De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GEESTELIJKE OPBOUW

DE GEREFORMEERDE KERKORDE of HOE HET IN DE KERK DES HEEREN MOET TOEGAAN. (38)

6 minuten leestijd

In een Kerkorde voor de Gereformeerde Kerken kan en mag een hoofdstuk over de Tucht (,,De Disciplina") niet ontbreken. De Kerk van Christus, die naar het Woord Gods wil leven en die de Sacramenten wil bedienen naar de instelling van Christus, moet opzicht, toezicht, ook tucht oefenen.
Toen men dan ook in 1568 op het Convent te Wezel was saamgekomen om over een officieus Kerkverband te handelen — Classes enz., waren er nog niet — is in de door dat Convent vastgestelde Artikelen ook een hoofdstuk over de Tucht opgenomen, bestaande uit 21 artikelen. En als daarna in 1571 te Emden de eerste officieele Synode kon saamkomen, heeft deze bizonder uitvoerig over de Tucht gehandeld, blijkens artt. 25—34 van hare Acta en in die bepalingen zijn in hoofdzaak de Wezelsche Artikelen gevolgd en overgenomen. Die besluiten van de eerste, Emdensche, Synode van 1571 zijn verder de regelen gebleven voor de Tucht en door alle volgende Synoden overgenomen, meestal woordelijk. De Dordtsche Kerkorde van 1619 handelt er over in de artikelen 71— 86 „van de Censuur en Kerkelijke Vermaning".
Heel sober wordt de zaak dan altijd omschreven. Het hoofdstuk over de Tucht is nooit bij onze Gereformeerde Vaderen een soort Wetboek van Strafvordering geweest, waarin alle gevallen van tucht worden opgenoemd en waarbij aangeduid wordt welk tuchtmiddel in elk geval toepasselijk is, hoe de kerkelijke procedure gaan moet, hoe het onderzoek moet geschieden, enz. Alleen de hoofdbeginselen zijn opgenomen, de uitwerking is vrij gelaten.
Dat kwam hier vandaan, dat het nu eenmaal niet aanging dat alles te omschrijven, evenals met de burgerlijke strafoefening geschiedde, omdat de kerkelijke tucht van geheel anderen aard is. Wanneer de Tucht alleen uitwendig wordt toegepast, mist de kerkelijke tucht alle doel. Het doel is immers een zondaar te behouden en de eere Gods te bevorderen. En dan kan er geen soort Wetboek van Strafvordering worden gemaakt. Het doel van de Tucht eischt de grootste speelruimte in de toepassing, indien maar de beginselen, ons in de Heilige Schrift gegeven, vaststaan en op ieder geval worden toegepast. Daarom niet allerlei wetsbepalingen in de Kerkorde. Beginselen zijn hier echter strikt noodzakelijk en dan naar uitwijzen van Gods Woord.
Moeten wij nog over de noodzakelijkheid van de Tucht spreken? Helaas! onder ons wèl. Want er heerschen in het midden van de Ned. Hervormde Kerk de allerwonderlijkste begrippen soms!
Laten we daarom even ons herinneren wat de Heiland gezegd heeft tot Petrus. In beeldspraak zegt Hij (Matth. 16), dat Hij op Petrus als den belijder van Jezus als den Christus, den Zoon des levenden Gods, de Oud-Testamentische gemeente ('t woord Kahal was in de Septuagint vertaald als gemeente Gods onder Israël) gaat uitbouwen. De N.-Testamentische voortzetting en vervulling van de O.-Testamentische gemeente (Kahal) zal geschieden op den rotsgrond van de Christus-belijdenis. Een gebouw, een huis zal er verrijzen op 't eenig fundament, dat door Petrus zoo juist omschreven is.
En dan verandert het beeld, dat de Heiland, als de Bouwer van dat huis Gods, gebruikt. Want dan wordt Petrus verder genoemd de huisverzorger en sleuteldrager van het Koninkrijk der hemelen, dat in en door de gemeente Gods zal komen en verwezenlijkt worden.
