MEDITATIE
Ik zal doen overblijven
»Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den naam des Heeren betrouwen«. Zefanja 3 vers 12.
Zooals meerdere profeten, zoo heeft ook Zefanja door Geestesdrang gesproken van het komen van Gods gerechtigheid over Israël. Klaar voor oogen ziet hij weggevoerd dat overmoedige volk, dat in 't binnenste des harten aan alles plaats bood, behalve aan Hem, Die zulke uitnemende voorrechten hun had geschonken en onder hen had neergelegd de rechte kennis van Zijn Naam. Hooge voorrechten, maar die daarom ook meebrachten hooge verplichtingen. Maar 't is steeds der profeten treurzang: „Doch Mijne rechten, die kennen zij niet".
In Zefanja's tijd is het wel heel erg. De openbaring des harten is somtijds treffender dan anders. Wanneer het hart lijnrecht positie neemt tegen God en Zijn Woord, komt dit menigeen voor de vijandigste uiting te zijn — en toch hoe menigmaal kan deze vijandschap verklaard worden uit een onderdrukken van de stem van het geweten en blijkt naderhand dat het goede Woord Gods hier nog een bodem vindt. Zou de Laodiceesche geest niet de schrikkelijkste zijn, koud noch heet, of zooals de Israëlieten in Zefanja's tijd het uitdrukten: „de Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad" (Zefanja 1 vers 12).
Krachtens gewoonte of anderszins wilden zij den vorm van godsdienst nog wel behouden, maar practisch had hij voor hen afgedaan, werd hun levenspad niet verlicht door de genade van den Eeuwige, en deed tenslotte een ieder wat recht was in eigen ogen.
Geslacht na geslacht groeide zoo op. Daarop moest volgen — Zefanja zegt het als lasthebber van den Allerhoogsten Profeet — de dag van Gods oordeel — de smadelijke wegvoering. Maar daardoor zou uit het volk een overblijfsel geboren worden dat zijn heil in den Heere zocht, en alleen in Zijn eeuwige armen de rust zou kunnen inden.
Het profetisme is veelzijdig. Het spreekt tot ons een zelfde woord voor het verleden, het heden en de toekomst. De dagen der ballingschap liggen reeds verre achter ons en de jongste dag ligt nog in het verschiet, hoewel de voorteekenen van den komenden brand der elementen er zijn, waarop het overblijfsel aller eeuwen — Gods welbevinden — aan den Zoon geschonken, in het heilig sieraad met Hem in Zijn troon zal zitten. Maar ook voor den tijd van heden, waarin gij en ik leven, geldt het woord:
,,Ik zal in het midden van u doen overblijven".
In het midden van u een arm en ellendig volk. Hier wordt Israël, drager der Godsbeloften, aangesproken, dus niet de wereld, die buiten Israël valt. In het midden van de Kerk van den Ouden Dag, in hare uitwendige verschijning. Eene verontrustende gedachte voor velen, die zich louter verblijden in Kerkbloei, waarin zij het hoogtepunt van hun geestelijk(?) leven zien. Ook in dit opzicht wordt het weer bevestigd, dat de mensch „vleesch" geworden is. Al ware het dat ik de zuiverste Kerkformatie had, en ik had de liefde niet, zoo ware ik niets.
In het midden van u. Maar dit is ook een woord voor hen, die in waarheid God kennen en beminnen als het hoogste goed. Zij hebben hun plaats midden tusschen de uitwendige belijders. Om een biddend, strijdend, ootmoedig volk te houden, plaatst de Heere hen menigwerf in eene omgeving, waar zij door de schuld worden geroerd tot in 't diepst van hunne ziel, om in die vernederende ontdekking voor hen zelf duidelijk te zien de gemeenschap aan den val en de ellende van heel het menschelijk geslacht. Wij kunnen daarom ten opzichte van de Kerk maar niet doen wat onze vleeschelijke of geestelijke zelfliefde begeert.
De profeet teekent ons verder den aard van het overblijfsel, van de door het recht Gods gelouterden, die in het binnenste hebben voelen voltrekken het vonnis over hunne ongerechtigheid. Getrokken worden zij voor de vierschaar der consciëntie en leeren zich voor God als schuldigen kennen. Het allerpersoonlijkste wat de mensch heeft te doorstaan, waarbij alle uitwendige godsdienst niets beduidt en zonder welke de rechte godsdienst niet kan bestaan.
