MEDITATIE
Door het geloof heeft Noach de arke toebereid
Hebreen 11 vers 7a.
Is het wonder dat, wie in onze dagen het leven der groote menschenmassa gadeslaat, onwillekeurig herinnerd wordt aan het getuigenis van den Heere Jezus aangaande de oude wereld: „Want gelijk zij waren in de dagen vóór den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging; en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam: alzoo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen" (Matth. 24 vers 38, 39).
Toch staren wij onwillekeurig wel eens met eenige verwondering op deze eenvoudige woorden: „Etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende". Immers geen grove zonden worden ons hier genoemd van Noach's tijdgenooten. Geen opsomming van gruwelijke ongerechtigheden wordt ons hier gegeven. Het staat er zoo heel sober: „eten en drinken, trouwen en ten huwelijk geven". Is dat dan zulk een groot kwaad? Heeft God dan den mensch in het Paradijs niet de vrucht van het geboomte tot spijze gegeven? Heeft de Schepper hem niet zóó geformeerd, dat hij behoefte had aan spijs en drank? En heeft de Heere Zelf niet in Edens hof het eerste huwelijk gesloten?
Als er dan ook staat geschreven van de bewoners der oude wereld: „zij waren etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende", dan moeten we niet alleen acht geven op wat hier gezegd wordt, maar ook op wat hier niet wordt genoemd. Wij missen in de levensbeschrijving van deze menschen, die ons in zoo korte woorden gegeven wordt, iets. Wij missen daarin den naam van God. Dat was de groote kwaal van Noach's tijdgenooten. God was als 't ware uit hun leven weggebannen. Zij leefden voor den tijd. Zij gingen op in het vergankelijke. Zij kenden geen andere zorgen dan voor dit leven. Naar God en Zijn dienst vraagden zij niet; om hun onsterfelijke ziel bekommerden zij zich niet en met de eeuwigheid rekenden zij niet.
En te midden van dit geslacht leefde Noach. Van hem zegt de waarheid, dat hij een rechtvaardig, oprecht man was in zijn geslachten en dat hij wandelde met God. Vooral deze laatste uitdrukking wijst ons op zijn diepe, innige godsvrucht. Aan hem werd niet alleen vervuld het woord uit Psalm 25:
't Heilgeheim wordt aan zijn vrinden
Naar Zijn vreeverbond getoond,
maar de Heere openbaarde hem ook de toekomst. Met Zijn oordeelen zou Hij komen over de oude wereld. De watervloed zou de aarde overstroomen. Alle vleesch waarin een geest des levens was, zou omkomen;
Maar voor Noach, Zijn knecht, had de Heere een veilige schuilplaats bereid. God beval hem een ark te bouwen. Een grootsch getimmerte moest het worden; 300 ellen lang, 50 ellen breed en 30 ellen hoog. Het zou tot schuilplaats verstrekken voor Noach en de zijnen, als de watervloed van Gods verbolgenheid over de aarde werd uitgegoten. Maar ook nu gedacht de Heere te midden van Zijn toorn des ontfermens. Niet ongewaarschuwd zou de oude wereld omkomen. Nog honderd en twintig jaren zouden haar geschonken worden, opdat zij zich zou bekeeren van hare booze wegen.
Noach geloofde, en omdat hij geloofde heeft hij de ark gebouwd. Jaar in, jaar uit heeft hij het gereedscjiap gehanteerd, opdat straks, als Gods oordeelen zouden worden vervuld, het gevaarte gereed zou zijn, dat hem tot een toevluchtsoord moest dienen. En hij arbeidde niet alleen met de hand, maar hij predikte ook. Te midden van een krom en verdraaid geslacht, dat slechts leefde voor het heden en om de eeuwigheid zich niet bekommerde, verhief de prediker der gerechtigheid zijn stem. Mij dunkt, in den beginne zal wel voor een oogenblik een siddering gegaan zijn door de zielen zijner toehoorders. Als het eens werkelijk waar was! Als inderdaad 't oordeel komende was! Maar het eene jaar volgde op het andere — zonder dat er iets bijzonders gebeurde. En de wateren der ziel, die voor een weinig tijds aan de oppervlakte bewogen waren, keerden spoedig weer terug tot de rust van voorheen. Als van een roepende in de woestijn klonk de stem van den eenzamen prediker te midden van een zorgelooze wereld, en de H. Schrift verhaalt ons niet van één enkele, die zich bekeerd heeft van de dwaling zijns wegs.
