De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Zoo gij kunt gelooven

15 minuten leestijd

.......... maar zoo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons. En Jezus zeide tot hem: Zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengene die gelooft. En terstond de vader des kinds roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere, kom mijner ongeloovigheid te hulp. Marcus 9 vers 22b—24.

Welk eene op den man afkomende vraag doet Jezus Zijnen discipelen, zeggende: „Gelooft gij nu?" 't Was nu eindelijk de laatste ure geworden, de nacht des verraads. Nu bleef er düs voor uiterlijke verwachtingen omtrent den Christus geen ruimte of reden meer. Daarom begint er nu een geheel ander licht op hun Meester te vallen dan dat van eigen vinding, daar bijzonder in dezen nacht de Heere Christus door Zijn troostrijk spreken het antwoord gaf op al de vragen, die tot nog toe als steenen op hun ziel hadden gelegen. Het antwoord der discipelen luidde: „Ja, nu gelooven wij, dat Gij van God uitgegaan zijt".
Evenwel, dit te weten en er door het geloof in te staan, is twee. Dezen discipelen des Heeren, als allen anderen, moet dit door genade gegeven worden. Het komt zoo treffend uit in bovenstaanden tekst.
Hier is een man aan het woord, die een vraag uit ellende doet hooren. Hij is met zijn eenigen (Lukas) ongelukkigen zoon, wellicht van verre, gekomen, opdat Jezus het kind van zijn vreeselijke kwaal en ongelukkig lot zou bevrijden. En juist is de Meester afwezig, tegen Zijn gewoonte zelfs. Niemand kan aangeven, welke de tijd Zijner terugkomst zal zijn.
Vanwege den steeds grooter wordenden nood wendt de vader zich daarom tot de discipelen. Was het niet bekend geworden, dat ook hun de macht was verleend kranken te genezen en duivelen uit te werpen?
Helaas! Nimmer als nu bleken zij zóó onbekwaam voor hun roeping. Door welke oorzaak ook thans de kleinmoed der discipelen moge zijn ontstaan, dit is zeker: elke poging, door hen gewaagd tot uitdrijving van den wreeden daemon, mislukt voor de oogen der kwalijkgezinde Schriftgeleerden, tot klimmenden angst bij den vader en hooger gaande benauwdheid bij het slachtoffer.
Nu is het te begrijpen, dat deze dienaars der wet niet verzuimen toe te treden en op schampere wijze in de leerlingen den Meester aansprakelijk stellen voor wat genen tekort schieten. 
Ach, wat werd in dit alles het arme hart van dien teleurgestelden vader fel geslingerd. Zijn laatste hoop zinkt hier in 't niet. Daarom is het meer dan opmerkelijk, dat juist op dit oogenblik Jezus in het dal verschijnt, tot heilige verbazing van heel de schare, niet het minst van den beproefden vader, die thans zeggen moet hoe hij bij menschen gevaren is: „ik heb Uwen discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund". Maar hoe zal de verbazing van dezen man geklommen zijn, toen hij leerde, hoezeer hij zelf de oorzaak van zijn teleurstelling is geweest, hij, die ten onrechte meende, eerst, dat de discipelen op de hoogte van den Meester stonden, en nu omgekeerd, dat de Meester tot de laagte van Zijn discipelen was gedaald, zeggende: „zoo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen".
't Was in het vuur van de beschrijving der ellende, dat hem deze woorden ontvielen. O, als verderf en aanvechting rondom zijn, als de benauwdheden des harten zich wijd hebben uitgestrekt, wat blijkt het dan noodzakelijk dat Christus Zelf openbaart Wie Hij is voor zulk een volk. Alleen wanneer Hij als het voorwerp van het toevluchtnemend geloof mag gekend worden, zal er kracht van Hem uitgaan ten leven.
