De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJK RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJK RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

Voorheen en Thans wat ons Chr. Onderwijs betreft.
Wij zijn van oordeel dat naast elke Kerk — bij wijze van spreken — een School met den Bijbel moet staan. Kerk en Christelijk Onderwijs — bij wijze van spreken — hooren bij elkaar. Wij zeggen nu niet, dat het Christelijk Onderwijs „kerkelijk" moet zijn. Wèl, dat de gedoopte jeugd moet worden onderwezen op een School met den Bijbel. Hoe meer Christelijke Scholen dat er dan ook — bij wijze van spreken — komen, hoe liever dat het ons is, als het Scholen met den Bijbel zijn, gebouwd om het Evangeliezout uit te strooien in het midden van de kinderen. Vergaren is hier bewaren. Vergaren rondom het Woord kan. bewaren voor ongeloof en revolutie.
Wij verblijden ons er dan ook over, dat we dit jaar een jubeljaar hebben. Vijftig jaar geleden of nu — wat een verschil. En dat gedenken, we met blijdschap en met dankbaarheid.
In „de Wachter" trof ons een stukje van den pas overleden emeritus dominé van Zutphen, ds. Lindeboom.  Vlak voor zijn sterven schreef hij het en liet lag klaar op zijn schrijftafel, toen de dood hem opriep tot een beter en hooger leven. Uit de strijdende Kerk in de triumfeerende!
Zijn artikel nemen, we hier over. Er stond boven:
HET VOLKSPETITIONNEMENT HERDACHT.
Het luidt aldus:
In de maand Augustus was het juist 50 jaren geleden dat aan Z.M. Koning Willem III op Het Loo het smeekschrift werd aangeboden, inhoudende het ernstig verzoek de toen door de Staten-Generaal aangenomen Schoolwet, ingediend door Minister Kappeyne niet te onderteekenen.
Die Schoolwet bedoelde niets minder dan den dood voor de Christel. School, de School met den Bijbel. De felle haat tegen het christelijk deel des volks, dat met het Openbaar Onderwijs geen vrede had, maar ten koste ook van aanzienlijke geldelijke opoffering in eigen scholen, waar Gods Woord den toon aangaf, tot stand had gebracht en in het leven gehouden, openbaarde zich in allerlei vorm.
Het zoogenaamd liberalisme vergat in die dagen zoozeer zijn leuze van vrijheid en eerbiediging van gewetensvrijheid op christelijk en schoolgebied, dat een Minister der Kroon als zijn gevoelen te kennen gaf, toen voor een minderheid in den lande gelijke rechten werden bepleit met de toonaangevende meerderheid: „dan moeten de minderheden maar onderdrukt worden".
't Ging zelfs zoover dat uit een Ministeriëelen mond de profane taal werd vernomen dat de Christelijke School de vlieg is, die des apothekers zalf bederft. En dat in naam der vrijheid.
In weerwil van het petitionnement, waarop honderd-duizenden geteekend hadden, heeft de Koning, noodgedrongen, zijn sanctie gegeven aan de Schoolwet-Kappeyne, zoodat tot de uitvoering er van is overgegaan.
De druk tengevolge van de Wet-Kappeyne, ook wel de Scherpe resolutie genaamd, was van dien aard dat Gods volk bedroefd en bedrukt terneerzat, de vijanden van het Christelijk Onderwijs daarentegen juichten.
Waren de voorstanders van een School met den Bijbel, waar de kinderen naar den eisch des Verbonds worden opgevoed, verslagen en voor een oogenblik moedeloos, spoedig bleek het dat het geloof in God, Die krachten geeft, van Wien het volk zijn sterkte heeft, niet verloren was.
Nu de hoop op menschen ijdel bleek te zijn, zocht men hulp en kracht bij God in den hemel, en sterkte zich in Hem, gelijk David weleer. Die de Almachtige en wonderdoende God is; Die in oude dagen Israël, toen het ten doode was opgeschreven, uit den ijzeren vuuroven van Egypte heeft verlost en als een vrij volk Egypte heeft doen verwisselen met het beloofde land Kanaan. Tot dien God, van Wien de man Mozes getuigt: „Hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het wies. Zoo: dat zij verdrietig werden vanwege de kinderen Israels". Het geloof in Israels God deed moed grijpen en bij vernieuwing de handen aan den ploeg slaan Met het gevolg? Dat, wat de vijanden ten kwade hebben gedacht, de Heere ten goede heeft doen meewerken.
