MEDITATIE
Het vaste fundament Gods
»Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die Zijne zijn«. 2 Timotheüs 2 vers 19a, b.
„Evenwel"! Paulus protesteert. Gelijk het geloof protesteert. De wereld dringt zich met onmiskenbare kracht aan den mensch op. Voor den natuurlijken mensch is de wereld zooals de wereld gezien wordt; een wereld van ellende, van schrijnend wee, van blinkende smart; een wereld zonder vrede; een wereld zonder hope. Maar voor den mensch in Christus is deze wereld toch wat maar gezien wordt en het geloof protesteert met heilige klem, aanmerkende de dingen, die men niet ziet, omdat ze zijn de eeuwige dingen. Door dat geloof protesteert David in zijn smart: „Immers is mijne ziel stil tot God". Door dat geloof protesteert Abraham, met Izak optrekkende naar Moria. „Als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeeren". En zoo velen meer! Waarom? Omdat God Zelf protesteert, en, waar Satan de schepping voor zich opeischt, Zijn machtig wederwoord der hel in het aangezicht slingert: „Want alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".
„Evenwel het vaste fundament Gods staat". Hoe goed was het dat Paulus zichzelf en Timotheüs herinnerde aan die wereld der niet geziene dingen. Immers voor oogen was strijd, en dat niet tegen buitenstaanders, maar strijd in eigen boezem; een kwaad, voortvretende gelijk de kanker; een leugengeest, sommiger geloof verkeerend. Hoe weinig bemoedigend voor den mensch, die zoo geneigd is op het uiterlijk succes te zien en de zaken van het Koninkrijk der hemelen af te meten naar den staat der zichtbare Kerk. Daar vielen ze af, die het goede beleden hadden; daar slonk de gemeente, die zoo heerlijk groot scheen. Ach, wat schamele heerlijkheid, die heerlijkheid der trotsche kathedralen, van „geloovigen" vervuld. Wat schamele heerlijkheid, die heerlijkheid der Sacrament vierende gemeente; wat schamele heerlijkheid, die heerlijkheid der gevierde sprekers; wat schamele heerlijkheid, die haar glans inboet terstond, wanneer het Satan belieft den aanval op die Kerk te openen. Ziet, dan valt alles, wat menschenhand wrocht, dan twijfelt en vertwijfelt ieder, die ten slotte buigend en brekend aan de wereld der zienlijke dingen het laatste woord laat; maar dan spitst die uit den Geest geboren is zich toe op het Woord der Schrift, handelende van eene betere heerlijkheid, waar de Apostel getuigt: „Evenwel het vaste fundament Gods staat".
Zoo wijst Paulus op het voornemen Gods der eeuwige verkiezing, hetwelk vast en onveranderIijk is. Wij kunnen het den mensch niet euvel duiden, die voor dit woord beeft. Hier toch zinkt de mensch weg, geheel en al; en dat is te veel. De grootste ellende zal den mensch niet breken, zoolang hij nog een uitweg ziet en de hoop heeft menig vertwijfelend hart gesterkt. Maar ziet, hier is het buiten hope, waar de alleen-wijze God ons aller lot voor eeuwig heeft uitgemeten. Buiten hope voor den mensch, die zich niet schuldig weet. Buiten hope voor den mensch, die vleesch en bloed dient en niet de eere eens rechtvaardigen Gods bedoelt. Buiten hope voor den mensch, die het woord van den Dooper niet verstaat: „Hij moet wassen, maar ik minder worden". Maar wat allen vaten des toorns, tot het verderf toebereid, tot ontzetting moet zijn, is allen kinderen des lichts tot eeuwige vreugde in het aangezicht van al het hunne, waarop zij door genade den dood leerden schrijven; eeuwige vreugde, waarin zij het uitjubelen: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere".
Zalig zijn ze, die zóó voor anker gingen, die in het geslingerd worden hunner ziel zich mogen vastklemmen aan dat eeuwig onveranderlijk besluit van hun Heere en hun God. Dan mag in den strijd des levens 't gezicht aan Ezechiël getoond in kris kras wielende raderen, met velgen hoog en vreeselijk zich uitbeelden in rauwe werkelijkheid, wat nood, zij weten, dat alle dingen ten goede medewerken dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn. Dan mag zich Jobs geschiedenis herhalen, ook vele malen in hun leven, wat nood, met dien geestelijken vader zullen zijne geestelijke kinderen het zeggen: „Want ik weet, mijn Verlosser leeft". Ach, dan mag de ziel in duisternis klagen: „Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijne barmhartigheden door toorn toegesloten?" Wat nood, het licht zal doorbreken en het geloof zal spreken: „Ik zal de daden des Heeren gedenken, ja ik zal gedenken Uwe wonderen van oudsher". Zalig, driewerf zalig zijn ze, die op dit vaste fundament zijn gebouwd.