Van nature leeft de mensch geheel op zichzelf. Zeker, er zijn gebeurtenissen, dingen, vormen, waarin hij met anderen accoord gaat, maar in die intiemste overleggingen van zijn hart zondert hij zich toch geheel af, is hij eene wereld op zichzelf, is die wereld het voorwerp van zijn teederste zorgen. Maar in den weg der genade wordt die wereld dan ook het eerst door God aangegrepen en gaat de zondaar niet gebukt onder het wee dat de wereld treft, maar wordt zijne ziel in zulk eene verhouding tot God gesteld, dat hij moet erkennen: „er is maar één zondaar, en die ben ik". Maar bij verder gaande genade wordt ook dat gemeenschapsbesef weer aangekweekt, waardoor zijn oog geopend wordt voor de totale verdorvenheid van het schepsel en de algeheele afwijking van God: „Tezamen zijn zij afgeweken, er is niemand die goed doet, ook niet één". Dat brengt geen verachting van het schuldgevoel mede, zools men den ellendigen toestand van peroonlijk-, huiselijk- en gemeenteleven wel eens vergoelijkt door te zeggen, dat 't overal elders ook wel zoo is of zal zijn, maar bewerkt veeleer dat hij al meer geestelijk de Wet, den eisch van een heilig God leert kenen, die als een dreigende berg zal nederstorten op de doodsvallei van eene zondige wereld. Dan kermt de ziel:
»Zoo Gij in 't recht wilt treden,
O Heer', en gadeslaan
Onz' ongerechtigheden,
Ach, wie zal dan bestaan?«
Dat is de onrust, door de Wet gewerkt, die machtig zich verheffen kan in één oogenblik, of in toenemende kracht, en den zondaar zoekende maakt naar redding zijner ziel. Een ellendig en arm volk. Wij zijn nog al eens gewoon deze woorden te gebruiken. Vandaar dat ze eene afgesletene beteekeis hebben gekregen, die op menigeen geen vat meer heeft, temeer omdat in de beleving dikwerf zoo weinig blijkt van den naam, dien men zich toekent. Ellendig is in de oorspronkelijke taal afgeleid van een oord dat in verband staat met „nederbuigen", omdat men onder een last gebukt gaat. Ellendig is dus hij, die geen moed meer heeft, die tot op het diepst teleurgesteld is in eigen levenskeuze, die, ziende op hetgeen eens het doel zijns levens was nu betuigt :
Mijn jeugd is vergaan, en het lied van mijn jeugd,
En de roes, die mij zalig omwolkte.
En nu zie ik het leven zoo hol en zoo leeg,
En den afgrond zoo donker daaronder.
Hij ziet zijn gansche bestaan voor God bevlekt in de uitwendige daad en in de innerlijke gedachten. Beide gaan samen. God maakt nooit geen halve zondaren, d.w.z. zulken, die alleen maar te doen hebben met de verlorenheid hunner ziel. 't Zal evenzeer moeten gelden ten opzichte van de handelingen tegenover den naaste. We zien dit zoo duidelijk bij Zacheüs, die zijne zonde naar weerskanten heeft gezien — naar God en naar den mensch — „indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder". Als de Wet den zondaar aan zichzelf ontdekt, dan geschiedt dit niet alleen naar de eerste tafel, maar ook naar de tweede. De Wet is niet gedeeld, maar één. Wie daardoor zich getroffen voelt, schrompelt ineen. Hij kan niet blikken in de schittering van den majesteitelijken luister Gods en valt op de knieën om den Heere te bekennen en te zeggen al de waarheid.
Nog wordt er aan toegevoegd het woord „arm", hetgeen het vorige aanvult. Het wil zeggen, gestorven aan wettische eigengerechtigheid. Hij kan God niets meer aanbieden. Niets houdt hem ook meer staande. De eischen Gods zijn te machtig en dat recht zal zijn loop moeten hebben. Maar omdat hij zelf dit niet kan vervullen, drukt hem dit neder als de openbaring van den Goddelijken toorn. De belijdenis van schuld moge verademing geven, maar geene bevrediging.
Komt tot de wateren, o alle gij dorstigen, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet zonder prijs, wijn en melk.
O, volheerlijke aanbieding des Evangelies! O, openbaring der verborgenheid! Hoe lokkend komen uwe woorden tot vermoeiden en beladenen, tot hen die gekneld liggen in banden van den dood. De ontroering maakt zich op over den arme en ellendige, het oor legt zich tot luisteren en de matte glans der oogen verdwijnt als het hoofd zich vragend opricht en de mond fluistert: is dit een woord voor mij? Dat is eene openbaring, zooals Gods Woord en Zijn Christus verborgenheden zijn, maar openbaringen worden voor alle heilbegeerigen. Openbaring wordt dan de persoon en het werk van Christus, verstandelijk mogelijk lang reeds gekend, maar nu in hunne noodzakelijkheid verstaan.
