De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

Ook in ons land niet anders.
In ons vorig nummer hebben wij op het toenemend revolutiegevaar gewezen, dat van allen kant de rust der volken bedreigt. Ook ons volk staat daar niet buiten.
Daarvoor valt in de eerste plaats te wijzen op de Communistische beweging, die, vanuit Rusland hier te lande gesteund, er bij iedere gelegenheid op uit is om de gemoederen in beroering te brengen en tot verzet te prikkelen.
Vooral zijn het de gezagsinstituten, leger, vloot en politie, die tot ongehoorzaamheid aan de Overheid worden aangespoord. Nog slechts enkele maanden geleden werd op de internationale Communistische vergadering te Arnhem het ronduit gezegd:
Wij hier te zamen verklaren plechtig in alle openlijkheid, dat wij alles zullen doen om het leger onbetrouwbaar te maken voor de bourgeoisie; we zeggen niet tot de arbeiders: weigert dienst, wij zeggen: Gaat in het leger als de bourgeoisie u roept, aanvaardt de wapens uit haar hand, en als ge ze gebruikt, gebruikt ze dan niet tegen de belangen van het proletariaat, maar voor de belangen der arbeidersklasse.
In deze opruiende taal wordt het Communistisch standpunt ten opzichte van de propaganda in het leger uiteengezet, welke propaganda er op uit is om het revolutionaire sentiment (gevoel), dat reeds bij zoo vele jonge mannen aanwezig is, aan te wakkeren. Dat daardoor de veiligheid des lands ernstig wordt bedreigd, valt moeilijk te ontkennen. Reeds werden bij de laatste verkiezingen ruim 75000 Communistische stemmen uitgebracht, en het is niet te verwachten, dat het bij dit getal stemmen het volgend jaar zal blijven.
Opstand in het leger en op de vloot is het, bevel uit Rusland, waarnaar de communisten zich ten onzent hebben te gedragen en dat door deze revolutionairen grif wordt opgevolgd.  Ook is bekend de wijze, waarop de Communistische propaganda in de verschillende geledingen der maatschappij inwerkt, door middel van den cellenbouw. Deze cellenbouw werkt op de fabrieken en in de werkplaatsen, onder de politie, ambtenaren en onderwijzers.
De cellen worden door de besturen in het leven geroepen en moeten dienen als tusschenschakel tusschen de groote massa en de leidende organen der partij. Zij moeten de voelhorens zijn onder de bevolking. De cel moet toezien, dat de aanwijzingen, door de partij gegeven, door de arbeiders worden in praktijk gebracht en onvoorwaardelijk worden nagekomen. De cel heeft nieuwe leden voor de partij te winnen, de propaganda-acties te steunen en daadwerkelijk aan het economische en politieke leven deel te nemen. Het is een werk der duisternis, waarbij spionnage een hoofdrol vervult.
Niet het minst om die reden levert het werken van de Communistische cel een groot gevaar op voor de saamleving. Onbekend met hetgeen in het geheim wordt voorbereid, leeft ons volk als 't ware op een vulkaan. De grondslagen van het volksbestaan worden ondergraven en de mijn wordt gelegd, die op het onverwachts tot ontploffing zal worden gebracht.
Met niet genoeg ernst kan tegen dit duistere werk der Communisten gewaarschuwd worden, dat ten doel heeft den ondergang van den Staat en de maatschappij en de vestiging van de dictatuur van het proletariaat.
Wat nu betreft de andere groep revolutionairen in ons land, n.l. de Sociaal-Democraten, oogenschijnlijk staat het er met dezen anders voor. Doch dit is niet anders dan schijn. Want ook van deze groep blijft voor de veiligheid des lands een groot gevaar te duchten. Niet alleen omdat de Sociaal-Democraten bij ons een onderdeel zijn van een internationale organisatie, die over heel de wereld een fel revolutionair karakter draagt, maar ook om hetgeen hier te lande het optreden der Socialisten te zien geeft.
Het is een feit van algemeene bekendheid, dat na het jaar 1918, toen de Sociaal-Democraten geheel onverwacht in een kritiek moment naar de macht wilden grijpen, over dit revolutionair optreden nimmer eenige spijt is betuigd, of zelfs een toezegging werd verkregen, dat de partij zich voortaan voor zulk een misdadige actie zou hoeden. Integendeel wat in het begin van dit jaar plaats vond bij de herdenking van de spoorwegstaking van 25 jaar geleden bij welke gelegenheid de opstand van die dagen werd verheerlijkt en de revolutionaire aanslag van 1903 werd geprezen, geeft genoegzaam te zien, dat de Sociaal-Democraten in de laatste 10 jaren in revolutionaire richting het voetspoor van de Communisten volgen.