De regel in Gods Koninkrijk is immers deze: u geschiede gelijk gij geloofd hebt. Daarom moet de Heere eerst en ten allen tijde het ongeloof bij de Zijnen uitdrijven. Zoo leeren ze, dat alle hindernis altijd in hen zelven ligt en nooit bij den Heere. Hoort het hier, lezers, „alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft", d.i. naarmate, zoolang en wanneer gij gelooft.
Daar ligt aan 's vaders voeten het kind in doodsbenauwdheid te schuimen en te trekken. Voor het grootste deel is hier aan satanische invloeden te denken. Ook de Heere Zelf erkent dit. Gedurig wordt de jongen geslingerd en geschud, gescheurd zelfs; bij afwisseling in vuur en water geworpen zonder dat het leven uit deze geteisterde ziel wegvlucht. Van kindsbeen af heeft dit jeugdige leven den grooten menschenmoorder reeds tot vermaak en speeltuig gediend. Alle kunst der geneesmeesters is hier bespot geworden, en nu ook nog de pogingen van zelfs negen discipelen tegelijk.
In het droeve bewustzijn van dat alles ziet deze ellendige vader zich nu geplaatst voor den Grooten Heelmeester. Evenwel, zóó kent hij Hem nog niet (dat moet nog komen), en daarom spreekt uit zijn aanspraak tot Jezus haast nog meer ongeloof dan geloof, als hij daar zegt: ,,zoo Gij iets kunt". Hij wil zooveel zeggen als dit: „Gij, de Grootste en Laatste, Dien ik ontmoet, wek Gij toch geen nieuwe verwachtingen bij mij, als ze toch niet vervuld zullen worden".
Niet, dat hij aan Jezus' macht vertwijfelde. Mocht gij hem dus veroordeeld hebben om zijn blijkbaar ongeloof, weet dan, dat dit z.g.n. ongeloof toch in elk geval dit openbaart, dat hij het met een halve hulp van Christus niet stellen kan, maar met eene die toereikend was voor hem en zijn kind beiden („help ons").
Dat „zoo Gij iets kunt" was een smartelijke kreet uit ellende. Het is wel een heel lichte zaak, te zeggen: Christus kan mij verlossen; wanneer gij, niet metterdaad die verlossing noodig hebt; te zeggen: Hij is een Ontfermer, zoo gij niet waarlijk ellendig zijt. En deze man toont in zijn gebrekkig en hoogst bestreden geloof toch niet een twijfel aan Jezus' bereidwilligheid (als zoo velen); hij zegt niet: „zoo Gij wilt", maar: „zoo Gij kunt"; en te voren: „Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht". Dat had hij nooit gedaan, indien niet met een zekere mate van vertrouwen in Jezus' macht en bereidwilligheid. Welnu, ondanks alles, dit eenvoudige geloof in 's Heeren bereidwilligheid blijft hem bij, als hij zegt: „zoo Gij iets kunt". Speelt hierin twijfel en zondig ongeloof door, toch beluistert de Heere Jezus er een schreiend beroep in op Zijne zondaarzaligende almacht.
Hoe had hij er anders bijgevoegd: „Wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons"?
Dit laatste was eigenlijk het uitgangspunt van 's mans vragen. En dat wist de Heere Jezus ook wel. Ja, Hij weet het, hoe achterstvoren en gebroken de spraak is van die zuigelingen in de genade, die naar Hem zoeken t' elken stond. Een lievend vader hindert bij zijn kinderen dat kromme spreken wel het minst, tenzij het niet bij de jaren zou passen en er bezorgdheid, zou komen dat het gebrek blijvend zal worden.
En zoo mag een zwak en gebrekvol geloof, ook met afkeuring van die zwakheid, toch een machtig Verlosser bekomen. Die in Zijn heilsonderwijs straks wel anders zal leeren. Maar het doet het geloof niet te niet. Gebrekkige kennis en gebrekkig vertrouwen („zoo Gij iets kunt") verraden toch menigwerf sterk gevoelde behoefte, zooals hier het smeeken om innerlijke ontferming.
