoemde toe. De godvreezenden zijn in dien vallenden steen begrepen. Wij zijn van nature Nebukadnezars, wij hebben onze heerschappij. Een timmerman heeft heerschappij over het hout, een smid over het ijzer en vuur, een landbouwer over het veld, ouders over de kinderen. Wij gebruiken onze heerschappij voor onszelf, ons ik. Wij trachten alles aan onszelf te onderwerpen: dat is onze levensethiek, onze zedelijkheid. De Steen Christus werpt terneder wat de mensch bouwt; die neerwerping is het innerlijke oordeel.
Die neerwerping is slechts ten deele hier; de Kerk leeft tegenwoordig in de bekommernis. Er is weinig zekerheid; dit is echter onschriftuurlijk. In Christus toch is zekerheid. Het Koninkrijk van Christus overwint. Dat wordt openbaar in het geloof, waarvan de brief aan de Romeinen spreekt. Er is geen verdoemenis voor degenen die in Christus zijn. Moge er door Gods Geest meer geloof komen, opdat wij mogen leven uit de toekomst en de wereld mogen overwinnen.
Na een klein half uur gepauzeerd te hebben spreekt ds. W. Bieshaar, Zendingsdirector van den G.Z.B, te s-Gravenhage, over: „Bij het gereedschap!" David liet bij zijn strijd volgens 1 Samuel 30 vers 10 enz., inzonderheid vers 24, mannen achter bij het gereedschap, het wapentuig. De sterkste strijders moesten voorwaarts trekken. Niet alle Christenen kunnen Zendeliqg zijn; sommigen gaan over zee, wij blijven bij het gereedschap.
I. Bij het gereedschap? met vraagteeken.
II. Bij het gereedschap. — met punt en rust.
III. Bij het gereedschap! met uitroepteeken.
I. Zijn wij bij het gereedschap? Het laatste woord van den Heere Jezus is: „Gaat heen! predik het Evangelie aan alle creaturen". Dit werd in den eersten tijd behartigd. Deze was een tijd van machtige expansie. Er was een gebed om de uitzending en de Heere gaf de belofte: „Ik zal u geven de erfenis der heidenen".
II. De Gemeente is wel bij het gereedschap, maar zij slaapt. Dat is wel eens anders geweest. In den reformatietijd werden 50 predikanten met 800 ziekenvertroosters naar Indië gezonden. Men wil wel gebed van den predikant in het openbaar voor de Zending, doch weinigen zijn in het verborgen biddende voor de heidenen.
III. Noodig is arbeid in het gebed voor de Zending, en wel eendrachtelijk. Worden brandende houten, die een vuur vormen, uiteengenomen, dan gaan ze uit en rooken. Verspreide Christenen zonder samenbinding doen rook opstijgen, die de tranen perst uit de oogen van hen die het wèl meenen met Sion. Doch worden die rookende houten tezamen gebracht, dan wordt de vlam gezien. Het past ons tezamen onze schuld tegenover de heidenen te bekennen en evenzoo gezamenlijk te arbeiden. Het Woord moet doorgegeven worden. De boodschap luidt: „Zeg het voort!" Ook naar het Toradjaland moet Gods Woord gebracht worden. In onszelven zijn wij arme zondaars. Alleen wordt vergiffenis gevonden bij den Immanuël. Moge het Zendingsbevel van dien Immanuël op aller harte gebonden worden!
Als laatste spreker treedt op ds. A. Meijers, van Hoogeveen, met zijn onderwerp: „In rep en roer". In zijn woord beluisteren wij den dienstknecht, die in de Langstraat niet tevergeefs gearbeid heeft. De Langstraat is in rep en roer. Er is beroering onder de jongelingen. De gelijkenis van het vanzelf opschietende zaad wordt vervuld. Er kwam beroering onder de heidenen in Ephese, onder de Joden in Thessalonica. Te Thessalonica, Hand. 17 : 6, heette het: Dezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen.
I. Karakter van beroering.
II. Oorzaak, waardoor.
III. Uitwerking van de beroering.
I. De geschiedenis der Kerk is geschreven met het bloed der martelaren. De fanatieke Joden brachten beroering. Nog heden wordt er veel beroering gewekt, wanneer Christus wordt gepredikt. Beroering zien wij op het terrein van de school, de radio, de jeugdbeweging. Christus brengt het zwaard, niet den vrede.. Weer gaan wij de antithese tegemoet van Christus en den antichrist. De vijandschap tegen Christus wordt steeds grooter. Christus wil een omkeer brengen door de kracht van Gods Woord en wel een innerlijke beroering. Daarbij wordt het leven uit den dood geboren. Arbeid zonder innerlijke beroering wordt formalisme, routine. Er is meer noodig dan organisatie. Deze is slechts de bedding, waardoor de stroom wordt gevoerd. De harten moeten in beroering komen. Die inwendige beroering brengt ook uitwendige beroering.
II. De oorzaak van het ontstaan der inwendige beroering is niet het zwaard, het geld, het woord des menschen. Door Gods Woord en. Geest komt er beroering in het hart. Velen, zijn in onze dagen het stuur kwijt. De Jongelingsvereenigingen zijn een middel Gods Woord te leeren kennen. Wie de jeugd heeft, heeft het volk, heeft de toekomst. Daarom is spreker verblijd, dat er Jongelings-, dat er Jeugdyereenigingen, zijn. Van de wereld; van den revolutiegeest gaat een verderfelijke zuigkracht uit. Laten onze christenmenschen daarom arbeiden aan de jeugd. Dat wij met woord en daad en gebed het jeugdwerk steunen.
III. De apostelen ontvingen geopende deuren. Het Evangelie werkt als een steen in het water: de invloedskringen breiden zich steeds meer uit. Moge de uitwerking van Gods Woord gezien worden op alle terreinen des levens.
Ten slotte spreekt ds. A. van Willigen, namens het Ringbestuur zijn hartelijken dank uit tot allen, die hebben medegewerkt tot het wèl-slagen van den Landdag. Hij spreekt een kort slotwoord uit, waarin hij samenvat wat door de verschillende sprekers is uiteengezet. In den nacht was het onrustig door het onweer; in den middag waren er nog dreigende wolken; aan den avond was 't rustig. Mochten zoo alle aanwezigen bij aanvang of voortgang onrustig worden door de wet en ondanks de dreigende wolken van aanvechting, twijfel, moeiten en zwarigheden eindigen door de genade Gods in Christus met de eeuwige ruste die er overblijft voor het volk van God.
Spreker eindigde met dank aan den Heere voor het gunstige weder en het welslagen met dankzegging en met het uitspreken van den apostolischen zegen den Landdag. Moge deze Tweede Landdag door Godes gunste nog vele vruchten ter eere Gods voortbrengen!
A. VAN WILLIGEN.
Woudrichem, 28 Augustus 1928.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's