KERKELIJKE RONDSCHOUW
De Hervormde Kerk vlak na de Revolutie. (8)
Hoofdstuk 6 van het Concept-Reglement van 1809 handelde, zoo zagen we de vorige week, over oefenaars, catechiseermeesters en professoren. In de Aanteekeningen nu op dit Hoofdstuk lezen we bij art. 4:
„De ondervinding heeft meermaals het nadeel bewezen, hetwelk door den invloed van bevooroordeelde, dweepzuchtige of ondeugende oefenaren in hervormde gemeenten kan veroorzaakt worden, zoodat in verscheidene departementen, vooral Overijssel en Vriesland, daartegen strenge bepalingen zijn noodig geoordeeld.
Naar aanleiding hiervan stelt men voor:
Ledematen, welke met eene gegronde kennis van de hervormde godsdienst een stichtelijk gedrag paren, en proeven van eene redelijke uitlegkunde des bijbels vertoonen, zullen op hunne begeerte, na voorafgegaan examen van de deputaten der Classis waaronder zij behooren, door dezelve kunnen toegelaten worden om de gemeente door openbare oefeningen te stichten. Niemand zal zulks voortaan mogen doen, zonder vooraf zoodanige toelating verkregen te hebben.
Katechiseermeesters, welke in groote gemeenten mochten noodig geoordeeld worden, tot het geven van onderwijs in de beginselen van den godsdienst, mitsgaders ziekentroosters en krankbezoekers, zullen bij den Kerkeraad in tegenwoordigheid van den classikalen deputatus van den ring, door een der predikanten worden geëxamineerd".
Dat was dus wat betreft oefenaars, catechiseermeesters en ziekentroosters.
Maar dan volgen aanmerkingen in betrekking tot de artt. 5, 6 en 7, welke handelden over de opleiding tot het predikambt en de hoogleeraren in de theologie.
Daarbij zijn de opmerkingen van den Minister:
„Zoodanige bepalingen kunnen in deze organisatie niet worden toegelaten, als wellicht anticipeerende op hetgeen. Z.M. bij de organisatie der hooge scholen zal goedvinden vast te stellen. Daarenboven is de inhoud zeer bedenkelijk, geeft aan de Synode een aan gewetensdwang grenzend, en dus voor de godsdienstige vrijheid en de verlichting nadeelig gezag, en vernedert de hoogleeraren. Beter aan het doel beantwoordende en aan deze bedenking niet onderhevig, schijnen de volgende artikelen;
De hervormde hoogleeraren in de godgeleerdheid aan de hoogescholen, zullen de studenten, welke tot predikanten worden opgeleid, overeenkomstig de ware grondbeginselen van de hervormde godsdienst onderwijzen.
Zij zullen nauwkeurig letten op derzelver geschiktheid, vlijt en zedelijk gedrag. Zij vermogen noch tusschentijds, noch bijzonder bij het verlaten der hoogeschool, getuigenissen aan studenten te verleenen, dan aan zoodanigen, die het zulks door hunne kundigheden en gedrag hebben waardig gemaakt; en zullen deze getuigschriften inrichten naar evenredigheid van de verdiensten der jonge lieden.
Zij zullen aan de algemeene deputaten of directors Synodaal opgave doen van de studeerende jongelingen, derzelver aanleg, talenten en gedrag, en ten aanzien van alle maatregelen, welke tot vorming en leiding derzelve geschikt zijn, met de deputaten correspondeeren en in goede overeenstemming handelen.
De algemeene deputaten kunnen te dezer zaak nadere voordrachten aan de Synode doen".
Men voelt, hier is een héél andere beschouwing aangaande de opleiding tot het leeraarsambt en de taak van de hoogleeraren.
Ten eerste legt de Minister er nadruk op dat de Koning inzake het hooger onderwijl en in betrekking tot de benoeming en het ontslaan van professoren, in zijn macht zou worden beknot.
En natuurlijk heeft de Minister daarin gelijk. Wanneer het Rijk benoemt en het Rijk ontslaat, moet ook het Rijk in alles de verantwoordelijkheid dragen en in alles vrij blijven in deze te handelen naar eigen macht en inzicht. Dan moet de benoeming en het ontslag van de theologische hoogleeraren, die dienen tot opleiding van Hervormde leeraren, maar anders geregeld worden. Wil de Kerk toezicht hebben en houden, wil de Kerk het recht hebben van ontslag — en dat is haar recht! — dan moet zij de benoeming ook niet aan de Overheid overlaten, maar zichzelf deze zaak aantrekken en zelf handelend optreden.
