De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

8 minuten leestijd

Postgiro 138421.
Voor een paar weken kreeg ik een brief, die bij opening 10 postzegels van 7 1/2 cent bleek te bevatten. Maar dat was het eenige niet. Die vijf en zeventig cent kreeg ik n.l. niet zoo maar cadeau. Daar was nog een briefje bij en daar bleek uit dat de goede vriend die mij deze gave zond, gedacht had: voor wat hoort wat. Op dat briefje stond een vraag. Een vraag over de Fondsen, zegt ge misschien? Neen. Dan over „De Waarheidsvriend? " Neen, ook niet. Dan over den Bond? Neen, ook niet. Het was een vraag van heel anderen aard, een vraag die eigenlijk bestemd was voor onze „Vragenbus". Maar onze vriend had blijkbaar gedacht: zoo'n Penningmeester van den Bond is een „Manusje van alles", die heeft verstand van alles en nog wat, en vooral als hij 75 cent kan verdienen, dan staat hij nergens voor.
Zie hier wat hij vroeg: „Wij lezen in Handelingen 6 de laatste gekozen Diaken Nicolaüs, een Jodengenoot van Antiochië, is deze de secte geworden die wij lezen in Openbaring 2, waarvan Christus zeide dat hij hem haat?"
Hè hè, dacht ik, daar moet ik eerst eens over denken en moet ik eerst eens wat op naslaan, want ja, ik moet eerlijk bekennen dat ik daar maar niet zoo dadelijk ja of neen op kon zeggen. Daar zijn soms van die knappe menschen die alles weten en daar zijn wel dominé's ook die je dat niet kunt vragen of ze weten er altijd een antwoord op. Maar zie je, tot die knappe bollen behoor ik nu eenmaal niet. Ik heb een heele boel dingen die ik niet weet en gij kunt mij heel wat vragen stellen waar ik schouderophalend op zou moeten antwoorden. Daarom legde ik ook de vraag van onzen vriend eerst maar eens heel kalm naast mij neer en .......... — 't was avond, toen ik den brief kreeg — 't heeft me dien nacht geen oogenblik slapens gekost. Maar toen ik na een paar dagen den brief weer op mijn schrijfbureau tegenkwam, kreeg ik toch wel zin in die 75 cent en mijn geweten zei tegen me: die moet je terugsturen of je zult toch iets van Nicolaüs en van die Nicolaïeten moeten zeggen. Nu, 75 cent terugsturen, dat doe je niet gauw en daarom koos ik het laatste maar.
Ik deed mijn mouw ..........neen, mijn boekenkast eens open — al zeg ik het zelf, is die nog al aardig voorzien — en vond al heel gauw wat dat met de vraag van on­zen vriend in verband stond. 'k Herinnerde mij toen wel er vroeger ook wel eens een en ander over gelezen te hebben. En nu dat onderbewuste weer wat naar boven kwam wist ik er wel raad op. Het antwoord op de bedoelde vraag moet dus naar mijn be­scheiden meening luiden als volgt:
De Nicolaïeten waren een secte wier werken volgens Openb. 2 vers 6 in de gemeente van Efeze werden gehaat, doch wier leering volgens Openb. 2 vers 15 in de gemeente van Pergamus gehouden werd. De leer van deze secte was blijkbaar in strijd met de besluiten die op het apostel-convent te Jeruzalem (Handel. 15) genomen waren, v.n.l. met betrekking tot het eten van afgodenoffer en hoererij. Terwijl daar toch besloten was dat de heiden-christenen zich daarvan onthouden moesten, leerden de Nicolaïeten dat dit niet alleen niet noodig was, maar dat door het bedrijven van dergelijke zonden de genade des te beter uitkwam en dat hoe meer men zich in dezen misging, hoe eerder men zichzelve verdorven had. Het waren dus die menschen, tegen wie Paulus ook reeds gewaarschuwd had, die de zonde deden opdat de genade daaruit zou voortkomen. In hoever deze lieden nu geestelijke kinderen waren van Nicolaüs, een der zeven diakenen uit Handelingen 6, schijnt niet met zekerheid uit te maken. Sommige oud-christelijke schrijvers als Tertullianus en Irenaëus beweren dat hij er de stichter van is, maar bewijzen er van leveren zij niet. Natuurlijk is het niet onmogelijk, want al was Nicolaüs, de proseliet uit Antiochië, een der zeven mannen van wien de apostelen gezegd hadden dat zij goede getuigenis moesten hebben en vol des Heiligen Geestes en der wijsheid moesten zijn, zoo is het toch niet uitgesloten dat Nicolaüs, van wien wij niets naders weten, later tot afwijkende gevoelens gekomen kan zijn. Ook is het mogelijk wat Clemens van Alexandrië schrijft, dat n.l. Nicolaüs gezegd zou hebben „men moet het vleesch met gestrengheid behandelen", waaruit de Nicolaïeten afgeleid zouden hebben dat zij het vleesch misbruiken mochten, zoodat de Nicolaïeten zich eigenlijk ten onrechte op Nicolaüs beriepen en naar Nicolaüs zich noemden. Terwijl er ook nog een derde mogelijkheid is, dat n.l. omdat de naam Nicolaüs een zeer algemeene naam was, er een andere Nicolaüs geweest is aan wien de in Openbaring 2 bedoelde dwaalleer den naam heeft ontleend. In ieder geval, zekerheid kan ik onzen vriend met betrekking tot wat hij in dezen graag wil weten, niet geven. Nochtans hoop ik dat hij met mijn antwoord tevreden zal zijn, gelijk ik dat ben met zijn 10 postzegels.