Of Gods Woord dan in die dagen ganschelijk tevergeefs is gebracht? Neen. De prediking, die van 's Heerenwege tot den mensch komt, keert nooit ledig weder. Zij is ten oordeel of ten voordeel. En ook als Noach's getuigenis niet gediend heeft tot bekeering van zondaren, dan heeft nochtans God door zijn prediking zich vrijgemaakt van de oude wereld.
En zóó maakt de Heere zich ook vrij van ons geslacht. De dagen van Noach hebben zooveel te zeggen voor de menschen van onzen tijd. Of is er geen treffende overeenkomst tusschen de oude wereld en 't moderne geslacht der twintigste eeuw? Zijn er ook onder ons geen duizenden bij duizenden, wier levensgeschiedenis kan samen gevat worden in de enkele woorden: „etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende". Die leven voor den tijd. Die geheel en al opgaan in het vergankelijke. Die vragen van den vroegen morgen tot den laten avond, ja, tot in de nachten toe: „Wat zullen wij eten en wat zullen wij drinken, en waarmede zullen wij ons kleeden?", maar uit wier leven God is weg gebannen. Die rekening houden met alles en met allen, behalve met Hem die troont in Zijn heiligen tempel en bij Wien vergeleken de volkeren der aarde minder zijn dan een druppel aan den emmer en een stofke aan de weegschaal.
En zijn er ook niet in onze zoogenaamd godsdienstige, kerkelijke kringen; onder hen die althans voor het uitwendige nog niet geheel met God en Zijn Woord en dienst hebben gebroken, talloos velen, in wier diepste zieleleven God de Heere geheel en al op den achtergrond is gedrongen, ook bij het behoud van uitwendige vormen. Hoevelen zijn er in onze dagen, die zich noemen naar den Naam van Christus, gedoopten in den Naam van een Drieëenig God, belijders van de waarheid, kerkgangers en Avondmaalgangers, wier leven toch in de kern der zaak ook niet anders is dan: „eten en drinken, trouwen en ten huwelijk geven". Waar is de honger naar het Woord? Waar de dorst naar gerechtigheid? Waar de diepe en levende kennis van zonde en schuld en het roepen uit ellende tot den hoogen God? Is niet Sion overgebleven als een nachthutje in den komkommerhof?
O zeker. God houdt nog bemoeienis met ons volk. De Heere heeft Zijn hand nog niet van ons afgetrokken. Daar is nog een overblijfsel naar de verkiezing zijner vrijmachtige genade. En hier en daar en ginds treedt nog een eenzame op als een prediker der gerechtigheid om het oordeel den volke bekend te maken, om te wijzen op de teekenen der tijden, die zich inzonderheid in onze dagen vermenigvuldigen en te roepen tot de ark der behoudenis, die alleen een veilige schuilplaats biedt, als straks de oordeelen Gods zich zullen ontlasten.
De tijd, waarin wij leven, is zoo bijzonder ernstig. Sinds tal van jaren rolt de donder van Gods toorn langs den hemel. Oorlogen en geruchten van oorlogen, aardbevingen en pestilentiën, valsche Christussen en misleidende profeten, het zijn altemaal teekenen die ons heenwijzen naar den grooten dag der dagen. Maar inplaats van acht te geven op des Heeren roepstem en vermaan, leeft de groote massa voort als de oude wereld, misschien voor een oogenblik opgeschrikt uit de oude gerustheid, maar dan toch ook maar voor een oogenblik, om zoo aanstonds weer voort te gaan op den ouden zondigen weg, „etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk gevende".
