De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

De Kerk en de Kerkelijke Vergaderingen.
Wij ontvingen een boekje: „Het tuchtrecht der meerdere vergaderingen". Het is geschreven door ds. Joh. Jansen, Gereform. pred. te Wierden. Wij komen op dit boekje nog wel terug in de rubriek Rondom de Leestafel. Maar al lezende gingen we schrijven. Heel onvolledig. Stukken overnemend uit genoemd boekje. Dus maar „een stuk en een brok", maar 't werd zoodoende een relaas over „de Kerk en de Kerkelijke Vergaderingen", dat we hier nu aan onze lezers willen voorleggen.
Zakelijk vindt men dus 't meeste terug in de brochure van ds. Jansen. Andere dingen voegden wij er bij, met het oog op de toestanden in het midden van onze Hervormde Kerk. Misschien dat het hier z'n nut kan doen en verhelderend kan werken.
We schreven dan, al lezende, het volgende:
De Gereformeerde gaat bij zijn kerkrechtelijke beschouwing uit van de plaatselijke Kerk als samenkomst der geloovigen.
Aan die plaatselijke Kerk geeft Christus een bedienende (ministerieele) macht. Christus is en blijft het Hoofd, en uit Hem, als de bron en als de wortel, komt nu rechtstreeks van Christus' wege haar het leer-, regeer- en tuchtrecht toe, om dat te oefenen door den Kerkeraad. Matth. 18 vs. 17a: ,,En indien hij denzelven geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente". In deze woorden ligt immers, dat als de particuliere wegen afgeloopen zijn, de zaak „kerkelijk" gemaakt moet worden, waarbij blijkt, dat het in de gemeente geen pneumatisch of geestelijk communisme, ook niet een pneumatisch individualisme, nog minder een pneumatisch of geestelijk anarchisme mag wezen, maar dat het in de Kerk van Christus ordelijk moet toegaan, met het tuchtrecht van de ambten, tot volmaking der heiligen, tot opbouwing van het lichaam van Christus. (Efeze 4).
Alle plaatselijke Kerken staan in deze gelijk, omdat zij alle, al is de eene middellijkerwijze misschien ook door de andere gesticht, op dezelfde wijze, d.i. rechtstreeks en volstrekt van Christus afhankelijk en aan Zijn Woord gebonden zijn. Geen Kerken dus met overheerschende macht, zooals vroeger Constantinopel, Rome, enz. wel wilden. Over die plaatselijke Kerken regeeren de Kerkeraden, met leer-, regeer- en tuchtrecht. Dat is een ontwikkeling van het kerkelijk leven naar het bijbelsch beginsel. Immers naast de Apostelen komen al aanstonds de Ouderlingen. En de Apostelen vergaderen met de Ouderlingen en beraadslagen met hen. (Hand. 15 vers 6). Dat is de overgang tot den toestand die komen zal als de Apostelen weg zijn.
De Apostelen met de Ouderlingen (Hand. 15 vers 6) en dan óók met „de afgevaardigden van de gemeente te Antiochië", die te Jeruzalem gekomen zijn, ter bespreking van gewichtige aangelegenheden, die alle Kerken (gemeenten) raken. Hand. 15 vers 2 zegt ons, dat de gemeente te Antiochië Paulus en Barnabas hebben verordineerd om, met eenige anderen uit hen, op te gaan naar Jeruzalem tot de Apostelen en Ouderlingen. Zij hebben een bepaalde „opdracht" van de gemeente te Antiochië om over „deze vraag" te beraadslagen, Ze vergaderen, spreken en besluiten dan ook te Jeruzalem met elkaar (Hand. 15 vers 12, 22, 23, 25; Hand. 16 vers 4; Hand. 21 vers 18, 25).
De Apostelen met de Ouderlingen en andere afgevaardigden vergaderen te Jeruzalem, niet onder de onmiddellijke inspiratie des Heiligen Geestes, aan de Apostelen geschonken — want dat geldt niet van de Ouderlingen en de afgevaardigden, dat zij onmiddellijk geïnspireerd werden — maar onder genieting van de belofte, dat de H. Geest gegeven is aan de gemeente van Christus, om haar te leiden in alle waarheid naar Gods Woord.
Daarom heeft de Kerk zich ook altijd te toetsen aan dat Woord, om bij dat Woord getrouw te blijven, gelijk het de Kerk van Christus, die de gave des Heiligen Geestes heeft, past.