Petrus, de Christus-belijder — en in zooverre met zijn belijdenis het fundament der Kerk — ontvangt de sleutelen waarmee hij de poorten van het Koninkrijk der hemelen, dat in Christus geopenbaard is en geopenbaard zal worden, kan openen en sluiten. (Jes. 22 vers 22). Een verkorte zegswijze in beeldspraak, waarbij naast het beeld van den sleutel en het Koninkrijk der hemelen, natuurlijk aan een deur en aan een slot moet worden gedacht, om te openen en te sluiten, om binnen te laten en uit te werpen, enz.
Christus Zelf draagt die sleutelen, Hij is de Bouwheer, de Huisverzorger, de Koning, het Hoofd. Daarom lezen we Openb. 3 vers 7: „dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, en Hij sluit en niemand opent".
Hij heeft over den toegang tot het Koninkrijk der hemelen te beslissen. Hij is Zelf de deur; Hij is ook de poortwachter, de machthebber. En nu geeft Hij in deze aardsche bedeeling in het midden van Zijn gemeente, die Hij bouwt, behoedt en bewaart, om haar als een reine maagd den Heere toe te bereiden, de sleutelmacht aan een mensch; Hij stelt de sleutelmacht in dienst van menschen in het midden van Zijn gemeente.
Huisverzorgers Gods moeten er dus zijn in het midden van de Kerk. Maar huisverzorgers die dan ook ten slotte een rechterlijke, beslissende macht ontvangen van Christus; om, in gebondenheid aan de ordinantiën van Christus, te beslissen over de vraag, wie in het hemelrijk zal ingaan en wie niet. Christus, die Zelf de Sleuteldrager is, werkt hier middellijk door den dienst van menschen, door den dienst van het ambt straks, waarbij het ambt straks nooit of te nimmer los van Christus mag staan noch handelen.
Daarom is de kerkelijke tucht ook altijd iets aparts. Want zij is niets anders dan om de regelen te handhaven, die de Heere voor Zijn Kerk gesteld heeft, 't Is de toepassing en handhaving van Gods wil, van Christus' ordinantiën. De kerkelijke tucht moet altijd steunen op Gods Woord. Gods wil moet de achtergrond zijn. Daarom is de Pauselijke hiërarchie uit den booze!
Maar daarom is tucht ook geen administratieve handeling om de door menschen gegeven reglementen te handhaven. Het gaat niet om dwingend gezag ter naleving van menschelijke bepalingen en voorschriften, 't Staat veel hooger. 't Moet veel hooger staan althans!
Men leze maar eens wat Calvijn schrijft in zijn bekend werk: de Institutie. Of, om dichter bij huis te blijven, men sla maar eens op Zondag 31 van onzen Heidelbergschen Catechismus. Hoe staat daar alles in verband met het gelooven en verwerpen van het Evangelie der zaligheid! En aan de ongeloovigen en die zich niet van harte bekeeren moet betuigd worden, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang als zij zich niet bekeeren. Terwijl dan verder, zoo noodig, volgens het bevel van Christus (Christus staat achter alles!) degenen, die onder den christelijken naam onchristelijke leer en leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hunne dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of dengenen die van de gemeente daartoe verordineerd zijn (dus den Kerkeraad) moeten aangebracht worden, en, zoo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden der Sacramenten uit de Christelijke gemeente moeten gesloten worden, terwijl God Zelf — zoo staat er — hen uit het Rijk van Christus zal sluiten, enz.
Hier geeft onze Catechismus geen onzeker geluid. En als we onze Ned. Geloofsbelijdenis opslaan bij artikel 29 en artikel 32, krijgen we hetzelfde te hooren. 't Zelfde wat ook de Wezelsche Artikelen ons geven inzake de Tucht.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

GEESTELIJKE  OPBOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's