Die Evangelische aanbieding legt beslag op de harten van door de Wet verontrusten. Het is alsof hun blikken een onbekend schoon land zien. Hier weidt reeds hun ziel met een verwond'rend oog. En hun vurig begeeren wordt nu dit land te mogen betreden, dit heerlijk erf, het erf van Christus.
De leidingen Gods zijn menigvuldig, maar ellendigen en armen zullen Christus vinden. Zij moeten Christus vinden. Wie is God, dat Hij liegen zoude? De Vermaking des Vaders heeft zich toch voor zulken overgegeven aan Bazan's trotsche stierenheir en op Calvarië's top zich laten dooden om het recht der Wet te vervullen. En daarom gaat de openbaring voort, voor alle aan zichzelf ontdekten, totdat zij aanvankelijk haar hoogtepunt bereikt in de rechtvaardigmaking in Christus. Vrijgesproken van het vonnis der Wet.
Moegestredene, moegeledene, hoort het, hoort het. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods! Het is niet, neen 't is niet desgenen die loopt, noch desgenen die werkt, maar des ontfermenden Gods. Moet ik dan niets? Neen, uit vrije goedheid wil de Heere God om Zijns lieven Zoons Christus wille, uw Ontfermer zijn en aan u bevestigen dat Hij veel liever dan uwe zonde ongestraft te laten, die gestraft heeft aan Zijnen Zoon.
O, maar dan moet ook ons tekstwoord wel luiden: „Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk —: „die zullen op den naam des Heeren betrouwen". Nu geeft de naam het wezen aan. Jezus zegt in Joh. 17 vers 26 (het Hoogepriesterlijk gebed) tot Zijn Vader omtrent Zijne discipelen: „En Ik heb hun Uwen Naam bekend gemaakt". Weet ge dus wie Christus is, dan weet gij welke de naam des Heeren is. En denken wij aan Christus, dan denken wij aan het offer van Zijn leven. Dat is het wezen van Zijn werk, dus ook het wezen van Gods Naam. Leest het nu maar zoo: „die zullen op het offer van den Christus betrouwen".
Christus alleen — door de onmisbare gave des geloofs — de hope, de rechtvaardigmaking, voor een arm en ellendig volk, nu gevoerd in de liefelijke grazige weiden, waar zij zullen nederliggen en niemand hen zal verschrikken, gelijk Zefanja verder zegt.
,,Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u", zegt Jezus tot Nathanaël. Maar dat is een woord voor al Gods kinderen, als zij overdenken de oorzaak van Gods eeuwige ontfermingen in Zijnen Zoon over hen die het niet waardig waren en die Hagar's zeggen tot 't hunne maken: „Heb ik ook gezien naar dien, die mij aanziet?"
Hij zag mij — Hij kende mij van vóór de grondlegging der wereld, en daarom heeft Hij mij uit den ruischenden kuil, uit het modderig slijk gered, en gezet op een rots, mij te hoog.
Hoe aandoenlijk staat verder nog in Zefanja 3 dat Gods ellendig en arm volk niet immer in hetzelfde vertrouwen leeft en in dezelfde houding voor God staat, maar dan staat daar: „Hij zal zwijgen in Zijne liefde". Maar in dat zwijgen ligt het smartelijke, maar ook weer het trekken der liefde. Als een kind uit den mond der moeder wegens bedreven kwaad geen woord opvangt, dan wordt het dikwijls meer beschaamd dan door harde kastijding. Zoo zwijgt ook God menigmaal voor Zijn volk als het niet wél met hen is. Zijn Woord dringt niet in, het gebed stuit terug, maar Hij laat te Zijner tijd in het hart Zijner kinderen de zelfbeschuldiging komen en het oordeel over deze geestelijke verkilling en wordt het weder in schuldbelijdenis toevlucht nemen tof den Almachtige: „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij".
Mijne lezers, 't hindert niets als ge alleen door het leven moet en als ge teleurgesteld wordt in veel en velen. Bidt God vuriglijk om verlossing van den Booze, om getrouwheid in uwe roeping en moge uw ziel maar verlustiging vinden in de wegen des Heeren, want in het licht van des Konings aangezicht is leven, en Zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
Hoort het allen, die nog zoekende zijt naar geloofszekerheid. Voor ellendigen en armen zal Hij het zeker volenden, maar de zelfgenoegzame en schijnvrome zal geene belooning hebben, de lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden.
Soest. J.CH.W. KRUISHOOP
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's