MEDITATIE
Tot de kleinen
,,Maar Ik zal mijne hand tot de kleinen wenden".Zacharia 13 vers 7.
Genade maakt klein; maar alle kleinheid is nog geen bewijs van genade. Genade maakt klein, want genade doet ons onze nietigheid, geringheid, verdoemelijkheid en verwerpelijkheid voor God zien. Zij doet ons onze schuld voor den Heere zien en Zijne goddelijke goedheid en ontferming. Door genade riep David uit: „Wie ben ik en wat is mijn huis dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt", en daardoor zeide Jacob: „Ik ben geringer dan al deze weldadigheid en trouw die Gij aan mij hebt bewezen". Zij maakt zoo klein, dat zij bij oogenblikken juichen en jubelen over al datgene wat zij nog hebben boven de verdoemden in de hel. Zoo klein, dat zij met den hoofdman te Kapernaüm belijden: „Hieere, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak inkomt", of gelijk Mefiboseth tegenover David: „Wie ben ik, dat gij omgezien hebt naar een dooden hond als ik ben".
Genade maakt klein; maar alle kleinheid is mag geen bewijs van genade, dat zien wij al bij Kaïn. Wat was hij klein, toen hij uitriep: „Mijne misdaad is te groot dan dat zij vergeven worde!"
Wat was Farao klein onder de plagen, toen hij, tot driemaal toe, tot Mozes zeide: „Bid voor mij, opdat deze plage van mij wordt weggenomen! Gij zijt rechtvaardig, maar ik en mijn volk zijn goddeloos!" Wat was Saul klein, toen hij onder tranen voor David beleed: „Gij zijt rechtvaardiger dan ik!" En zoo kunnen wij doorgaan. Wat zijn er voor een oogenblik velen klein geweest, maar wat is er later van hen geworden! Wat van Kaïn, van Farao, van Saul en van zoovele anderen, die door overtuiging van de consciëntie of door de vrees voor straf een oogenblik klein zijn geweest.
Een, nu in den Heere ontslapen leeraar, bij vele lezers van „De Waarheidsvriend" ook bekend, bezocht eens een grooten pocher op zijn krankbed, die uit vreeze des doods toen o zoo klein was. Alle pocherij en grootsprekerij scheen voor goed verdwenen. Later bezocht die leeraar hem weder, toen hij weer zoo goed als genezen op zijn stoel zat. Hij zat weer als vroeger te snoeven. Plotseling stond die leeraar op, ging naar de bedstede en schoof de gordijnen weg. De man zeide: „Dominé, wat doet gij?" De leeraar zeide: „Ik zoek den kleinen man, dien ik hier heb zien liggen".
Er is dus groot verschil tusschen kleinheid en kleinheid; daarop hebben wij te letten als wij overdenken de rijke belofte voor de kleinen uit Zach. 13 vers 7e:
»Maar Ik zal mijne hand tot de kleinen wenden«.
Met de kleinen worden hier kennelijk de discipelen des Heeren bedoeld, en daarmede dan ook al de kinderen Gods. Immers in Matth. 26 vers 31 geeft de Leeraar der Gerechtigheid eene verklaririg van Zach. 13 vers 7 als Hij zegt: want daar is geschreven: „Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden". Toen is vervuld wat aan ons tekstwoord voorafgaat: „Zwaard! ontwaak tegen mijn herder en tegen den man, die mijn metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla dien Herder en de schapen zullen verstrooid worden", en toen heeft de Heere ook Zijne belofte vervuld: „Maar Ik zal mijne hand tot de kleinen wenden". De Heere heeft de verstrooide schapen niet aan zichzelf overgelaten.
De schapen van Christus worden dus „kleinen" genoemd.
Wij willen nu eerst onderzoeken waarin zij klein zijn; en ten tweede welke rijke belofte hun gedaan wordt.
Zij worden kleinen genoemd niet alleen hier, maar ook in Matth. 18 vers 6: „Wie een van deze kleinen, die in Mij gelooven, ergert, het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen en hij verzonken ware in de diepte der zee" en vers 10: „Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht", en vers 12: „Alzoo is de wil niet uws Vaders, dat een van deze kleinen verloren ga", en in Matth. 10 vers 42: „En zoo wie één van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water in den naam eens discipels, voorwaar Ik zeg u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.
Genoeg om u te doen zien, dat de naam „.kleinen" voor de kinderen Gods meermalen gebruikt wordt. Er is dus op zichzelf genomen niets tegen om in het spreken over Gods volk verkleinwoorden te gebruiken. Alles is klein aan hen, behalve de zonde, die is groot. De Heere ziet ze aan in hunne kleinheid en nietigheid, als Hij hen „kleinen" noemt of zegt: „Vreest niet, gij wormpje Jacobs, gij volkje Israels" (Jes. 41 vers 14).
Zij zijn kleinen en zij zien zichzelf ook in alles klein, behalve in de zonde.
Zij zijn meestal klein naar de wereld, want het zijn niet „vele machtigen, niet vele edelen", maar als zij door den Heere naar de wereld, zooals Abraham, Izak en anderen zijn groot gemaakt, toch zien zij zich, niettegenstaande hun aardsche grootheid, klein tegenover den Heere. Daarom noemde de „groote" Abraham zich maar stof en asch, en riep David uit: „Wie ben ik" en stelde hij zich gering aan als hij met zijn volk achter de ark aan huppelde.