Werd de herinnering aan het Volkspetitionnement levendig gehouden door de jaarlijksche Uniecollecte voor een School met den Bijbel, thans, nu 50 jaren achter liggen, heeft men op vele plaatsen meer opzettelijk dit feit herdacht in christelijke samenkomsten waar het verleden en het heden op schoolgebied met elkander vergeleken is geworden en men tot de conclusie moest komen: „Dit is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in onze oogen".
Groot is dan ook het verschil tusschen de Christelijke School in den tijd van Kappeyne en die van thans.
Van een ter dood veroordeelde, van een als aller afschrapsel beschouwd te worden, heeft God haar genade en eere gegeven: getuige de in alles aan het doel beantwoordende scholen van thans.
't Is goed, dat bij ons jonger geslacht, dat van den bangen strijd op schoolgebied bij ervaring niets weet, de herinnering aan het bange verleden en den strijd die doorworsteld is, levendig gehouden wordt, om des te meer de weldaden, die thans genoten worden op prijs te stellen.
Thans ziet het Christelijk Onderwijs van weelde zich omringd, terwijl 't vroeger een veelszins kommerlijk bestaan had. Op zichzelf moge het verblijdend zijn en stof geven tot dank aan den Heere, dat de financieele druk verlicht is en financieele gelijkstelling in het vaandel is geschreven, er dreigen nu gevaren van anderen, niet minder ernstigen aard.
Van Jeschurun wordt gezegd, dat hl achteruitsloeg, toen hij vet was geworden. (Deut. 32 vers 15). Er is gevaar in zulk een toestand, nu het alles voor den wind gaat, zorgeloos, zelftevreden, biddeloos te worden.
De ervaring van Gods volk is dan ook dat in tijden van strijd en druk het gebedsleven tiert; dat zulke tijden voor 't geestelijk leven de vruchtbaarste zijn, dan het geloofsleven zich op krachtige wijze ontplooit en gepaard gaat met offervaardigheid voor de zaak des Heeren.
Hoeveel verblijdends de schooltoestanden in onze dagen van financieele gelijkstelling ook meebrengen, gevaar is er dat de geestelijke schade, door een en ander teweeggebracht, grooter wordt dan de winst die zij biedt. In dat geval waren dan de vroegere dagen beter dan de tegenwoordige.
De vijand zit niet stil. Hij is er op uit schade te berokkenen aan de zaak van onzen Heiland. Daarom is en blijve het wachtwoord: „Waakt en bidt". En dat zal niet geschieden zonder dagelijksche worsteling en smeeking, om te houden wat men heeft, gelijk de Heere ook zegt in Zijn Woord: „Houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme" (Openb. 3 vers 11).
Moge de herinnering aan wat vóór 50 jaar plaats vond op schoolgebied, tot ootmoed en dank stemmen, maar ook 't oog geopend houden voor de geestelijke gevaren, die dreigen.

Vijf miljoen.
De voorstanders van het Openbaar Onderwijs hebben altijd geteerd op de publieke kassen van Rijk en Gemeente. De armen hebben er van geprofiteerd, dikwijls gedachteloos. De rijken hebben zich niet geschaamd om te leven van de penningen, die door anderen werden opgebracht. Nu beginnen de verdedigers van het Openbaar Onderwijs middelen en wegen te verzinnen om de Openbare School financieel te steunen — maar 't heeft den schijn dat ze te laat komen. De Openbare School is in discrediet geraakt en schijnt niet meer te redden dan alleen in de nieuwe stadswijken waar, vóór dat er menschen wonen, schoolpaleizen worden neergezet op kosten van de Gemeente.