O, geslacht dezer eeuw, geef toch acht op des Heeren getuigenis. Merk toch op hetgeen God van den hemel u toeroept. Laat u toch eens opschrikken uit uw vadsige rust. Het gaat toch tenslotte niet om zaken van weinig beteekenis, om tijdelijke en stoffelijke belangen, maar het gaat om het eeuwig heil van uw onsterfelijke ziel. Van Noach lezen we, dat hij bouwde aan de ark. En waarom deed hij dat? Omdat hij geloofde Gods bedreiging, dat Hij een watervloed over de aarde zou zenden, maar ook des Heeren belofte, dat deze ark hem tot behoudenis zou verstrekken. Dat bouwen was voor hem geen kleine zaak. Dat was voor hem niet iets van geringe beteekenis. Integendeel. Dat bouwen vereischte al zijn krachten, honderd en twintig jaren lang. Maar het was voor hem niet te veel, omdat 't voor hem gold: of niet bouwen en dan omkomen met de oude wereld in den watervloed van Gods toorn, of wel bouwen en dan behouden worden, als straks de wateren de aarde zouden bedekken en alle vleesch, waarin een adem des levens was, den geest zou geven.
Bouwen of niet bouwen, lezer, wat doet gij? Zoekt ge behoud of leeft ge onbezorgd en onbekommerd voort? Dat bouwen vereischt al uw levenskracht. O, ik kan mij Noach niet voorstellen, vandaag ijverig werkzaam en dan dagen lang zijn arbeid onderbrekend. Want voor hem stond het vast: De Heere komt. Hij komt ten oordeel. Hij komt om af te rekenen met een geslacht, dat met Hem niet heeft gerekend.
Zoo sta het ook in uw ziel met onuitwischbaar schrift gegraveerd: De Heere komt. Al roepen de menschen — ook de zich Christen noemende — dat er zoo'n haast niet bij is, al verkondigt de wereld dat ge u noodeloos ongerust maakt, al spotten weer anderen dat het maar bangmakerij is, weet 't, o geslacht dezer eeuw: „De Heere komt". Zijn heilige toorn zal zich ontlasten. Wraak zal Hij doen over alle goddeloosheid der menschen. En daar is maar één redmiddel. Daar is maar één weg van behoud. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden. De gerechtigheid van Christus bedekt volkomen. Daarvan was de arke Noach's een schaduw. En het was niet het werken als zoodanig, dat hem behoudenis verzekerde, maar zijn arbeid was vrucht des geloofs, waardoor zijn ziel redding zocht. Voor Noach stond het onwrikbaar vast: „de Heere komt ten oordeel", en hij geloofde dat het middel ter behoudenis, dat God hem aan de hand deed, het éénige ware was: het bouwen van de ark.
Zij zoo ook uw ziel er van verzekerd:
Hij komt. Hij komt, om d' aard te richten,
De wereld in gerechtigheid,
en bewerke God door Zijn Geest uw hart om gewillig aan te nemen het éénige. middel dat uw ziel kan redden: Jezus Christus, Zijn zoen- en kruisverdiensten.
Straks vervult de Heere èn Zijn bedreigingen èn Zijn beloften. Zijn beloften aan degenen, die acht gaven op Zijn goddelijk vermaan. Dan zal ook andermaal geschieden wat er geschreven staat van de oude ark: „En de Heere sloot achter hem toe".
Ja, dan zal God scheiding maken. Scheiding tusschen hen, die in de ark hun toevlucht namen, en degenen die buiten zijn. Dan zal 't beslist zijn, beslist voor eeuwig. Wèl of wee. Hemel of hel. Zegen of vloek.
Maar nu is 't nog het heden der genade. Nog weerklinkt Gods roepstem over het rond der aarde. En terwijl de teekenen der tijden zich vermenigvuldigen en Christus' bruidskerk uit dit Mesech haar bede opzendt: „Kom, Heere Jezus, ja, kom haastiglijk", klinkt uit de donkere wolken, die de aarde bedekken, de stem Gods ons tegen:
Maranatha, Jezus komt.
Barneveld. G. VAN MONTFRANS
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1928
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's