Juist omdat en zóó zij door den H. Geest geleid wordt, zal zij blijven bij het Woord, om dat Woord te leeren, om dat Woord te verdedigen ook tegenover allerlei leugenleer, orn dus ook, zoo noodig, te hanteeren het tuchtrecht. (Matth. 18 vers 17b). 
In Hand. 15 hebben we ongetwijfeld een beginsel van een meerdere vergadering; van een Kerkelijke vergadering, waarin vertegenwoordigers van meerdere Kerken samenkomen, om over een gemeenschappelijke zaak, rakende het leven der Kerken, te beraadslagen en beslissingen te nemen. Hand. 16 vers 4: „En als zij de steden doorreisden, gaven zij hun de ordonnantiën over („dogma" of „besluiten" staat er in den oorspronkelijken, Griekschen tekst) die van de Apostelen en de Ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden".
Onmiskenbaar ligt hier in heel deze geschiedenis, ons breedvoerig in Hand. 15 beschreven, een beginsel van een Kerkelijke vergadering, waar meerdere Kerken samenkwamen; en een beginsel van „een orde, die voor de Kerken saam geldt".
Die Kerkelijke samenkomsten— Synoden — zijn dan ook maar niet „conferenties" van Kerken, waar de Kerken kunnen verschijnen of niet verschijnen, al naar ze zelf lust hebben of niet. 't Zijn maar niet samensprekingen, waarvan de eene Kerk kan zeggen, dat ze wel nuttig zijn, terwijl de andere Kerk zich onttrekt. Dat is de independentische gedachte. Die noemen het wel „naar den geest van Christus" om zulke samenkomsten te houden, maar het is geen inzetting Gods, geen ordinantie van Christus, die aan het leven der Kerk inhaerent is. 't Kan en 't mag er bij komen, maar 't is niet noodzakelijik. De plaatselijke Kerk is independent, d.i. onafhankelijk en vrij, leeren zij. 
De Gereformeerde zegt, dat de meerdere vergaderingen der Kerken maar niet een soort conferentie is, waar men wel of waar men niet mee te maken heeft, al naar het valt. Want het Gereformeerd Kerkrecht zegt dat de meerdere vergaderingen een instituut of instelling zijn van Christus. De Gereformeerden spreken hier van een goddelijk recht. God Zelf heeft het zóó verordend, zóó in het leven der Kerken gelegd, dat de Kerk er niet buiten kan en niet buiten mag. Het hoort onlosmakelijk bij het kerkelijk leven naar bijbelsche opvatting. Het Woord Gods wijst het ons klaarlijk aan.
Een paar uitspraken van autoriteiten op het gebied van Gereformeerd Kerkrecht mogen hier volgen:
Turretinus merkt naar aanleiding van Hand. 15 op, dat „hoewel de Apostelen, omdat ze onfeilbaar waren, wel alleen over hun geschil uitspraak hadden kunnen doen, ze toch een soort Synode hebben samengeroepen, om door dit voorbeeld onder de leiding des Heiligen Geestes, de orde voor te schrijven die steeds na hun dood in de Kerk van kracht zou blijven". (Turretinus. Inst. Theol. III, blz. 343).
Voetius ontkent, dat het houden van Synoden slechts „geoorloofd" zou zijn (zoo als de Independenten leerden), maar handhaaft de noodzakelijkheid. Het is, zegt hij, geen goddelijk geoorloofd recht, (jus divinum permissivum) zoodat het naar goddelijk recht slechts geoorloofd of toegelaten zou zijn, maar het is een positief goddelijk recht (jus divinum positivum) zoodat de meerdere vergaderingen moeten gehouden worden. „Het jus divinum positivum, d.i. het positief goddelijk recht (der meerdere vergaderingen) blijkt, zegt Voetius, „uit de praktijk en het voorbeeld der apostolische regeering in Hand. 15 vers 1—34, welk voorbeeld door den Heiligen Geest is goedgekeurd en daarmede ons ter navolging is voorgeschreven, waarmede dan ook alle Christelijke Theologen het wettig gebruik en het gezag der Synoden plegen te bewijzen". (Voetius. Pol. Eccl. IV, 129, 131).
Hierin stemmen Voetius en Turretinus dus volmaakt overeen.
Maar er is meer.
De Synopsis Purioris Theologiae van de vier Geref. hoogleeraren Poliander, Rivet, Walaeus en Thystus te Leiden, het standaardwerk van de Gereformeerde Theologie uit de 17de eeuw, (3e druk, Leiden 1642), zegt: „het instituut der Synode berust niet op menschelijk, maar op goddelijk recht" (Synodi institutio non est humani sed divini juris).