De voorstanders van de School met den Bijbel hebben nu vijftig jaar hun offers gebracht voor het Christelijk Onderwijs. Tal van scholen, uit eigen middelen gesticht, verrezen er. Kleine, onaanzienlijke gebouwtjes, vaak met leermiddelen, waarop zuinigzijn werd toegepast — de Arnhemsche Post herinnert er nog eens aan — maar de resultaten die verkregen werden waren uitnemend. Besturen die wisten wat tobben en zorgen en zuchten is, maar die gedragen en gesteund werden in liefde door de ouders van de schoolgaande kinderen en de leden der Schoolvereeniging. Wat bange dagen en uren, maar wat heerlijke uitkomst telkens!
Dan de jaarlijksche collecte langs de huizen, de Unie-collecte sinds 1878, als herinnering aan en als de wraak eens christens tegenover de scherpe resolutie van Kappeyne van de Copello en de liberalistische meerderheid in 's Lands Raadzaal. Wat is er nu vijftig jaren lang een heilig enthousiasme geweest! En bijna 5 miljoen is door die Jaarlijksche collecte nu in een halve eeuw bij elkaar gebracht; buiten hetgeen men deed plaatselijk en landelijk voor eigen school en onderwijs, leermiddelen en onderwijzers!
Nu is de positie van het Christelijk Onderwijs anders geworden. De Heere heeft ruimte gemaakt, in stad en dorp. Voor de Wet is nu gelijkheid. Maar nu mag het gebed voor het Christelijk Onderwijs niet verdwijnen. In onze kerken en in onze huizen moeten de Scholen met den Bijbel gedragen worden bij voortduring op de vleugelen des gebeds. De Heere wil gebeden worden en aan Zijn zegen is alles gelegen.
Laten we daarom bidden, bidden zonder ophouden, bidden met een harte, dat behoefte kent aan 's Heeren gunstrijk welbehagen.
En het offer mag niet ontbreken.
Gebed en offer.
Anders is het met onze Scholen met den Bijbel gedaan!

Dwaasheden der Theosofie.
Op het oogenblik vertoeft in ons land de Britsch-Indische theosoof H.P. Wardia, van wien de N. Rott. Crt. een portret gaf. De heer Wardia is te Bombay geboren en is 49 jaar oud. Zijn speculatieve natuur vond geen behagen in den handel, waarvoor hij oorspronkelijk was opgeleid en door lectuur, voornamelijk van Blavatsky, ging hij over tot de theosofie en besloot daaraan zijn leven te wijden. Zoo was hij van 1904—1922 een vooraanstaand lid der Theosofische Vereeniging en deed ook in Europa en Amerika propagandareizen. Den laatsten tijd treedt de heer Wardia in Europa op, gelijk hij enkele jaren achtereen in de Vereenigde Staten deed, om aan te toonen dat de Theosofische Vereeniging, waarbij hij eenmaal zelf was aangesloten, ontrouw is geworden aan de zuivere theosofische leer. Hij wil trachten het oude, zuivere beginsel weer te doen leven onoer de menschen, hier en elders, waarbij zijn lezingen veel belangstelling ondervinden.
Van een voordracht, welke hij 15 Oct. j.L te Amsterdam hield, lazen we in de N. Rott. Crt. een breed verslag, waaruit we hier iets willen overnemen. Onwillekeurig zetten we boven dit artikel: Dwaasheden — — — Men vergeve ons deze oneerbiedigheid, 't Opschrift stond er nu eenmaal. En we zullen het maar laten staan — — —.
De heer Wardia, die door zijn voorouders van Perzische afkomst is, sprak ongeveer aldus: De Theosofie is den laatsten tijd onder goed en kwaad gerucht algemeen bekend geworden. Doch, gelijk destijds het oorspronkelijke Christendom reeds spoedig was vervalscht, heeft ook in de Theosofie een reeks van de oorspronkelijke waarheid afwijkende leerstukken haar intree gedaan. Onder die afwijkende en valsche leerstukken moet; b.v. getekend worden dat van den Wereldleeraar. Zoo iets heeft de Theosofie vroeger niet gekend. Men mag zich tegenwoordig dan ook wel afvragen: wat Theosofie is?
