STAAT EN MAATSCHAPPIJ
Enorme cijfers.
Het is een verblijdend verschijnsel, dat het gebruik van sterken drank onder ons volk in de laatste jaren iets aan het afnemen is. Dit neemt intusschen niet weg, dat blijkens de cijfers van de opbrengsten der accijnsen op het gedistilleerd het gebruik nog altijd enorm groot is. Zoo bracht deze indirecte belasting in 't jaar 1925, het laatste jaar waarover het totaal aan inkomsten bekend is, de kapitale som voor het Rijk op van meer dan 52 millioen gulden. Berekent men aan de hand van deze opbrengst het bedrag, dat per hoofd der gemiddelde bevolking aan accijns wordt opgebracht, dan komt men aan een belasting van ruim 7 gulden per inwoner.
Het spreekt van zelf, dat bij de beoordeeling van wat aan accijns wordt betaald, gerekend moet worden met de accijnsverhooging, welke sedert het jaar 1920 werd ingevoerd. De accijns klom toen van ƒ 165.— op ƒ 330.— per H.L.
Het kan nu ook ten gevolge van deze omstandigheid zijn, dat de percentagecijfers betreffende het verbruik zijn teruggeloopen. Door de verdubbeling van den accijns in het jaar 1920 toch had bij een gelijk verbruik van sterken drank de schatkist ook het tweevoud der gewone opbrengst moeten ontvangen.
De feiten waren echter anders. Want het percentage der opbrengst bedroeg over het jaar 1921 niet 100 maar slechts 58,9. Dit percentage nu is in de laatste jaren steeds teruggeloopen. Voor het jaar 1924 bedroeg het 46,5, terwijl het voor het vorig jaar, het jaar 1927, op 43, 9 kwam te staan. Zelfs wordt het percentage voor 1928 op niet hooger dan 41,6 geraamd. Men ziet dus dat de daling belangrijk is, zoodat het juist is, wat wij hierboven neerschreyen, dat het verbruik van gedistilleerd afnemende is.
Deze vermindering van het gebruik wordt door de officieele cijfers gestaafd. Of zij echter in werkelijkheid zoo groot is, blijft een moeilijk te beantwoorden vraag.
Het is toch van algemeene bekendheid, en dit blijkt telkens, dat tengevolge van den zeer hoogen accijns van 330 gulden per H.L. heel wat gedistilleerd over de grenzen des lands wordt binnen gesmokkeld. Bovendien brengen de geheime stokerijen niet weinig sterken drank aan den man.
Doch afgezien van de frauduleuze handelingen schijnt het toch wel vast te staan, dat er van achteruitgang van het gedistilleerd-gebruik kan worden gesproken.
Wil men den achteruitgang in aantallen Hektoliters uitdrukken, dan blijkt b.v. uit den betaalden accijns gedurende het eerste halfjaar van 1928, dat vergeleken met hetzelfde tijdvak over het jaar 1927, in laatstgenoemd tijdvak 74002 H.L. werd aangegeven, terwijl dit aantal over het eerstgenoemde tijdvak 72615 H.L. bedroeg.
Wat nu het totaal aantal Hektoliters gedistilleerd betreft, dat in de branderijen vervaardigd wordt, zoo leert de statistiek, dat over 1925 het aantal Hektoliters, dat in totaal voor binnen- en buitenlandsch gebruik gestookt werd, ruim 564.000 H.L. bedroeg. De grondstoffen voor de vervaardiging zijn graan, meel en melasse. Voor deze 564.000 H.L. nu waren aan graan en meel ruim 56 millioen en aan melasse 58 millioen kilogrammen noodig.
Deze enorme cijfers toonen aan, welk groot kwantum graan voor de volksvoeding in het algemeen verloren gaat. Daarom is zoowel uit hoofde van het groote gevaar dat in het drankgebruik schuilt, als in het onttrekken van groote hoeveelheden graan aan zijn eigenlijke bestemming, het een zedelijk en economisch belang voor ons volk, dat met kracht wordt aangestuurd op een nog grootere vermindering van het drankgebruik, dan thans reeds geschiedt. De gelden, welke voor het koopen van sterken drank worden besteed, kunnen veel beter voor andere doeleinden worden besteed. Land en Volk zouden daar wel bij varen.
Nieuwe actie.
Het schijnt de Nieuwe Rotterdamsche Courant te ergeren, wanneer er gewaarschuwd wordt tegen wat in de openbare dansgelegenheden plaats vindt. Dat het blad van de zonde, waaraan de jeugd zich tegenwoordig in de danslokalen overgeeft, niet begrijpt, kunnen wij ons nog indenken, maar dat het orgaan voor de geestelijke en zedelijke ellende, waarin dagelijks jongelingen en jongemeisjes zich storten, geen oog heeft, is onbegrijpelijk.
Den bestrijders van het danskwaad treft niets dan blaam en spot. Zoo geschiedde het nog de vorige week, toen de R. K. geestelijkheid te Utrecht een schrijven in alle kerken had laten voorlezen, waarin tegen het moderne dansen stelling werd genomen.
Dit toch was het vrijzinnige blad te erg.
Dat de bekrompen Gereformeerde menschen zich aan deze openbare onzedelijkheid stooten, is te begrijpen, maar dat de Roomsch-Katholieken, die van het uitgaans- en gezelligheidsleven houden aan de actie tegen het dansen mededoen, dat kan toch moeilijk door den beugel. Zoo iets is naar de meening van het Rotterdamsche blad, dat steeds den mond vol heeft over de cultuur, toch meer dan ergerlijk.
Een verbod om dansgelegenheden te bezoeken is te dwaas om er over te spreken. Wij, voor ons, achten het gelukkig, dat steeds meerdere stemmen opgaan, die tegen de dansmanie van onzen tijd waarschuwen en die inzien aan hoe gruwelijke zonde voor God ons volk zich schuldig maakt. Het wordt tijd, dat ook van Overheidswege tegen het danskwaad met beslistheid wordt opgetreden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's