Hier zouden ook nog uitspraken van Mastricht, Maresius, e.a. bij te brengen zijn, om dus te bewijzen dat de goddelijke instelling der meerdere vergaderingen (Synoden), met de door Christus haar gegeven macht, door de Gereformeerden tegen de Independenten is gehandhaafd geworden.
Hier is geen soort inklevend recht van een hooger bestuur. Hier is goddelijk recht der Kerken, door Christus aan die Kerken gegeven, waar zij door afvaardiging samenkomen.
Daarom mag die meerdere vergadering ook niet worden een actie van een „hooger bestuur", die, krachtens een stemming van de helft plus één, aan de Kerken hare rechten ontrukt en haar van alle medezeggenschap berooft. Neen, het moet zijn en blijven een vergadering der Kerken, een éénheid en gemeenschap der Kerken, die met elkaar in Kerkverband leven en in correspondentie staan, in welke éénheid de Kerkeraad der plaatselijke gemeente geïncorporeerd is — zooals Voetius zegt. Pol. Eccl. IV, blz. 898—899. Hier is dan ook bij die vergaderingen der Kerken in Classis-vergadering, Provinciale Synode of Nationale Synode, geen sprake van een macht die de Kerken berooft (geen macht met een privatief karakter, dat een beroovend karakter draagt), maar hier is het een macht, die een cumulatief, d.i. een samenvloeiend en ophoopend, versterkend karakter heeft en houden moet. (Voetius, Pol, Eccl. IV, 898—899).
Hier staan de Independenten glad tegenover en verschillen er vierkant mee.
Want de Independenten verklaren letterlijk in hun Savoy-declaration d.i. hun geloofsbelijdenis: „Er mogen wel Synoden samenkomen om inzake geschillen over de leer en de Kerkregeering te beraadslagen en advies te geven, maar deze Synoden hebben geen kerkelijke macht in eigenlijken zin en zijn niet toegerust met eenige jurisdictie of rechtspraak over de Kerken zelve om eenige censuur te oefenen, hetzij over personen of Kerken, of om hare beslissingen op te leggen aan de Kerken of hare ambtsdragers".
Ook in geval van hooger beroep ontzeggen de Independenten aan de Synoden het tuchtrecht. Wij willen dus niet den Roomschen weg uit, dat ambtelijke personen, die samenkomen, van boven af met dwingende macht over de lagere ambtsdragers zullen heerschen, waarbij de opperbisschop, als de paus (papa) der Kerk, zal spreken ex cathedra, terwijl allen dan hebben te zwijgen.
Christus heeft aan Zijn Kerk het goddelijk recht gegeven van saam te vergaderen als plaatselijke Kerk èn als gemeenschap der Kerken.
Waarom we ook niet den Collegialistischen kant uit willen (waarbij de Kerk als een soort Collegium, een soort vereeniging word beschouwd. De Romeinen spraken van collegia licita, d.i. geoorloofde vereenigingen), waar de Kerk tot een soort genootschap gemaakt wordt, met hoogere en lagere besturen.
Dan wordt het wezen van de Kerk geschonden; het ambt gaat verloren; in Christus ligt dan niet de bron, de wortel van alle macht. Alles wordt dan opgebouwd naar het beginsel van den wil des menschen, naar het beginsel van de volkssouvereiniteit. De Genootschapsidee moeten we dus niet hebben, waarbij de Kerk een soort Collegium wordt, dat zich zelf „collegialiter" regeert; waarbij de rechten van dat Collegium of Genootschap door de leden, met de helft plus één, kunnen worden overgedragen aan wie men wil (aan Besturen, aan de Overheid, enz.).
Neen, we moeten hebben en houden het goddelijk wezen der Kerk en het goddelijk recht der Kerk, met Christus als Hoofd, met de rechte bediening van het Woord en van de Sacramenten, met leer-, regeer- en tuchtrecht, in den weg der ambten, in den weg der gemeenschap, waar de éénheid der Kerken uitkomt in de meerdere vergaderingen.

Heere, Heere-zeggers.
't Komt nog wel eens voor, dat er menschen zijn, die Matth. 7 vers 21 aanhalen: »Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen«. Soms kijken ze dan schuin naar „die Gereformeerden", naar die „Heere, Heere-zeggers" en misschien denken ze dan wel: jullie zijn er óók nog niet! Neen, 't feit dat we „Heere" zeggen, is waarlijk niet genoeg om in den hemel te komen. Dat kan alleen aan een arm zondaar, maar uit genade, om den wille van de verdiensten van Christus, geschonken worden!