Want zie maar, waaruit deze man met zijn vragen opkomt. Duizend zorgen, duizend dooden kwellen zijn angstvallig hart. 't Kan niet hooger. 't Is zoo goed als gedaan met zijn kind. Straks meent men zelfs dat de levensgeesten reeds zijn geweken. De uiterlijke ontferming van menschen was hem niet vergund geweest. Gelukkig maar; zou hij anders wel ooit de innerlijke ontferming des Heeren gezocht hebben?
Maar nu is het anders gegaan. De hoog uitgaande ellende van het kind werd toegepast aan den vader, en deze in niet minderen zielenood gebracht dan de knaap in lichaamssmart. Daarom is dit ook voor ons de vraag, mijn lezer, of wij ons erkennen vol bezeten te zijn van ongerechtigheden, maar zóó, dat we door menschen niet meer tot uiterlijke geruststelling kunnen worden gebracht en een blijvend beroep doen op innerlijke ontferming.
Onze ziel moet innerlijk ontfermd worden en de schuld vergeven; niets minder; niets anders. Zoo kan de smeeking uit ellende dus niet ontbreken. Hier treedt het verschil op met elken schijnzondaar, die slechts een Zaligmaker in schijn zoekt. Maar die een waarachtig Zaligmaker behoeft, is waarlijk zondaar voor God gemaakt, is „ellendig, diep in nood, gansch van heul en hulp ontbloot". Dien verschijnt dan ook Jezus in het dal der verootmoediging, als de volle Christus.
Want op de vraag uit ellende kwam nu het antwoord tot verlossing. Zeker, dit was eerst tot rechtzetten van de misvatting, dat er eenige voorwaarde aan 's Heeren zijde zou moeten vervuld worden. Zoo had deze vader het gedacht: „zoo Gij iets kunt". Daarom geeft Jezus hem aanstonds dit woord terug en verbetert door genade den zin in omgekeerde beteekenis: „zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft". Dus 't is niet de vraag, of Ik kan (hoe zou dit een vraag kunnen zijn? ), maar of gij kunt. Zoo talrijke malen toch was door Jezus aan zondaren verklaard, dat het geloof alleen kan en doet behouden. Deze man had dat nu toch wel kunnen weten. Inderdaad, maar weten gij en ik het daarom zoo goed? Werd ons elke vorm van ongeloof wel zonde voor God, of trachtten we daarentegen dit op alle mogelijke wijzen en met alle verkieselijke namen te vergoelijken?
Waarom doet een mensch dat? Omdat hij van nature er alles op tegen heeft, om zich door Christus Zelf te laten leeren, wat gelooven is. Gelooven is het heilig moeten van een niets-wetend, niets-kunnend en niet-willend zondaar. Gelooven ontbreekt vaak, niet omdat er te weinig, maar te veel in den zondaar is; daarom moet, als hier, de Heere Jezus ons gedurig in geestelijke afbraak nemen. Gelooven is derhalve de ontgronding uit ons eigen bestaan.
En nu vraagt Christus: wat is daarvan bij u aan?: „zoo gij kunt gelooven". Het is, om dezen man er opmerkzaam op te maken, dat, ondanks zijn komen en vragen, hij nog met den rug naar Hem toe staat. Zijn woorden zelfs wijzen uit, dat hij nog op menschen staart: op discipelen, op Schriftgeleerden, op de schare — om het even; maar dat maakt nu samen het nietgelooven uit.
Dus: „zoo gij kunt gelooven". Daarmee grijpt Jezus nu dien man in zijn ziel en brengt hem in een finalen omkeer, zoodat nu op eens zijn oog, zijn hart, zijn gemoed, in één woord alles aan en in hem eenig en alleen op Jezus gericht is. Dat geeft eerst zalig opzien en afzien. En terwijl hij zich aldus rekenschap van zijn komen moet geven, gaat het licht op in de duisternis. 
Gelooven? Maar dat is niet een probeeren bij dezen en genen, en ten laatste bij Mij.
Gelooven? Maar dat gaat uit van een zeker weten en niet van een misschien.
