Gereformeerde Geloofsleer.
26. Vraag: Welke beginselen heeft Cyprianus inzake de leer van de Kerk en van het ambt voorgedragen in de 3de eeuw?
Antwoord: Cyprianus, leerling van Tertullianus en bisschop van Carthago (210—258) ontwikkelde in zijn boek „De ecclesiae catholicae unitate", d.i. „Over de eenheid van de Katholieke of algemeene Kerk", de leer, dat de Kerk één is; welke zich wel openbaart in een menigte van Kerken, evenals de zon vele stralen heeft, maar slechts één licht, en de boom wel vele takken, maar slechts één stam en wortel. Deze éénheid rust op de éénheid der bisschoppen. Die waren de opvolgers der Apostelen en „plaatsbekleeders van God en Christus". Zij worden door God aangesteld en door ingevingen en gezichten geleid. Gelijk eens de profeten, mogen ook zij niet door iemand beoordeeld of tegengesproken worden. Die bisschoppen zijn één college. Ze zijn van gelijken rang en het primaat van Rome's bisschop moet bestreden worden. Het papalisme wilde Cyprianus niet, wel het episcopalisme. Hij zag de Kerk als een hiërarchische georganiseerde, zichtbare inrichting, waar de bisschop alles was; hij heeft de macht om te binden en te ontbinden; in zijn handen berustte alles: de sleutel van leer, bestuur en tucht. Ouderlingen en diakenen staan onder hem; hij heeft ook het financieel beheer en de verzorging der armen. Aan die georganiseerde bisschoppelijke hiërarchie hangt de eenheid der Kerk; en die Kerk is de alleen zaligmakende, de moeder der geloovigen. De bisschop is de vertegenwoordiger der traditie en stelt de waarheid vast, hij brengt het altaaroffer en hij heeft de macht degenen die in den vervolgingstijd afvallig waren geworden, weder op te nemen in de Kerk. Het episcopaat is alles; de eenheid der Kerk rust er op. Wie zich aan den wettigen bisschop niet onderwerpt is een ketter, weggedreven kaf, de metgezel van Korach, enz. Buiten de Kerk is geen heil. „Christianus non est qui in Christi ecclesia non est".
Cyprianus trok nog niet alle consequenties, maar hier liggen de beginselen voor het Westersch Catholicisme. Het episcopaat baant op deze wijze den weg voor het papale stelsel: de opperbisschop wordt alleenheerscher en in naam van het souvereine ambt wordt de gemeente en het ambt van al haar invloed en beteekenis beroofd. De Kerkleer van Augustinus sluit zich aan bij die van Cyprianus „extra ecclesiam mulla salus", d.i. „buiten de Kerk geen zaligheid" en „ecclesia in toto mundo", d.i. „de algemeene wereldkerk".
27. Vraag: Wie is ons verder bekend uit de eerste eeuw, die meegewerkt heeft om een meer omschreven geheel der geloofswaarheden te krijgen?
Antwoord: Naast mannen als Irenaeus (140—206) en Tertullianus (gest. 233), waarvan met name de laatste vap groote beteekenis is geweest voor de formuleering der Kerkleer, moeten we nu noemen Origenes (gest. 254), man van groote geleerdheid zijnde, behoorend tot de Alexandrijnsche School, had hij grooten invloed, zoowel in het Oosten als in het Westen. Hij was een vroom man, die gaarne als martelaar zou zijn gestorven. Uit liefde tot het Woord geeft hij een bizondere uitgave van het Oude Testament (dat de Gnostieken en vele anderen verachtten) in zes kolommen, met Hebreeuwschen en Griekschen tekst, de „Hexapla" geheeten. Als apologeet schreef hij o.a. tegen den geleerden heiden Celsus (die in het midden van de tweede eeuw leefde en in zijn geschriften een geduchten aanval op het Christendom gedaan had). Een bekend werk van Origenes is: „Peri Archoon" of „De Principiis", een uitgebreid boek, waarin hij „over de beginselen van het Christendom schreef; een soort dogmatiek of geloofsleer. [Later schreef b.v. Augustinus met hetzelfde doel zijn Enchiridium, een meer practische handleiding. Melanchton noemde zijn dogmatiek later Loci, d.i. een behandeling van de voornaamste stukken der Christelijke leer. Calvijn sprak van Institutio christianae religianis, d.i. onderricht in de Christelijke leer]
Origenes houdt zich aan de Schrift, maar leert, dat de Schrift allegorisch verklaard moet worden en dat zij een drieledigen zin heeft (somatisch, psychisch en pneumatisch). De gewone menschen blijven staan bij den woordelijken zin, de dieper ingeleiden Iezen er veel meer in, en worden in de heilige mysteriën ingeleid!