Bij den Minister zat er echter nog meer achter!
Wat de Kerk wilde, volgens het Concept-Reglement van 1809, was voor den Minister (voor de Overheid, voor de Regeering, in dit geval) te streng, te positief.
Dat blijkt wel, als hij zegt, dat de inhoud zeer ,,bedenkelijk" is, en dat hier aan de Synode een „aan gewetensdwang grenzend gezag gegeven wordt, voor de „godsdienstige vrijheid en verlichting" nadeelig!
Een dergelijke verbintenis, bij onderteekeningsformulier aangegaan, met toezicht van de Synode op de leer der hoogleeraren, zoo zegt de Minister, voor de professoren „vernederend" zijn.
Daarom moest hier de Hervormde Kerk geheel buiten gezet worden! Buiten de opleiding van hare eigene leeraren; buiten de benoeming en het toezicht en het ontslag van theologische professoren. Het Rijk zou alles doen, de Koning zou alle rechten hebben en houden; en overigens moest 't natuurlijk gaan „overeenkomstig de ware grondbeginselen van de hervormde godsdienst", zonder gewetensdwang in dezen verlichten tijd.
Kundige en nette jongelieden konden zoo predikant worden. In verband daarmee merkte de Minister verder op:
„De gebreken in de tegenwoordige verordeningen op de examina bij de Hervormde Kerk zijn zóó bekend en door de deliberatiën van Synoden en Classen zóó geconstateerd, dat niet die tegenwoordige zoo uiteenloopende bepalingen, maar nieuwe algemeene aan de in geest en de behoefte der tijden geëvenredigde verordeningen voldoen kunnen aan het oogmerk om zich van de kunde der studenten en proponenten te verzekeren, en tevens elk derzelve naar de mate zijner kunde en talenten te doen bekroonen. Uit dien hoofde schijnt in de plaats van het voorgedragene het volgende noodzakelijk:
De examina moeten met de meeste nauwkeurigheid en gezetheid geschieden in de bijbelsche uitlegkunde en godgeleerdheid, de zedekunde, de talen, en in de verdere wetenschappen, waarvan eene meerdere of mindere kunde in een bekwaam leeraar van de hervormde godsdienst vereischt wordt".
Ten slotte merkt de Minister dan op: eene der eerste werkzaamheden van de algemeene deputaten, zal zijn, het ontwerpen van een algemeen reglement op de examina en al hetgeen daartoe betrekkelijk is, zullende dit reglement de Synode aangeboden, door dezelve overwogen en onder des Ministers goedkeuring vastgesteld worden".
Een volgend maal een en ander over het beroepen van predikanten en hun bezoldiging, naar aanleiding van Hoofdstuk 7.
(Wordt voortgezet).
Het beroepingswerk in Den Haag, Amsterdam enz.
In de oudste Kerkordeningen, waarin omschreven is hoe het in 't midden van Christus' Kerk, waar Christus Koning is en waar Zijn Woord heerschappij voert, toe moet gaan, was óók opgenomen: vasten en bidden, als het beroepingswerk aan de orde kwam.
Hoe wijzen de Wezelsche Artikelen er reeds op, dat dan de hartstochten loskomen als er een dominé moet worden beroepen, en dat dan een ieder gaat loopen voor z'n eigen huis en vergeet, dat het gaat om het huis des Heeren. Men zou nog liever het huis des Heeren woest laten, dan dat men aflaat voor z'n eigen partij te vechten!
Vasten en bidden. Men heeft er om gelachen — — —.Maar intusschen gaat men voort met jagen en jachten, met woelen en werken, dat het verschrikkelijk is. Men reist en trekt, men luistert, onderzoekt, ondervraagt — de doopceel wordt gelicht; allerlei praatjes worden er verkocht; iemand wordt beschuldigd hiervan en beschuldigd daarvan; terwijl een ander wordt aangeprezen en verheerlijkt, — terwijl de partij er zoo dik op ligt!
