De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CEESTELIJKE OPBOUW

4 minuten leestijd

DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE HET IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (37)
In de Wezelsche Artikelen volgt nu Hoofdstuk VII „Van het Huwelijk". De eerste bepaling is, dat de namen van bruid en bruidegom drie Zondagen van den kansel bekend gemaakt worden aan de gemeente (art 1). „Vóórdat echter deze afkondiging der namen geschiedt" — zegt art. 2 — „zullen zij te zamen met hunne Ouders of Voogden zich stellen voor den Dienaar en twee Ouderlingen hunner Wijk, opdat men hen kunne ondervragen, naar wat noodig zal schijnen".
Ook hier komt dus de Wijk- of Parochieverdeeling der plaatselijke Kerken weer naar voren, noodzakelijk ter goede behartiging van hetgeen er in de gemeente te doen is.
Als het bruidspaar, met de Ouders, zich bij den dominé met z'n wijkouderlingen vervoegd heeft zullen, na de samenspreking, „hunne namen in de kerkelijke registers worden ingeschreven" (art 2b). „De huwelijken kunnen" — lezen we in art. 3 — „op elken dag zonder onderscheid kerkelijk gesloten worden" (celebrari possunt; kerkelijk ingezegend worden) „mits op dienzelfden dag een predikatie voor het volk (de gemeente) gehouden worde" (modo eodem die concia ad populum habeatur; 't moest dus „de gemeente" zijn, die daar vergaderd was).
Elken dag kon de kerkelijke huwelijksinzegening dus plaats hebben, mits in het midden van de samenkomst der gemeente, waarbij een predikatie niet achterwege mocht blijven. „Uitgezonderd zullen slechts die dagen zijn" — staat er aan 't slot van art. 3 — „die aan het vasten gewijd zijn, omdat men op deze dagen zich voornamelijk heeft toe te leggen op gebed en treurigheid".
De „vastendagen" moesten dus in eere gehouden worden in het midden der Kerk van Christus; en op deze en dergelijke dagen moest men dan niet „bruiloft" vieren! „Het overige, de regeling van de huwelijken betreffend, alsook wat aangaat de behandeling der echtscheidingen" — lezen we in art. 4 — „moet naar wij oordeelen, in de Synode punt voor punt behandeld worden".
Een Synode had men toen (1568) nog niet. De Classicale Vergaderingen en Prov. Synoden waren nog niet ingesteld. Men had toen (1568) nog maar Kerken, plaatselijke Gereformeerde Kerken in de Zuidelijke- en Noordelijke Nederlanden. Plaatselijk waren er hier en daar regelingen van kerkelijke orde. Maar nu kwamen eenige predikanten, „dienaren der Nederlandsche Kerk", te Wezel saam om enkele Artikelen op te stellen en enkele Punten nader vast te stellen, die saam dienen konden ten bate der Nederlandsche Kerken en in het midden van die Nederlandsche Kerken een zekere éénheid kwamen scheppen, waardoor kon uitkomen dat de Nederlandsche Gereformeerde Kerken tenslotte ook weer waren: de Nederlandsche Gereformeerde Kerk.
„Enkele regels voor den dienst der Kerk, waaraan de Kerken zich hadden te houden, totdat na 't samenroepen der Synode iets beters en volkomeners zal zijn verordend". (Zie Opschriften Hoofdstuk I, art 8 enz.).
De Classicale Vergaderingen, de Prov. Synoden en de Nationale Synode zijn saam van 't begin afaan voor onze Gereformeerde Vaderen het ideaal geweest, opdat op die meerdere vergaderingen de zaken van Christus' Kerk, in den weg van het ambt, zouden kunnen worden behandeld, geregeld en vastgesteld als een „orde der Kerk" of Kerk-orde.
Te Wezel is ook gesproken over De Tucht. Daar handelt Hoofdst. VIII van.
„Overal waar een gemeente pas gesticht is" — zegt art. 1 — „moet men er nauwkeurig voor waken, dat de kerkelijke tucht (disciplina. ecclesiastica) niet verzuimd wordt Want hoe heilzaam en noodzakelijk de tucht is, leert ons overvloedig zoowel de instelling als de leer zelf van den Heere Christus en de Apostelen en ook het gebruik van de Apostolische en de geheele oude Kerk. Ook de dagelijksche ondervinding eindelijk bewijst het nut".
De disciplinaire orde voor de gemeente is dus door Christus Zelf ingesteld (Matth. 18) en door de Apostelen ons nader beschreven. De tucht in de Kerk is Schriftuurlijk. Waarbij de Kerk alle eeuwen door de noodzakelijkheid gevoeld heeft. De Kerk ontaardt en vervalt ook, wanneer opzicht, toezicht en tucht ontbreekt Dan gaat het met leer en leven verkeerd. Dan ontaardt de prediking, de Sacramentsbediening en heel het kerkelijk leven wordt niet „opgebouwd", maar ruïneert. „Daarom is het ook billijk" — zegt art. 2 — „dat niemand tot den dienst des Woords behoort te worden toegelaten dan die bereid is dezen regel der tucht te handhaven en te bewaren".
De predikanten moeten de tucht als kerkelijke inzetting en ordening dus aanvaarden en zij moeten bij hun ambtsaanvaarding beloven, dat zij de tucht willen oefenen. Wil de Kerk niet komen onder het harde juk van de bandeloosheid en eigenzinnigheid en wispelturigheid van de predikanten, dan moeten de predikanten met de Kerk zich saam voegen naar kerkelijke orde, waarbij de tucht over leer en leven van de leden der gemeente en van de voorgangers der gemeente niet mag ontbreken.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

CEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's