Origenes wijkt in meer dan één opzicht van de bijbelsche waarheid af. Want hoewel hij de homoöesie of wezenseenheid van den Zoon met den Vader leert, acht hij toch den Zoon beneden den Vader. Hij leert het voorbestaan der zielen (praeëxistentie-theorie), spreekt van een eeuwige schepping, met uit- en terugvloeiïng van het geschapen leven uit en in God (pantheïsme). De Doop werkt de vergeving van zonden en het ontvangen van den Heiligen Geest. Het geloof is de weg tot de deugd en brengt zoo de rechtvaardiging uit de werken. Het levensideaal bestaat in ascese, ongehuwden staat. De leer van een louteringsvuur voor de gestorvenen en van de wederoprichting aller dingen (apokatastasis pantoon) wordt door hem voorgestaan. In veel dingen wijkt Origenes dus af van de bijbelsche leer. (De Alexandrijnsche theologie).
28. Vraag: Wie kunnen we verder nog. noemen als bewerkers van de geloofsleer der Christelijke Kerk in de 4e en 5e eeuw?
Antwoord: Naast Athanasius (gestorven 373) die tegenover Arius de Godheid van Christus en de Drieeenheid verdedigde (bekend geschrift: „De incarnatione", „over de vleeschwording") moet hier met name genoemd worden de groote Kerkvader Augustinus (gest. 430), die tegenover den Britschen monnik Pelagide erfzonde: of „de zonde door Adam" verdedigde; hij schreef over het leerstuk der verkiezing en verwerpus ing. („De Civitate Deï", over de stad Gods; en zijn „Confessiones" of belijdenissen). Voor het gezag der Kerk heeft hij sterk geijverd en mee den weg gebaand voor Rome's hiërarchie.
Van Augustinus is het bekende woord: Tu fecisti nos ad te, et inquietum est cor nostrum, donee requiescat in te", d.w.z. Gij hebt ons geschapen tot U, onrustig is ons hart, totdat het rust in U.
29. Vraag: Waarom zijn Augustinus en Pelagius in één adem te noemen?
Antwoord: Wie Augustinus noemt, denkt ook aan Pelagius (gest. 420), zijn antipode in leer en leven. Leefde Augustinus aanvankelijk in zonde en schandelijkheid, Pelagius is altijd een deugdzame monnik geweest, waardoor ook bij Augustinus Gods genade en bij Pelagius 's menschen verdienste in het middelpunt der beschouwingen kwam te staan. Pelagius ontkende de erf zonde, alle menschen werden als Adam sterfelijk geschapen en er konden zondelooze menschen bestaan. Daarmede verviel natuurlijk de noodzakelijkheid van de Genade en eveneens het wetk van Christus, die meer voorbeeld dan verlosser voor Pelagius was. De consequentie van dit stelsel is, dat ieder mens zijn eigen God wordt.
Veroordeeld te Carthago-(418) en te Efeze (431) kwam toch zijne dogmatische beschouwing in het Semipelagianisme tot heerschappij in de Roomsche Kerk.
30. Vraag: Wat is verder van de verhouding van de Westersche en de Oostersche Kerk te zeggen?
Antwoord: Met de opkomst der Westersche Kerk ging het verval der Oostersche gepaard. Uit deze laatste kan genoemd worden: Johannes Damascenus gest. 754); hij schreef o.a.: „Nauwkeurige uiteenzetting van het rechte geloof". Hij is de grondlegger van de beeldenvereering, hij leerde, dat al het aardsche een beeld is van God en beeldendiensst, daarom natuurlijk en noodig was. Hij noemde het Manicheïsme aan de beelden vereering te weigeren.
De Westerlingen vonden hunne voortzetting in de Roomsche Kerk; de Oosterlingen hebben hun toekomst in de Russische Kerk. De scheiding heeft formeel plaats gehad in 1054. Het Westen blijft dank schuldig aan het Oosten, om de wille van den strijd tegen het Gnosticisme en de vaststelling van de twee dogmata: de Godheid van Christus en de Triniteit.
31. Vraag: Wat valt aangaande de tweede periode der Christelijke Kerk inzake de ontwikkeling der geloofsleer te vermelden?
Antwoord: De Westersche Kerk is geworden tot Roomsche Kerk, welke hare leer gedurende de Middeleeuwen heeft ontwikkeld, in Roomschen zin, waarbij, buiten Gods Woord om én in strijd met de Heilige Schrift, allerlei dwalingen werden opgenomen en verwerkt tot Kerkleer; o.a. beeldenvereering, aanbidding der heiligen, inzonderheid van de Maagd Maria; reliquieënvereering; de biecht, de leer van het vagevuur, de leer van het pausdom, enz. Deze specifiek Roomsche leerstellingen zijn niet ontleend aan den Bijbel, maar vloeien voort uit de traditie of overlevering, welke de Roomsche (Pauselijke) Kerk als een bron voor haar geloof gebruikt naast, ja, boven den Bijbel, met den Paus als hoogste uitlegger.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 oktober 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 oktober 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's