Gelooven? Maar dat is niet een los of weifelachtig, maar een vast vertrouwen.
Gelooven? Maar dat is een steunen niet op wat het hart openbaart, maar op hetgeen de Heere gesproken heeft.
Daar ligt nu voor menigeen het bezwaar.
Gelukkig maar, dat de Heere er niet overeen gaat. Evenwel voor dat bezwaar eene andere oplossing heeft dan wij. Menigeen doet immers als deze man, alsof er wat bij den Heere moet veranderen. O, hoe dwaas. Bij u, o zondaar, moet het veranderen: „zoo gij kunt gelooven".
Dit antwoord valt op den klank af niet mee. Maar o, welk een barmhartigheid schuilt er in. Als de Heere aldus den zondaar schijnbaar terugwijst, dan wijst Hij dien alleen van zichzelf af, maar in verdubbelde mate tot Hem heen. Zoo ging het ook met de Kananeesche vrouw. En bij het afbreken van het zelfvertrouwen breekt door het zuivere geloofsvertrouwen, waardoor oogenblikkelijk alle bezwaar is weggenomen en „alle dingen mogelijk" zijn geworden, ook het onmogelijke, d.i. hier de meest innerlijke ontferming voor vader en zoon.
Derhalve: indien tot Christus met den nood gevlucht, dan pas gaat de rijke schat van Zijn Middelaarschap open, niet eer. Velen probeeren dien rijkdom eerst eens vanuit de verte te benaderen, en overwegen: zal 'k wel gaan, of maar wegblijven. Neen, zóó kan er nooit kennis, nog minder ondervinding van komen, 't Moet op Zijn Woord en noodiging aan, dadelijk en onbedongen. En dan blijkt wel, dat alle geestelijke mogelijkheden alleen uit Hem voortvloeien, de onmogelijkheden alleen uit ons.
Wat zijn die mogelijkheden? Deze: wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomene verlossing. Anders en meer is niet noodig.
Maar dat is voor een eigenlievend mensch te gemakkelijk. Hij maakt het zich in eigengerechtigheid moeilijk. Moest hij zich geeselen, hij zou verwachting hebben; of zijn er aandoeningen des gemoeds, hij heeft verwachting. Maar: 't geloof alleen, inderdaad het is ons te gemakkelijk, die ook in dezen den Heere moeite maken met onze ongerechtigheden. Wij hebben er op tegen, dat 't geheel en totaal om niet gaat. En ook dat spreekt een woord mee, als 't nu eens te groot, dan weer te goed is, om waar te zijn. Is dat niet tevens gering denken over Gods daden in plaats van over uzelf? Moet dan Zijne genade niet uwe verwachting, gedachten en vermeende waardigheid te boven gaan? 't Zou anders waarlijk geen genade meer zijn.
Hier is niets meer van dat alles. Toen deze vader Jezus' stralend gelaat, vol trekken van medelijden aanschouwde en daarbij Zijn stem hoorde, vergat hij als het ware zijn eigen onvermogen en ging hij af op de waarachtigheid en volkomenheid van den persoon des Heeren. Eén blik — en daar wijkt al zijn angst: „Ik geloof, Heere".
Dat is een belijdenis der dankbaarheid.
Wat ging dat hier spoedig, zult gij zeggen, lezer. Toch niets ongewoons. Dat is altijd zoo. Het „ik geloof", zijnde vrucht van de overredingskracht des Heiligen Geestes, kan en zal altijd beleden worden ondanks onszelven. Maar dit laat zich niet leeren of beredeneeren.
De laatste sprankel zelf-of mensch-vertrouwen vervloog bij dezen vader, bij den blik op Christus, in aansluiting aan Diens aanbiddend en naar-Zich-toe-trekkend genadewoord: de Heere en Zijn Woord zijn één.
„Ik geloof". De geestelijke doorbraak was er op slag, zij het beginsel maar klein, getuige de bijgevoegde belijdenis der ongeloovigheid, zij 't ook niet zonder geweldigen strijd, want hij was „roepende met tranen". Maar dat neemt niet weg: hij riep het „terstond".