Laat ik nu echter maar dadelijk er aan toevoegen dat de Penningmeester geen „Vragenbus" is. Immers 't zou misschien mogelijk zijn dat er lezers van „De Waarheidsvriend" waren die dachten: nu, zoo'n antwoord heb je ook niet veel aan, en dus wat ik te vragen heb, vraag ik maar niet aan den Penningmeester. Nu, dan hebben zij groot gelijk, hoor, want er zijn er die dat veel, veel beter kunnen dan ik. Maar 't zou ook mogelijk zijn dat er waren die dachten: jongen ja, ik heb ook wel zoo iets, wat zou de Penningmeester daarvan terecht brengen? Laat ik dan maar dadelijk zeggen dat ik geen ruzie wil hebben met den redacteur van de ,,Vragenbus". Alleen onder één voorwaarde zal hij 't misschien goed vinden dat ik zoo nu en dan eens onder zijn duiven schiet. En dat is, als onze Fondsen er wèl bij varen. Maar dan zeg ik vooruit: onder den gulden doe ik het niet meer. Als er dus weer zoo'n weetgrage abonné is, dan wil ik wel trachten een antwoord te geven, maar dan stuur ik, net als een dokter en een professor, een rekening van ƒ 2.50 of van ƒ 5.—. Dat hangt van de moeilijkheid van de vraag af. Als 't een heele makkelijkeis, doe ik het misschien wel voor ƒ 1.—, maar dat is ook het allerlaagste tarief. Gij begrijpt wel, dat het natuurlijk allemaal in den spaarpot van de deerntjes terecht komt. Dus nu moet ge 't zelf maar weten, hoor!
Maar kom, wat zou d'r van de week in 't laadje zitten? Ik vermoed zoo dat dat dezen keer niet mee zal vallen, want er was nog al eens een morgen dat ik op mijn ontbijttafel niets zag van den Postcheque-en Girodienst. En dan is het in den regel mis. Toch kan ik al dadelijk beginnen met de verblijdende mededeeling, dat de vorige week een vergissing heeft plaats gehad. Gij moet n.l. weten dat ds. Enkelaar van Hasselt mij ƒ 25.— had gezonden als deel van een door hem ontvangen gift van ƒ 100 „voor het Evangelisatie-werk". Ik dacht dus: die ƒ 25.— moeten naar ds. Lans. Maar al heel gauw kreeg ik van ds. Enkelaar bericht dat die ƒ 25.— waren voor het Studiefonds en dat hij zelf aan ds. Lans ook al ƒ 25.— voor den Evangelisatiearbeid had gezonden. Ik keek er mijn postwisselstrook nog eens op na, maar daar stond toch duidelijk dat het voor de Evangelisatie, dus voor het nichtje was. Het bleek dus dat ds. Enkelaar zich vergist had — nu, een vergissing is immers menschelijk, en deze vergissing was nog al niet zoo erg en kon heel gemakkelijk hersteld worden. Ik hoop dan ook maar, zoowel voor hem als voor mij, dat het niet de laatste maal is dat ds. Enkelaar zich vergist, en vooral op deze wijze vergist heeft. Ik kan dus beginnen behalve de 75 cents postzegels van, N.N. te X. voor het beantwoorden van de vraag, met een gift uit
H a s s e l t, afgezonden door ds. Enkelaar, van ƒ 25.— voor het Studiefonds, terwijl ik daarna van denzelfde nog een gift ontving van N.N. groot ƒ 5.— met bijschrift „uit dankbaarheid enz.", zijnde ƒ 2.50 voor het Studiefonds en ƒ2.50 voor het Leerstoelfonds. 
R ij s s e n, afgezonden door ds. v. Voorthuizen een gift van ƒ 5.—, gecollecteerd Zondag 7 October voor het Leerstoel-en Studiefonds. 
S o e s t, afgezonden door ds. Kruishoop een gift van ƒ 5.— voor het Studiefonds van een broeder der gemeente.
K a m p e n, van den penningmeester der afdeeling, E. Roest, den inhoud van busje 125 gedurende de laatste twee maanden, zijnde een bedrag van 2 maal ƒ 11.— is ƒ22.—. 
Maar verder kan ik het wat giften betreft met den besten wil niet brengen van de week. Dat maakt dus een bedrag van ƒ 62.75. Gelukkig dat er nog maar een paar afdeelingen geweest zijn die er een voorgevoel van schijnen gehad te hebben en die mij dus hun contributies zonden. Immers ik ontving nog uit
H a z e r s w o u d e van den Penningmeester der afdeeling M. Noordam, aldaar een contributiebedrag van ƒ 42.50 en uit
Z e g v e l d van den Penningmeester der afdeeling A. Dekker, aldaar, een contributiebedrag van ƒ 40.12, zoodat het nu toch weer aardig terecht komt, want met deze ƒ 82.62 er bij kom ik toch nog weer aan een bedrag van
f 145.37
waarvoor ik natuurlijk weer gaarne mijn hartelijken dank betuig.
Veenendaal,
De Penningmeester, Ds. M. JONqEBREUR.
P.S. Het schrijven uit Dordrecht komt de volgende week aan de orde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's