In Den Haag werkt de Herv. Gereformeerde Staatspartij (die volstrekt niet Hervormd-Gereformeerd is) hard voor een dominé. Ds. Gravemeijer en ds. Lingbeek roeren zich, schrijven de wet voor, deelen de lakens uit.
Maar anderen organiseeren een tegenaanval en er wordt bres gesohoten. De H.G.S.-dominé valt, de Christelijk-Historische dominé overwint!
Vasten en bidden — zeggen onze oude Kerkordeningen! — — —
In Amsterdam is het niet veel beter. Daar hebben de Confessioneelen alles te zeggen; en dan ben je nog niet gelukkig! Het zijn harde heeren. Ook daar waait de wind uit den H.G.S.-hoek. De h.h. Gravemeijer, Pijzel, Boer, zijn niet voor de poes. En wee, die niet voldoet aan de gestelde eischen, die niet bevredigend antwoordt op de gestelde vragen, die het inquisitoriaal onderzoek niet kan doorstaan. Links kan er dan desnoods nog op door. Maar rechts is onherroepelijk verloren. Een dominé van den Gereformeerden Bond zinkt voor de schakel als een baksteen. Soms speelt men er even mee, zooals een kat met een muis. Dan komt er een op 't groote-getal. Zelfs een enkelen keer komt er een op het officieele drietal. Maar — ja, een ethische kan het dan nog wel eens halen, maar een Gereformeerde Bonder niet.
Wij weten, dat ook in Amsterdam een groote groep van menschen is, die de Gereformeerde prediking lief heeft en naast ds. Remme zoo gaarne — in die groote wereldstad — een tweeden Bondsdominé zou hebben.
Zij vragen en vragen telkens. Zij vragen ook nu weer. Zou men nu niet boven al het nare en akelige uit kunnen komen en zou men in Amsterdam niet, voor de bestaande vacature, een drietal van Gereformeerde Bondsdominé's kunnen en willen formeeren, gelijk de Gereformeerde broeders en zusters daar nu ook weer om gevraagd hebben aan het Kiescollege? Men praat van liefde, eensgezindheid, samenwerking, waardeering van elkander, geestesgemeensohap, enz. enz. Er is een zoo mooie gelegenheid voor Amsterdam, ook straks voor Den Haag, om waar er één, zegge één Gereformeerde Bondsdominé is, er nu eindelijk en eindelijk een tweede bij te geven. Wij hopen dat het mag geschieden!
Ook Gouda.
Ook Gouda vraagt een dominé van den Gereformeerden Bond. Vroeger stond daar ds. Deur Sr., toen konden de Gereformeeren, die zich rondom den Gereformeerden Zendingsbond en rondom den Gereformeeren Bond tot verbreiding en verdediging er Waarheid scharen, ter kerke gaan bij een dominé, die de Gereformeerde Waarheid preekte, zooals duizenden en tienduizenden in ons goede vaderland dat overenkomstig Schrift en belijdenis begeeren. Maar sinds is geen Gereformeerde dominé meer in Gouda beroepen. Men heeft dat onder verschillende omstandigheden, telkens geweigerd.
Nu de verhoudingen in Gouda zóó veranderd zijn dat geen vrijzinnige predikant meer beroepen wordt, heeft men een en andermaal een Confessioneel predikant beroepen, terwijl men in ds. Voorsteegh, gekomen van Katwijk, reeds zoo'n dominé heeft. Ook hebben de Ethischen hun voorgangers. Maar de Gereformeerden hebben niemand.
Zou het nu niet verstandig en billijk zijn, indien de Kerkeraad aan den wensch van velen voldeed en een Gereformeerd predikant ging beroepen? Moeten we nu nog méér uit elkaar geslagen worden? Laten de Confessioneelen in Gouda daar nu eens een mooi voorbeeld geven van broederlijke eensgezindheid! Het zal de gemeente van Gouda zeker ten goede komen. Het zal ook de verhoudingen in gansch de Kerk kunnen verbeteren.
Kerkeraad van Gouda, wijst het verzoek van de Gereformeerde groep niet af, maar helpt mee nu om de vacature van den modernen ds. Borger te vervullen door het beroepen van een predikant van den Gereformeerden Bond!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 september 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's