Houdt dat vast. God zet een zondaar dus niet in de lijdelijkheid, maar in de dadelijkheid van het uitruilen van zonde tegen genade. Daarom gaat die vader hier in zichzelf van de been; en daardoor leert hij nu het aangrijpen van Christus. Niet anders ging het met Jakob aan den Jabbok. Eerst zijn ontwrichte heup deed hem niet meer loslaten. Het „ik geloof" is de betuiging: ik werp mijn schuld, straf en ellende op U, o Heere.
Hoe heerlijk en volkomen wordt het hier bewaarheid. Zooals trouwens altijd. Want de moeilijkheden zijn dan overwonnen, als de zondaar zelf overwonnen is. Er is geen bezwaar dan hijzelf.
Toch was het een hopeloos geval. Want wordt den vader gevraagd: „hoe langen tijd is het, dat hem dit is overkomen?", dan moet het antwoord luiden: „van zijne kindsheid af". Met recht een hopeloos geval dus. Maar Christus is de hope niet voor hoop-hebbers, maar voor hopeloozen. Zijn doorboorde handen en voeten vagen allen twijfel weg, al is de belijdenis der dankbaarheid, hier gehoord, volstrekt niet het bewijs van een afgewerkte verlossing, want we zien hier van alle drie stukken maar een klein beginsel, want: „kom mijner ongeloovigheid te hulp".
Die ongeloovigheid was niet als bij tooverslag verdwenen; die deed zich ook nu nog gelden. Maar welk eene oprechte vrees voor zelfbedrog wordt dan hier den Heere bekend gemaakt, welk een zichzelf aanbevelen aan Hem voor de toekomst. En dat hij Christus' woord had durven betwijfelen, is nu zonde, terwijl het straks nog als een verontschuldiging had gegolden.
Hier spreekt ook klare bewustheid der vorige zonden, zooals immer de Heere ze voor oogen blijft stellen. Ongeloovigheid wordt goddeloosheid. Bewustheid open­ baart zich van tegenwoordige zwakheid, waar zoo kennelijk de knepen des ongeloofs worden gevoeld. Heilige bekommernis is het begeleidend verschijnsel van dezen Christus-kennenden geloovige. Want:
Wie nooit eens twijfelde aan zijn staat.
Die doet het moog'lijk eens te laat.
Het voornaamste stuk der dankbaarheid is het gebed; het gebed van den arme van geest. Wij zien er vaak heel wat anders voor aan. Maar op de rechte plaats gesteld, leert Gods kind tegen zichzelf bidden en tegen het ongeloof en heel dien ouden zuurdeesem hulp zoeken bij Christus, zeggende: „kom mijner ongeloovigheid te hulp". De verhooring van zulk een bede is de beste waarborg van een Christus, Die blijft, en wel in een volk, dat strijdt.
Wel droevig, mijn lezer, als onze ellende ons nog niet tot Christus deed uitgaan. Het zal zijn, omdat ge nog in allerlei uiterlijkheid opgaat, en zoo ook zonde en ellende niet gekend, nog minder betreurd worden. Wordt 't niet hoog tijd, dat eens in te zien en er mee voor God te komen en de bede te slaken tot innerlijke ontferming? Zonder deze geen vrijmaking van de hellemacht der zonde en het geweld des doods. Zonder persoonlijke ontmoeting met Jezus door het geloof geen kindschap Gods, geen erfenis, in de hemelen bewaard.
Maar wat een voorrecht, als we aan onszelf niet meer kunnen vasthouden, aan niets ter wereld, als alles afbreekt en beschaamt. Zulk een hopeloosheid is de moeder der hope, maar de moeder sterft, zoodra het kind geboren is. Zoo blijkt Christus verborgen in het oprecht geloof, en die in Hem gelooft, heeft het eeuwige leven.
B e r g s c h e n h o e k.                                           L.G. BRUIJN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's