Theosofie is geen nieuw begrip, door mevr. Blavatskyin 1875 uitgedacht, maar een oud woord, dat reeds in de oude, klassieke wereld bekend was. In het Neoplatonisme treffen wij het woord theosofie voor het eerst aan. Maar ook reeds in de oude heilige boeken der heidenen, de Veda's, in het oude Indië, Babylon, Chaldea, China is de theosofie te vinden geweest.
't Is waarlijk niet een zaak van den laatsten tijd.  Ook de Middeleeuwen hebben naar de occulte waarheid gevorscht, maar in den modernen tijd is het mevr. Blavatsky die in 1875 den draad van dit zoeken naar de oude en universeele wijsheid weder heeft opgevat.
Theosofie is Goddelijke wijsheid — theos = God; sofia = wijsheid —; het is een stelsel van filosofie, wetenschap en religie. Men zou het de wijsbegeerte van den godsdienst kunnen noemen, maar ook de godsdienst van de wijsbegeerte. Het is geen geloofsbelijdenis welke blindelings moet worden aanvaard, maar een wetenschap, welke moet worden beoefend. De theosofie verbiedt dat men eenigerlei leering zal aannemen, welke niet de weerklank is van de uitspraak van het eigen hart.
God mag niet uitsluitend het voorwerp van godsdienst zijn, Hij is ook het object van onderzoek. Te zeggen, dat God buiten het heelal en buiten het veld van onderzoek is gesloten, zou godslastering zijn. Als God alomtegenwoordig is, is hij ook tegenwoordig in iedere menschenziel. ledere intelligentie die werkt, is God. De mensch in de ontplooiing van zijn groote krachten is God, God is de geest van het universum, van het geheel. God is in den geest van den kunstenaar, van het genie, evengoed als in den geest van den zot, van den zondaar; evengoed in den volwassene als in den zuigeling. Hij is de geest van het universum, van het geheel, evengoed als de geest van elk afzonderlijk.
Dit theosofisch leerstuk van de alomtegenwoordigheid Gods (in pantheïstischen zin dan genomen) houdt in: de ontkenning van zonde en dood. Er is hoogstens een toestand van onvolkomenheid, maar dat is dan een groeiende toestand tot volmaking. Alles is van den geest Gods doortrokken in meerdere of in mindere mate, en zoo zijn alle vormen, organisch of anorganisch, vormen van leven. Steenen en menschen, evengoed als boomen en dieren zijn vormen van leven, waarin de alomtegenwoordige goddelijke geest is (het pantheïsme of al-God zijn in alles). De stof zelf is levend. Wij zijn ziel; en die ziel staat in betrekking tot elk onderdeeltje van het heelal. Het is tenslotte al-Geest. En alles wat in 't heelal gevonden wordt, vindt men ten slotte terug in den mensch, die een microcosmos is (een wereld in het klein). De nauwe betrekking tusschen natuur en mensch, met den al-Geest in alles, vormt een onderdeel van de studie der theosofen.
Nu is de mensch het voornaamste in het heelal, dat doortrokken is van den al-Geest. Het doel van de schepping is de mensch. Om dien mensch gaat het en de mensch ontwikkelt zich langs allerlei banen tot oppermensch. De mensch is iets grootsch in wording. De mensch is een God in wording. In het proces der evolutie heeft de mensch zichzelf gemaakt tot wat hij is.
Met 'n uitspraak van een Soefi maakte de heer Wardia dat duidelijk. Die heeft gezegd: „Ik stierf als een delfstof en ik werd geboren als een dier. Ik stierf als een dier en werd geboren als een dier. Ik stierf als een dier en werd geboren als een mensch. Ik stierf als een mensch en werd geboren als een God".
Die steen, die een dubbel dier en een enkelvoudig mensch is geweest, is dus na drie of vier of vijf levens als steen-dier-mensch, in den weg der evolutie, God geworden.
Zoo is de mensch na tal van prae-formaties als delfstof en dier, een God in wording. Ieder mensch in het proces der evolutie of ontwikkeling maakt de mensch zich tot wat hij is. Hij heeft zelf alles in zijn macht.
Hoe het dan komt, dat er zooveel verschil is onder de menschen?