Maar — nu moeten die menschen, die Matth. 7 vers 21 dan zóó aanhalen, met die bedoeling, om den Gereformeerden wat onaangenaam te zijn, niet denken, dat degenen die „Heer, Heer-zeggers" zijn, daarom wel in den hemel zullen komen. Ze moeten niet denken, dat de „.Heer, Heer-zeggers" dichter bij het Koninkrijk Gods staan. De zaak is héél anders gesteld!
De Heiland bedoelt dat het met het roepen van „Kúrië, Kúrië" (de kwestie van de stomme „e" is hier absoluut niet aan de orde bij den Heiland!) niet afgeloopen is. Er moet een andere verhouding nog komen tot God, dan dat men maar met de lippen zegt: „Heer, Heer" of „Heere, Heere". (Kurios, Kurios).
Dat maakt ons nog niet tot godsdienstige menschen, die God dienen in oprechtheid en waarheid, als we „maar wat zeggen".
Het moet dieper gezocht worden! En wel hierin zal dat uitkomen bij de ware christenen: dat zij „doen den wil Mijns Vaders, die in de hemelen is" — zooals Jezus Zelf zegt. (Matth. 7 vers 21b). Hier kunnen we dus veilig afstappen van die kwestie van de stomme „e".
Die kwestie is hier absoluut niet aan de orde! Maar hier komt met ernst de vraag: wie is godsdienstig? En in dit verband moet dan gezegd worden: hij die God dient, zooals Hij gediend wil worden. Niet zooals wij willen. Neen! zooals God 't Zelf, naar Zijn wil, naar Zijn Woord, eischt. Geen daad is een werkelijk godsdienstige daad, zoo wij niet in de rechte verhouding staan tot God (religio bedoelt de verhouding tot God) en zoo wij niet willen doen Zijn wil, en zoo wij niet bedoelen de eere van Zijn Naam, in gehoorzaam­heid aan Zijn Woord. Godsdienst is maar niet „met een praatje goed te maken". Heer of Heere — zal ons, op zichzelf genomen, niet kunnen dekken voor Gods aangezicht. Dat beslist niet of we godsdienstig, of we geloovig, of we christen zijn of niet. Dan komt in het geding, of wij in de rechte verhouding tot God staan (religio). Of we God liefhebben, en of we Zijn Woord bewaren. Want God wil niet gediend worden op allerlei manier, welke strijdig is met Zijn Woord, met Zijn Wil. Dan dienen we ook ten slotte ons zelf, en niet God! Jezus, Wiens spijze was den wil des Vaders te doen, leefde bij Zijn Woord. Dat Woord Gods bewaarde Hij. In de Schriften leefde Hij. Met „Mozes en de Profeten" kwam Hij ook den Emmaüsgangers tegemoet, als ze in droefenis en duisternis dwalen. Die Schriften zullen hen brengen in het rechte spoor. Wat vree heeft elk die dat Woord bemint, zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten!
Laten dan degenen, die soms zoo schamper kunnen aanhalen Matth. 7 vers 21, om den „Heere, Heere-zeggers" een steek te geven, eens vragen, of zij God dienen naar Zijn Woord? Niet naar „inwendig licht", dat 't Woord des Heeren krachteloos maakt. Neen, wandelend door den Geest, die nooit anders spreekt dan naar het Woord. „Beproeft de geesten, of ze uit God zijn"! Door Gods Woord en Geest kunnen we alleen wandelen in 't rechte spoor.
Laten we die kwestie van de stomme „e" dan nu maar eens even op zij zetten. De vraag klemt nu: dienen wij God, zooals Hij gediend wil worden, naar Zijn Wil, naar Zijn Woord?
De Heiland, die Zelf Gods Woord zoo liefhad en bij de Schriften leefde, bad voor de Zijnen: „Vader, bewaar ze in Uwe waarheid. Uw Woord is de waarheid".
Is onze godsdienst naar Gods Woord? Gods Woord verwerpen, Christus' Woord verwerpen, den Christus der Schriften Zelf verwerpen — en dan te zeggen den waren godsdienst te hebben en in de rechte verhouding tot God te staan (religio), is in strijd met Joh. 14 vers 23. Jezus en de Vader zullen dan niet tot ons inkomen en woning bij ons maken.
In Matth. 7 vers 21 is dus meer dan een stomme „e" in 't spel. Het gaat hier om Gods wil, Gods Woord. (Joh. 14 vers 23).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 september 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's