Nu draagt dit vaste fundament een zegel. Reeds in overoude tijden bestond de gewoonte op deurposten en op hoeksteenen van groote gebouwen opschriften te plaatsen. Zoo heeft de Heere ook dit vaste fundament gestempeld met het opschrift: „De Heere kent degenen, die Zijne zijn". Daar is een kennis Gods, die verschrikt. Het is die kennis, waardoor alle ding voor Zijn oog naakt en geopend ligt. De mensch verstaat merkwaardig goed de kunst zichzelven te verbergen. Het is een kunst, die hij door den nood gedwongen heeft geleerd. Er zijn er maar weinigen, voor wie hij zijn hart blootlegt, want dat hart strekt hem niet tot eere. En ook dan nog heeft dat hart zijn duistere hoeken, waartoe geen menschenoog wordt toegelaten, waar ook de mensch zelf slechts huiverend den voet zet. Dat alles, zonder uitzondering, kent God. Helaas, de mensch leeft niet bij die kennis. .
Nu is dat niet de kennis Gods, die hier bedoeld wordt. Zij gaat toch over alles en een ieder; en het zegel spreekt van eene kennis Gods, die over de Zijnen gaat. Dat kennen is een kennen in liefde. Het is dat kennen, waarvan zoo ontroerend sober wordt melding gemaakt: „En God zag de kinderen Israels aan en God kende hen". Ziet hier is troost voor Gods volk. Zij zijn het immers die God als van verre aanschouwen in het geduchte paleis Zijner heiligheid. Als zij op Hem zien, hoe ver wijkt Hij in Zijn ontoegankelijk licht. Waarlijk dan zien zij zichzelven eerst recht in het harte en moeten zij het uitroepen: „Heere ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch". „Nu ziet U mijn oog, daarom verfoei ik mij in stof en asch". En toch, de Heere kent, die Zijne zijn. Dat kennen overbrugt de klove, dat kennen neemt den afstand weg, in dat kennen daalt God tot de zondaarsziel af, die nu mag klagen, die nu mag belijden, wat de Heilige reeds lang weet. Voor Hem mogen zij zich nu blootleggen, juist zooals ze zijn, geen ding behoeven ze te verbergen, vreezende dat Hij zich in toorn van hen zal wegwenden. Nu mogen zij den dichter gehoor geven als hij hen opwekt: „Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk, stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons eene toevlucht". De Heere kent degenen die Zijne zijn. Zoo wordt dat dan het woord dat hen draagt, eeuwig schraagt, zóó dat zij alleen in dat kennen des Heeren hun heil en hun vrede zien en alle onspoed zich oogenblikkelijk voor hen blootlegt als God die Zich verbergt. Dan wordt wel de klacht vernomen: „Mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat van mijnen God voorbij", maar vol vertroosting antwoordt de Geest der aanneming tot kinderen: „Ziet Ik heb u in Mijne beide handpalmen gegraveerd". In Zijne handpalmen gegraveerd, hier denken wij aan het woord van den Christus: „Niemand kan ze uit Mijne hand rukken". De Heere kent de Zijnen in Christus, daarom staat dit kennen als zegel op het vaste fundament van den eeuwigen raad des vredes. Met Zijnen Eeniggeborenen sprak de Vader in de stille eeuwigheid; tot Hem ging Zijne oneindige liefde uit, op Hem rustte Zijn oog met welbehagen toen Hij sprak: „Zie Ik kom om Uwen wil te doen, o God" en in dien Borg zag van toen af de Heere al Zijn kinderen, en waar Zijn Vaderlijk oog den Geliefde volgde bij Zijn intrede in de wereld der smarten, daar zag Hij elk der Zijnen en Hij had ze lief met eene eeuwige liefde. Dat is een te groote gedachte voor den „armen" mensch. Heel de schepping, zoo mag hij het zien, bestaat om het werk van dien Borg; gansch die schepping werd tot in haar diepste wezen beroerd, toen dat werk in de volheid des tijds werd uitgebeiteld; en ziet in dat alles overweldigend werken van den goddelijken Borg leest de God des vredes den naam van den nietigen zondaar. Is dat niet te groot? Zouden wij daarvan niet zeggen: wij zien het, maar doorgronden het niet?
„Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen die Zijne zijn". Behooren wij daarbij? Wat zal een Evangelie baten dat niet meer is, dan eene schoone teekening, dan een schoon boek? Kent de Heere ons niet in Christus, Hij kent ons nochtans, maar zooals Hij alles kent en een ieder, zooals Hij Satan kent, die voor Hem siddert, wiens eigendom wij dan zijn, naar onze natuur, die wij dan zullen volgen in het eeuwig verderf.
Dat ons de schrik des Heeren bewege tot het geloof.
Langerak bez. de Lek VAN DER HOEK
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's