Ons onderling verschil — aldus de heer Wardia — wordt verklaard doordat wij in vorige levens op verschillende wijzen aan de volmaking gewerkt hebben en niet omdat God ons verschillend gemaakt heeft. Die als steen of varken of hond niet goed oppast, moet er langer over doen om tot volmaking, om tot mensch en eindelijk tot God te worden, dan die wèl wijs en goed zich gedraagt! De leer van de Reïncarnatie staat hier in het middelpunt, het telkens weer terugkeeren tot een aardsch bestaan; waarbij het leerstuk van Karma, van de vergelding hoort. En de wet van de ethische causaliteit: het verband tusschen goed en vordering bij de volmaking, kwaad en stagnatie bij de volmaking, verklaart ons alles, waarbij we behoed worden te vreezen voor een macht, buiten ons leven staande. Er is geen God buiten ons en er is geen duivel buiten ons. We zijn zelf baas in alles en overal en altijd. De groote wet van ons leven werkt in onszelf, bij den een wat vlugger, bij den ander wat trager. 
Wie van een ander wezen afhankelijk is, heeft te vreezen. Verschrikkelijk moet het zijn voor menschen die de genade Gods zeggen noodig te hebben en die dan te moeten missen. Maar de theosofie leert, dat de mensch van niemand afhankelijk is en ook niemand te vreezen heeft de mensch is op zichzelf aangelegd, heeft zelf alles in z'n macht, is z'n eigen god door den goddelijken geest, die in hem en in alles is. Wie z'n eigen lot bestemt, kent geen vrees.
Omdat wij altijd geleefd hebben en altijd zullen leven, hebben wij aldoor gelegenheid onszelf te ontwikkelen en te verbeteren op grond, van de ervaringen, welke, wij hebben opgedaan. De ervaringen die we opdeden toen we als steen leefden, kunnen ons helpen toen we als een varken op aarde waren en van varken een hond geworden zijnde of een paard, kunnen we weer wijsheid opdoen voor den tijd dat we als mensch leven en dan worden we Oppermensch, mensch in den hoogsten graad, en dan worden we God.
Tusschen Christus en Boeddha eenerzijds — zoo zei de heer Wardia — en ons anderzijds, bestaat slechts een verschil in graad, niet in potenties, niet in macht of wezen. We komen allen straks aan 't zelfde station, als we maar geduld hebben en ons wijs en verstandig aanstellen. De weg, welken wij reeds hebben afgelegd — verzekerde de heer Wardia nadrukkelijk — om van wilde tot cultuurmensch te worden, waarborgt ons toekomstige volmaaktheid.
Ten slotte zei de heer Wardia: „De theosofie is geen leer voor kinderen, maar voor volwassen menschen, die in eigen kracht gelooven. Zij geeft ons voedsel voor hart en hoofd, drijft ons tot zelfverwezenlijking en bereidt de universeele broederschap der menschen voor".
Bij degedachtenwisseling, welke op de rede van den hr. Wardia volgde, merkte hij o.a. nog op, dat alles een ziel heeft; dat alles op weg naar volmaking is: delfstoffen worden dieren, dieren worden menschen, menschen worden God. De heerschappij betreft zoowel het heelal als de menschen en de God die nu slaapt en wegschuilt in alles, komt straks alom te voorschijn; als alles zichzelf bewust geworden is zal alles God zijn. „De transcendente God is de immanente God, die latent is".
Het gebed noemde de heer Wardia nutteloos, zoo 't een God buiten ons betreft. De mensch is z'n eigen God, niet bidden tot God, maar zelf handelend optreden, dat voert tot de volmaking en tot het geluk.
Het Nirwana van Boeddha noemde de heer Wardia geen „zelfvernietiging", maar: zelfverwezenlijking in de absolute volheid des levens.
We moeten ons telkens verbazen, dat zooveel menschen in de 20ste eeuw zich aan zulke dwaasheden vergapen. Of is het juist iets voor de 20ste eeuw? Nu God komt duidelijk maken de dwaasheid van het materialisme, waarbij men weigert terug te keeren tot hetgeen de Heere ons leert in Zijn Woord. Terug tot Gods getuigenis dan, o mensch! Daar is de Goddelijke Wijsheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

KERKELIJK RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 oktober 1928

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's