Noemen zij zich niet „een lederen zak", „een eenzame musch op het dak", „een roerdomp in de woestijn"? Van welke zijde zij zich ook bezien zij zien hun kleinheid.
Klein, onbekwaam om hun verplichtingen tegenover den Heere te vervullen. In mij is geen kracht, in mij is geen bekwaamheid om iets te denken uit mij zelf om te bedenken de dingen die boven zijn. „lk ben tot hinken en tot zinken ieder oogenblik gereed".
Klein in kracht om te strijden. „In ons is geen kracht om te strijden tegen deze groote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet wat wij doen moeten", riep Josafath uit.
Zij zijn arm van geest. Zij hebben geen gerechtigheid, die voor den Heere bestaan kan. Al hunne gerechtigheid is als een wegwerpelijk kleed. Al blinken zij uit door een nauwgezet leven, dan stellen zij zich toch op des tollenaars plaats met een slag op de borst en met een zucht in de ziel: „O, God, wees mij zondaar genadig". Zij kennen zich: ellendig, arm, jammerlijk, naakt en blind. Ieder noemt zich de grootste der zondaren. In hun inwendig geestelijk bestaan zijn en blijven zij klein. Ook de verstgevorderden in de genade. Ja, hoe verder gevorderd, hoe kleiner. Zij ervaren wat Johannes zegt: „Hij moet wassen en ik minder worden".
Daardoor zijn zij ook klein in hun stand in het leven. Trotschheid is verre van hen, zoowel in gewaad als in de praat. De vrouwen zoeken in een eerbaar gewaad zich schaamte en matigheid te versieren. Het zou zeker ook in de kleeding gezien worden op de straat, als er eens wat moeders en dochters door genade klein gemaakt werden. Vele bloote boezems, borsten en beenen zouden met een eerbaar gewaad bedekt worden.
Klein in het beoogen. Naar de groote dingen trachten zij niet, maar zij voegen zich tot het nederige. Klein in hun eischen. Als zij voedsel en kleeding en deksel bekomen hebben, zijn zij daarmede vergenoegd; omdat zij weten nergens recht of aanspraak op te hebben. Daarom kan een druppel water en een kruimel brood voor hen bij oogenblikken zoo groot zijn.
De Heere dan zal Zijne band tot hen wenden. Eigenlijk heeft de Heere Zijn hand al tot hen gewend; maar zij weten 't niet. Want die kleinheid is er door de hand der genade. De Heere heeft hen reeds klein gemaakt, anders zouden zij nooit geworden zijn wat zij nu zijn.
Maar, nog eens, dat weten zij niet, dat hun kleinheid Gods werk is.
En bovendien, dat het Zwaard tegen den Herder ontwaakt is, dat de Herder geslagen is, dat is ook voor hen. De Herder heeft zich over hen heengebogen, opdat Hij de slagen van het Zwaard der gerechtigheid zou opvangen en zij vrij geborgen zouden zijn, maar dat weten, ze ook nog niet.
Maar als nu de Heere Zijne hand tot hen zal wenden, dan is dat opdat Hij hun in, door en om Christus zou geven wat zij noodig hebben, maar nu nog geheel en al missen.
Hij zal Zijne hand tot hen wenden. Om hun geloof, moed, kracht, gerechtigheid, wijsheid, leiding, bescherming, versterking te geven.
»Die in stof ligt neergebogen,
Wordt door Hem weer opgericht«,
»'t Behoeftig volk in hunne nooden,
In hun ellend' en pijn
Gansch hulpeloos tot Hem gevloden,
Zal Hij ten redder zijn«.
Zoo goed zorgt de Heere voor de kleinen, dat als de Heere vraagt: Heeft u één ding ontbroken, dat zij allen moeten zeggen: Neen, Heere.
Maar de Heere zal Zijne hand tegen de grooten wenden. Ook tegen de grooten die door gewetensovertuiging of door slaafsche vrees eens een oogenblik klein zijn geweest. Zie dat in Farao en Saul en anderen.
Daarom gij allen, die zoo hoog van uzelf denkt en niet klein, die zoo wijs zijt in eigen oog en niet dwaas, zoo machtig in eigen oog en niet onmachtig, zoo braaf en vroom en niet slecht en goddeloos: vernedert u onder de krachtige hand Gods.
»Eer u Zijn toorn verdelg' voor elks oogen,
U op uw weg tot stof doe wederkeeren.
Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,
U onverhoeds zou door haar gloed verteren
Tot staving van Zijn lang gehoond gezag«.
Maar gij, kleinen, acht die kleinheid groot. Trouwens gij weet het bij ervaring. Wanneer was het u beter, toen gij klein waart of toen gij die kleinheid weer kwijt waart en gij uzelf weer wat ging inbeelden en verheffen? Het antwoord hebt gij zelf al gegeven. O, dat dan uw gestadige bede en verzuchting maar moge zijn om klein en afhankelijk bij en achter den Heere te mogen verkeeren, dan zult gij ook telkens weer de genadige wending van Zijne hand tot u ervaren. Want Hij zal Zijne hand tot u wenden. Hij zal, dat is in de belofte, maar het is een goddelijk zullen, dat is een vaste zekerheid. En eenmaal zal Hij gewis en zeker Zijne hand tot u wenden om u eeuwig en ongestoord bij Zich te doen wonen.
E. d. O.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's