Op deze mentaliteit zal niet weinig invloed hebben de drang, welke van den linkervleugel der Socialisten op de partij wordt uitgeoefend. Deze uitersten, welke als leden van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen een niet gering deel der Sociaal-Democratische Arbeiderspartij uitmaken, zijn voorstanders van de buitenparlementaire, actie, d.w.z. voorstanders van het ruw geweld. Bovendien komen zij op voor directe oorlogsbestrijding door werkstaking, bewapening der arbeidersklasse, bevrijding van de Indische volken door lijdelijk verzet en opstand, benevens voor verzoening met de Russische arbeiders. 
Zoo aanstonds, wanneer de heer Stenhuis, de vroegere voorzitter van bovengenoemd Nederlandsch Verbond, als afzonderlijk Socialist in de Kamer zijn denkbeelden zal ontvouwen, zal het wel nader blijken, hoe het revolutiegevaar van de zijde der Sociaal-Democraten ook de rust van ons volk dermate blijft bedreigen, dat de grootste waakzaamheid geboden blijft.
Een paar jaar geleden schreef de bekende voorman der Sociaal-Democraten, de heer R. Kuiper in de Socialistische Gids: 
„We hebben den plicht alle dienstige middelen aan te wenden om het Socialisme te bevorderen. Indien de wet aan de bevordering van het Socialisme in den weg staat, dan hebben wij, zoo mogelijk en noodig, de wet te verbreken en als 'n vodje papier, beschreven door regeerders, die misdadigers werden, aan flarden te scheuren. De wet is middel, geen doel op zichzelf. En hetzelfde geldt ook voor het beginsel der Democraten".
En het was niet minder, dan de heer mr. P.J. Troelstra, de oud-leider der Sociaal-Democratische Partij in Nederland, die in zijn werk: „Wat de S.D.A.P. wil en wat zij niet wil" tot de conclusie kwam:
„De vraag of de middelen die op een bepaald oogenblik en voor een bepaalde zaak moeten dienen, wettig of onwettig zijn, is voor ons geen principiëele, doch slechts een nuttigheidsvraag. Geweld is ons door de ervaring gebleken een slecht middel te zijn, vrijwel overbodig als wij de macht hebben, schadelijk zoolang wij die niet hebben. Maar waar het voor een gegeven doel noodig is en op grond van rustige overweging nuttig mocht blijken, is er geen dogma of beginsel, dat ons het gebruik van dat middel, zou ver­bieden".
Het komt er dus bij de Sociaal-Democra­ten niet op aan of een wettig of onwettig middel wordt gebruikt, zoo iets maakt geen principe uit. Het gebruik maken van geweld is oirbaar en toelaatbaar.
Moeten nu aan deze twee uitspraken van vooraanstaande mannen in de Sociaal Democratische Arbeiderspartij nog meerdere worden toegevoegd om het duidelijk te maken, hoe ook in Nederland een geest van opstand en verzet heerscht, die, wanneer ze met de daad in toepassing wordt gebracht, groote gevaren voor de orde en rust opleveren?
En daarom mag ook aan het slot van dit artikel de vraag aan ieders consciëntie worden voorgelegd, of het in den ernstigen tijd, waarin wij leven, te verantwoorden is, dat op het zoo uitgebreide terrein van Staat en Maatschappij, waar in Gods gunste een bolwerk ware op te richten ter bestrijding van de revolutie, ons volk zijn kracht versplintert en daardoor den tegenstander de gelegenheid geeft om zijn macht naar alle zijden te ontplooien. Laat 't toch eens uit mogen zijn met het verbijten en vereten van elkander, nu de revolutionaire machten groeien en het ongeloof zich als een wassende vloed over de vaderlijke erve uitstort. Ook de politieke situatie, waarin wij verkeeren, kan geen tegenstand bieden aan de gevaren die ons omringen. Doch daarover een volgend maal.
Voor het heden blijve de aandacht er bij bepaald dat een eendrachtig samengaan van al degenen, die naar de christelijke beginselen in Staat en Maatschappij willen leven, onder Gods zegen een krachtige phalanx kunnen vormen in de worsteling tegen ongeloof en revolutie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's